De bij dode opgerichte stichting
Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/3.6.1:3.6.1 Inleiding
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/3.6.1
3.6.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232464:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hiervoor stonden artikel 2:286 BW en artikel 4:135 BW als de kernbepalingen voor de bij dode opgerichte stichting centraal. De kernbepalingen zijn echter niet uit de lucht komen vallen maar zijn het product van rechtsontwikkeling. Nu in de vorige onderdelen de kernbepalingen in het positieve recht zijn behandeld, is het thans tijd te onderzoeken wat de oorsprong van deze kernbepalingen is. Dit is nodig om de bij dode opgerichte stichting en de kernbepalingen ten volle te kunnen doorgronden. Hierna besteed ik aandacht aan de oorsprong van deze kernbepalingen. Uiteraard slechts voor zover deze oorsprong in verband staat met de onderzoeksvraag, de vraag of de bij dode opgerichte stichting een bijzondere stichting is ten opzichte van de bij leven opgerichte stichting en haar positie in het erfrecht vergeleken met andere rechtspersonen en natuurlijke personen.
Het belang van de oorsprong van artikel 2:286 BW is minder groot dan die van artikel 4:135 BW. Artikel 2:286 BW is vooral een praktische bepaling die niet heeft geleid tot grote verschillen van inzicht in de literatuur of tot principiële rechterlijke uitspraken. Hierna zal ik daarom eerst beperkt aandacht besteden aan de oorsprong van artikel 2:286 BW en daarna uitgebreid aan die van artikel 4:135 BW.