Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/X.2.3
X.2.3 Uitgangspunten van samenloop
1
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178900:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover ook § ix.2.1.
HR 28 juni 1957, NJ 1957/514, m.nt. Rutten (Erba/Amsterdamsche Bank), HR 6 maart 1959, NJ 1959/349, m.nt. Hijmans van den Bergh Bertha/Revenir) en HR 15 november 2002, NJ 2003/48, m.nt. Vranken (AVO/Petri), rov. 3.7.2, waarover uitvoerig Houben 2007, p. 27 e.v.
HR 14 juni 2002, NJ 2003/112, m.nt. Hijma (Bramer/Hofman), rov. 3.7.
Zie de in noot 17 genoemde arresten.
‘Tenzij de wet anders bepaalt, is bevoegd de rechter van de woonplaats van de gedaagde.’ Zie Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 98 (MvT Flex-bv).
Vgl. Boukema 1966, p. 48 en Brunner 1984, p. 5-8.
Vgl. de gevallen besproken bij Snijders 1973, p. 455-457 en Janssen 2007, p. 4.
HR 3 juni 2016, JOR 2016/233, m.nt. Van Vught (IMG), rov. 4.1.2.
In gevallen van samenloop is cumulatie het adagium. Waar twee rechtsregels op hetzelfde feitencomplex van toepassing zijn, vinden beide toepassing.2 Deze hoofdregel lijdt uitzondering indien cumulatie onmogelijk is, dat wil zeggen waar rechtsgevolgen elkaar uitsluiten. Zo kan een beding in algemene voorwaarden niet tegelijk worden vernietigd als onredelijk bezwarend (art. 6:233 aanhef en onder a BW) én buiten toepassing worden gelaten wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW) – die rechtsgevolgen gaan niet samen.3 In zo’n geval moet de gerechtigde kiezen welk rechtsgevolg hij wenst in te roepen. De desbetreffende rechtsregels werken alternatief.
Pas wanneer ook alternativiteit niet aan de orde is, komt exclusiviteit van een bepaalde rechtsregel in beeld. Van dat laatste is pas sprake indien ‘de wet dat voorschrijft of onvermijdelijk meebrengt’ – een strikt, nauw bemeten criterium gebezigd in vaste jurisprudentie van de Hoge Raad.4 Een voorbeeld hiervan is te vinden in de geschillenregeling. Art. 2:336 lid 3 BW (jo. art. 2:343 lid 2 BW) bepaalt dat ‘uitsluitend’ de rechtbank van de woonplaats van de vennootschap bevoegd is kennis te nemen van een vordering tot uitstoting of uittreding. Dit sluit toepassing van de hoofdregel van art. 99 lid 1 Rv uit.5
De literatuur beziet samenloop vooreerst door materiële ogen.6 Abstract gezegd gaat het bij samenloop eerst en vooral om een rechtsfeit waarop verschillende materiële normen voor toepassing in aanmerking komen. Zo kan een enkel besluit van een rechtspersoon in strijd zijn met zowel de redelijkheid en billijkheid (art. 2:8 BW) als de maatschappelijke zorgvuldigheid (art. 6:162 BW). Dikwijls levert een samenloop van materiële normen geen problemen op. Het gaat vaker mis met de ‘processuele’ regels die komen met de materiële kwalificatie, dat wil zeggen de rechtsvorderingen die kunnen worden ingesteld en de rechtsgevolgen waartoe ze kunnen leiden.7 Om bij het tegelijk onredelijke en onrechtmatige besluit te blijven: geldt voor vorderingen ter zake van dat besluit uitsluitend de vervaltermijn van art. 2:15 BW (één jaar)? Of staat een actie uit onrechtmatige daad ook na ommekomst van die termijn open? De Hoge Raad koos onlangs voor het tweede.8
Kortom: rechtsgronden, rechtsvorderingen en rechtsgevolgen hangen samen wat samenloop betreft en zijn bepalend voor de invulling van het exclusiviteitscriterium. Of en in hoeverre de wet exclusiviteit van de jaarrekeningprocedure voorschrijft of met zich brengt, hangt af van de toetsingsgronden in de verschillende procedures (§ 3), de mogelijke vorderingen (§ 4) en de daarmee te bereiken rechtsgevolgen (§ 5). Zitten de Ondernemingskamer en de rechtbank op deze drie punten in elkaars vaarwater? Als dat het geval is, is exclusiviteit van de jaarrekeningprocedure gerechtvaardigd omdat anders forumshopping mogelijk zou zijn. Waar evenwel de jaarrekeningprocedure en de procedure rondom toetsing van besluiten verschillen, is voor exclusiviteit geen grond. In dit laatste geval doet zich – zo men wil – überhaupt geen samenloop voor. Als beide procedures precies zijn afgebakend, botsen ze immers niet.