Einde inhoudsopgave
Uitbesteding van werk en (on)gelijke behandeling (MSR nr. 87) 2024/5.3.1.2
5.3.1.2 Re-integratie van de zieke uitzendkracht na einde van rechtswege door uitzendbeding
M.A.C. Keijzer, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
M.A.C. Keijzer
- JCDI
JCDI:ADS943626:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 63a lid 1 Zw; zie over eventuele arbeidsrechtelijke consequenties hiervan Van den Berg, TRA 2022/21.
Grapperhaus & Jansen 1999, p. 196.
Verhulp, SR 2001/4, p. 105.
Kroese, TRA 2018/57.
Jansen, TvO 2021/2, p. 69.
Dit is opgenomen in art. 4a Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar voor vangnetters zonder werkgever (‘Regeling’), maar de werkwijze komt voort uit een pilot van het UWV en de uitzendsector in 2011, zie: Kamerstukken II 2011/2012, 33 241, nr. 3, p. 20. Op 31 oktober 2012 sloten de pilotpartijen het convenant ‘Beter Aan Het Werk’ waarmee de werkwijze per januari 2013 landelijk werd ingevoerd, zie UWV Jaarverslag 2012, p. 12. Dat resulteerde in de toevoeging van art. 4a aan de Regeling, zie Toelichting in Stcrt. 22 november 2012, nr. 23827.
Als het uitzendbeding bij ziekte tot een einde van rechtswege leidt, heeft het uitzendbureau geen verplichtingen ten aanzien van de re-integratie van de uitzendkracht. Het UWV neemt de re-integratie op zich. Dit geldt niet als de uitzendwerkgever eigenrisicodrager is, hetgeen in de uitzendbranche veel voorkomt. Dan blijft het uitzendbureau ook na het inroepen van het uitzendbeding verantwoordelijk voor de re-integratie van de uitzendkracht. Eigenrisicodragers moeten de zieke uitzendkracht begeleiden in de re-integratie alsof tussen hen nog een dienstbetrekking bestaat.1
Door de wijze waarop het uitzendbeding in de uitzend-cao was geformuleerd, werd een zieke uitzendkracht direct buiten de onderneming geplaatst, terwijl niet duidelijk was of de ziekte wellicht na een paar dagen over zou zijn. Grapperhaus en Jansen gingen er in 1999 van uit dat een inlener bij ziekte van de uitzendkracht toch wel zou verzoeken tot beëindiging van de inlening en dat de interpretatie van het uitzendbeding in de uitzend-cao daar een fixatie van was.2 Zoals Verhulp in 2001 echter opmerkte, kan helemaal niet zomaar worden aangenomen dat inleners een inlening direct zouden beëindigen als de ingeleende arbeidskracht zich ziek meldt.3 Veel ondernemingen zullen best een paar dagen willen wachten totdat een eenmaal ingewerkte ingeleende arbeidskracht hersteld is van een griepje in plaats van weer een nieuwe uitzendkracht in te moeten werken. Door het direct beëindigen van de arbeidsovereenkomst – en dus het uitzonderen van het opzegverbod bij ziekte – ontneem je de arbeidskracht binding met de werkplek. De ratio achter het opzegverbod tijdens ziekte, waar ook Kroese in 2018 op wees, is nu juist om de arbeidskracht te beschermen tegen extra mentale last van werkloosheid tijdens ziekte.4 Het idee achter het privatiseren van de Ziektewet was juist om ondernemingen zich verantwoordelijker te laten voelen voor re-integratie, omdat zij er ook financieel bij zijn gebaat dat de arbeidskracht re-integreert. Jansen wijst erop dat ‘de hele insteek van de privatiseringsoperatie’ was dat werknemers wat betreft re-integratie beter af zijn bij hun eigen werkgever dan bij het UWV en vraagt zich in dat kader af of dat ook niet juist geldt bij een uitzendwerkgever wiens activiteiten er toch op gericht zijn werknemers aan werk te helpen.5 Als nuancering hierbij geldt wel dat, zodra het UWV oordeelt dat een vangnetter in staat is passende arbeid te verrichten en langdurig ziekteverzuim dreigt, het deze vangnetter verwijst naar het uitzendbureau waar hij of zij laatstelijk werkzaam was. Als het uitzendbureau dan een passend-werkaanbod doet en de vangnetter verwijtbaar niet of onvoldoende meewerkt aan het aanvaarden van werk, kan het UWV als sanctie de ziekengelduitkering tijdelijk of blijvend geheel of gedeeltelijk korten.6