Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/2.5.2.2
2.5.2.2 Voordelen van gebruikmaking van een begroting
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652407:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Makkink & Prins 2020, p. 18.
Hermans 2017, p. 160-161.
OK 30 juni 1994 (r.o. 2.5), NJ 1995/309 (VHS), bevestigd in HR 31 januari 1996, NJ 1996/431, m.nt. J.M.M. Maeijer (VHS). Vgl. ook OK 27 juni 2018 (r.o. 2.3), JOR 2018/245, m.nt. R.M. Hermans (DeSeizoenen), waarin de Ondernemingskamer overweegt dat zij zich bij de vaststelling van het onderzoeksbudget slechts een globaal beeld heeft gevormd van een bedrag dat mogelijk toereikend zou kunnen zijn.
Broere 2017, p. 550. Zie ook Makkink & Prins 2020, p. 18. Vgl. OK 5 juli 2010, JOR 2010/305 (Van der Moolen), waarin de Ondernemingskamer het onderzoeksbudget vaststelde op € 100.000. Onderzoekers begrootten dat bedrag op € 350.000, zie OK 30 november 2010 (r.o. 1.7), ARO 2010/175 (Van der Moolen). De kosten van de enquête bedroegen uiteindelijk € 366.354,67, zie OK 15 februari 2013 (r.o. 11.4-11.5), JOR 2013/102, m.nt. D.A.M.H.W. Strik (Van der Moolen).
Overigens brengt de gebruikmaking van een begroting uiteraard ook gevolgen met betrekking tot capaciteit, tijd en geld voor de Ondernemingskamer, de onderzoeker, partijen en belanghebbenden met zich, waarover ook Hermans 2017, p. 165.
Voorgesteld is ook wel de raadsheer-commissaris te belasten met het vaststellen en verhogen van het onderzoeksbudget, in plaats van de gehele Ondernemingskamer, zie Hermans 2017, p. 544.
Zo ook Hermans 2017, p. 164.
Onwenselijk acht ik bijv. dat de onderzoeker slechts zijn kosten begroot tot en met het eerste concept onderzoeksverslag, zoals in OK 6 maart 2020 (r.o. 2), ARO 2020/79 (Estro); OK 7 oktober 2020 (r.o. 2.3), ARO 2020/182 (Stichting Katholieke Universiteit); OK 21 maart 2022 (r.o. 1.3; 2), ECLI:NL:GHAMS:2022:988 (Funda). In Estro begrootte de onderzoeker pro memoriekosten zoals kantoorkosten en kosten voor eventuele aanvullende ondersteuning ook niet.
Zie ook Jaarverslag Ondernemingskamer 2020, par. 2.7.
Zie ook Hermans 2017, p. 165.
Zie bijv. OK 17 juli 2015, ARO 2015/187 (Novero).
Zie bijv. OK 12 maart 2009 (r.o. 3.10), JOR 2009/132, m.nt. S.M. Bartman (LCI), bevestigd in HR 10 september 2010 (r.o. 3.4.2), NJ 2010/483; JOR 2010/304, m.nt. S.M. Bartman (LCI).
Vgl. OK 27 december 2010, ARO 2011/7 (Meepo); OK 13 juli 2011 (r.o. 1.9; 3.10), JOR 2011/290, m.nt. J.B.S. Hijink (Meepo); OK 18 juli 2011 (r.o. 3.2), ARO 2011/117 (Meepo).
Vgl. Hermans 2017, p. 163-164.
