Fiscaal overgangsbeleid
Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/6.3.4.0:6.3.4.0 Introductie
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/6.3.4.0
6.3.4.0 Introductie
Documentgegevens:
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS416293:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 23 juli 1968, nr. 1474/62 e.a. (Belgium Linguistic case), Series A6; in vergelijkbare zin o.a. ook EHRM 9 februari 2006, nr. 43371/02 (Rabus/Duitsland), www.echr.coe.int en EHRM 12 december 2006, nr. 13378/05 (Burden and Burden/Verenigd Koninkrijk), FED 2007/107 (m.nt. Thomas) en EHRM 29 april 2008, 13378/05 (Burden/Verenigd Koninkrijk), V-N 2008/35.6, par. 60.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de Belgische Taal-zaak ontwikkelde het EHRM een aantal criteria aan de hand waarvan moet worden beoordeeld of sprake is van verboden discriminatie. Voorop staat dat art. 14 EVRM geen volledig verbod op elke vorm van discriminatie omvat. Art. 14 EVRM wordt alleen geschonden indien geen objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het onderscheid tussen gelijke gevallen aanwezig is.1 Vervolgens oordeelde het EHRM in dezelfde zaak dat een objectieve rechtvaardiging niet aanwezig is indien:
een legitieme doelstelling (par. 6.3.4.2) of
een redelijke mate van proportionaliteit tussen het middel en het beoogde doel ontbreekt (par. 6.3.4.3).
In latere jurisprudentie voegt het EHRM hieraan toe dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij het beantwoorden van de vraag of, en in welke mate een verschil in behandeling van gelijke gevallen is gerechtvaardigd (par. 6.3.4.1).
Bij toetsing aan art. 26 IVBPR en art. 14 EVRM volgt de Hoge Raad het toetsingsschema van het EHRM, met dien verstande dat hij ook bij de beoordeling of sprake is van gelijke gevallen aan de wetgever een zekere of ruime beoordelingsvrijheid toekent (zie par. 6.3.2). Hierna wordt op de verschillende onderdelen van het toetsingsschema ingegaan. Daarbij worden de verschillende stappen zoveel mogelijk geconcretiseerd tot onderdelen van het gelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk overgangsbeleid.