De gebruikmaking van een begroting biedt onmiskenbaar meerwaarde. Zonder de gebruikmaking van een begroting dient de Ondernemingskamer de kosten van het onderzoek bij vaststelling van het onderzoeksbudget te schatten. Die schatting berust dan niet op een serieuze begroting.1 Factoren die bij deze schatting van belang kunnen zijn, zijn het type enquête, de omvang en draagkracht van de onderneming, het al dan niet beursgenoteerd zijn van de onderneming en het aantal door de Ondernemingskamer te benoemen onderzoekers.2 In VHS overwoog de Ondernemingskamer in dit kader:
‘Die vaststelling geschiedt op grond van een schatting waarbij noch bij de Ondernemingskamer noch bij de (in vertrouwen) gepolste onderzoeker een behoorlijk inzicht bestaat in hetgeen zich in het onderzoek zal (moeten) voordoen. Het is veelal onvermijdelijk dat de omvang van de met een behoorlijk onderzoek gemoeide werkzaamheden en verschotten eerst in de loop van het onderzoek blijkt en tevens dat het bedrag te schriel is bemeten (…).’3
Door de inzet van een begroting wordt de onderzoeker gedwongen zich voor aanvang van het daadwerkelijke onderzoek rekenschap te geven van de verwachte kosten van het onderzoek. De onderzoeker wordt dus in een vroeg stadium betrokken bij de hoogte van het onderzoeksbudget. Door de onderzoeker een termijn te gunnen om een begroting op te stellen – en niet enkel de kosten van het onderzoek te schatten zonder behoorlijk inzicht in het te verrichten onderzoek – kan het vastgestelde onderzoeksbudget een realistischer beeld geven en lijkt verhoging van het onderzoeksbudget minder waarschijnlijk.4 Op die manier geeft de Ondernemingskamer ook invulling aan haar uit de wetsgeschiedenis af te leiden taak erop toe te zien dat de kosten van het onderzoek binnen redelijke grenzen blijven (par. 2.10). Zonder de gebruikmaking van een begroting vormde de vaststelling van het onderzoeksbudget enkel een schatting en bleek verhoging van het onderzoeksbudget met een flink bedrag regelmatig nodig. Voor een verhoging van het onderzoeksbudget is steeds opnieuw een gang naar de Ondernemingskamer nodig en moeten betrokkenen worden gehoord. Dat kost de Ondernemingskamer, de onderzoeker en procespartijen capaciteit, tijd en geld.5 De gebruikmaking van een (plan van aanpak en) begroting kan die gevolgen mitigeren, omdat dieper is nagedacht over de te verrichten onderzoekswerkzaamheden en de kosten daarvan.6 Uiteraard kunnen zich ook dan onvoorziene omstandigheden voordoen en kan een verhoging van het onderzoeksbudget noodzakelijk blijken, maar de waarschijnlijkheid daarvan acht ik kleiner bij de gebruikmaking van een begroting.7 Voorwaarde is dan wel dat de onderzoeker bij het opstellen van de begroting poogt de kosten van het onderzoek zo volledig mogelijk in kaart te brengen.8
Partijen bij de enquêteprocedure hebben met de gebruikmaking van een begroting beter inzage in de verwachte kosten van het onderzoek bij aanvang van de enquête.9 Met name voor de rechtspersoon die voorwerp van onderzoek is en in beginsel de kosten van het onderzoek financiert (par. 6.2.2), is dit van belang. Met de gebruikmaking van een begroting kan de rechtspersoon de financiële implicaties van de enquête eerder, beter overzien en de (voor zekerheidstelling) benodigde middelen reserveren. Dat voorkomt situaties waarin de rechtspersoon het aanvankelijk vastgestelde onderzoeksbudget wel kan financieren, maar een (flinke) verhoging van het onderzoeksbudget niet, waarmee de voortgang van het onderzoek in gevaar kan komen.10 Als in dat geval niet op een andere manier in de financiering wordt voorzien, kan het onderzoek mogelijk niet worden afgerond,11 wanbeleid niet worden vastgesteld12 of is verhaal van de kosten van het onderzoek op grond van art. 2:354 BW wellicht niet mogelijk.13
Procespartijen wordt bovendien eerder inspraak geboden, nog voor de vaststelling van het onderzoeksbudget, waarbij zij zich ook kunnen uitlaten over het door de onderzoeker voorgestelde uurtarief. Zonder gebruikmaking van een begroting bij de vaststelling van het onderzoeksbudget bestaat enige vorm van inspraak enkel wanneer de onderzoeker een verhoging van het onderzoeksbudget verzoekt, gedurende het onderzoek, en wanneer de kosten van het onderzoek worden vastgesteld, na het onderzoek. Met name wanneer de verhoging van het onderzoeksbudget in een laat stadium van de onderzoeksfase wordt verzocht, is het toezicht van partijen op de kosten van het onderzoek vooral repressief. Met de gebruikmaking van een (plan van aanpak en) begroting wordt partijen in een vroeg stadium de gelegenheid geboden voorgenomen onderzoekswerkzaamheden en de kosten daarvan te beoordelen op proportionaliteit en subsidiariteit.14 Bijsturing door de Ondernemingskamer, op aanreiken van partijen, kan dan nog plaatsvinden voor aanvang van het daadwerkelijk onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon.