Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/3.6.3
3.6.3 De oorsprong van artikel 4:135 BW
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232386:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het benoemen tot erfgenaam of legataris van rechtspersonen gebeurt op grote schaal. Bekende voorbeelden zijn De Nationale Vereniging De Zonnebloem (in 2018 € 2,444 miljoen, 12,6% van de baten, bron: Jaarverslag 2018), Het Nederlandse Rode Kruis (in 2018 € 12,176 miljoen, 29,7% van de baten bron: Jaarverslag 2018) en Stichting Koningin Wilhelmina voor de Nederlandse Kankerbestrijding (in 2018 € 40,305 miljoen, 34,3% van de baten, bron: Jaarverslag 2018).
Besier 1891, p. 89.
De Jong 1951, p. 114; Bregstein 1955, p. 576-577. Bij oprichting van een stichting krachtens schenking geldt hetzelfde.
De Jong 1951, p. 109. Zie Jac. W. van den Biesen, ‘Is het als regtsgeldig te beschouwen, wanneer eene, bij testamentaire acte in het leven geroepen stichting, bij hetzelfde testament als erfgenaam wordt ingesteld?’, Themis 1881, p. 7-18. Zie ook zijn artikel ‘Het goed regt der Stichtingen, der Parochiën en der Kloosters om als rechtspersonen, met volle recht hier te lande te bestaan, gehandhaafd en tegen verkeerde begrippen en uitleggingen verdedigd’, Themis 1878, p. 497-532. Ook in De Jong 1951 wordt Van den Biesen genoemd als groot pleitbezorger van de leer dat oprichting en vermogensafzondering één rechtshandeling is. In HR 2 februari 1894, W. 6462, verdedigt Van den Biesen, als advocaat, de leer dat sprake is van één rechtshandeling succesvol tegen de minister van Financiën. Ook hield hij als lid van de Eerste Kamer bij de behandeling van de wet Heffing inkomstenbelasting, instelling raden van beroep directe belastingen, enz., een gloedvol betoog over wat volgens hem een stichting is, Handelingen I 1914-1915, 17 december 1914, Vel 13, p. 44.Deze leer werd kennelijk ook verdedigd door Eggens als hij schrijft: ‘Zoo is eene stichting er niet zonder vermogen, en eene vereniging niet zonder leden, (…).’ (curs. TR), J. Eggens, ‘Samenval van momenten in rechtshandelingen’, Themis 1930, p. 409 e.v., VPO I, p. 168-194, ook opgenomen in: Eggensbundel. Een selectie uit het werk van Jannes Eggens, bezorgd door H.C.F. Schoordijk en J.M. Smits, Bloemendaal: Uitgeverij Belvédère 1998.
Asser/Scholten 1-II 1940/p. 168.
Besier 1891, p. 54-55. Zie ook Asser/Rensen 2-III 2017/299.
Besier 1891, p. 66-67.
Besier 1891, p. 89-90. Besier leunt bij zijn ideeën op Van Tricht 1884.
Veel interessanter dan de oorsprong van artikel 2:286 BW is die van artikel 4:135 BW, meer in het bijzonder lid 1 van dit artikel. Ook zonder deze bepaling zou tegenwoordig niemand eraan twijfelen dat een vorderingsrecht voortvloeiend uit een uiterste wilsbeschikking ten behoeve van een bij uiterste wilsbeschikking opgerichte stichting een legaat zou vormen en de gerechtigdheid tot een evenredig deel van de nalatenschap een erfstelling.1 Waarom bestaat artikel 4:135 lid 1 BW dan toch? En waarom bestaat de conversielast uit artikel 4:135 lid 2 BW met zijn eigen mogelijkheid tot het afdwingen van een last tot oprichting? Hierna zal blijken dat de leden 2 en 3 van meer praktische aard zijn. Anders ligt dat voor artikel 4:135 lid 1 BW. De oorsprong hiervan is onverbrekelijk verbonden met de strijd rond de vraag hoe een stichting in het leven wordt geroepen. Hierbij streden twee theorieën om voorrang:
De theorie dat oprichting en vermogensafzondering ten behoeve van die stichting één rechtshandeling vormt. Deze theorie kent twee varianten:
De eerste variant is de leer van de ongesplitste rechtshandeling. Hierbij vormen het afzonderen van vermogen ten behoeve van een bepaald doel onder een bestuur en de vermogenstoekenning één ongesplitste rechtshandeling. Dit was in het verleden vooral goed zichtbaar bij de krachtens uiterste wilsbeschikking opgerichte stichting. Vermogensafzondering en oprichting vormden één rechtshandeling.2 De stichting ontstond door het zelfstandig maken van het vermogen. Dit vermogen is dan niet meer beschikbaar voor overgang krachtens erfrecht. De stichting kon het vermogen uit de nalatenschap van de erflater daardoor niet krachtens erfrecht hebben verkregen.3
In Nederland was het Van den Biesen die deze versie van de theorie dat oprichting en vermogensafzondering één ongesplitste rechtshandeling vormt introduceerde.4
De andere variant is de leer van de gesplitste rechtshandeling. Hierbij is het afzonderen van vermogen ten behoeve van een bepaald doel onder een bestuur en de vermogenstoekenning weliswaar één rechtshandeling, maar bestaat deze rechtshandeling uit twee delen: de oprichting en de vermogensverschaffing. Deze leer van de gesplitste rechtshandeling is te vergelijken met de Duitse Theorie der Zweiaktigkeit (zie 2.3.2.5). In Nederland achtte Paul Scholten deze theorie niet ondenkbaar, maar echt voet aan de grond kreeg zij niet.5
In beide varianten van de theorie dat sprake is van één rechtshandeling, zijn de oprichting en de vermogensafzondering onverbrekelijk met elkaar verbonden. Het gevolg is dat zonder afzondering van vermogen geen stichting ontstaat. Het vermogen vormt het substraat, de ondergrond, van de stichting, de stichting als gepersonifieerd vermogen.6
Daarnaast werd de theorie verdedigd dat sprake was van twee, duidelijk te onderscheiden, rechtshandelingen. Deze rechtshandelingen zijn het oprichten van de stichting enerzijds en de vermogensverschaffing anderzijds. In de leer dat sprake is van twee rechtshandelingen – oprichting en vermogensverschaffing – bestaat tussen beide rechtshandelingen geen onverbrekelijke band. In deze leer is een stichting zonder vermogen dan ook heel goed denkbaar.7
Deze leer werd in Nederland verdedigd door Besier.8
Doordat sinds de invoering van de Wet op stichtingen in Nederland de band tussen vermogen en stichting niet meer onverbrekelijk is, moet worden geconstateerd dat sindsdien sprake is van twee onderscheiden rechtshandelingen (de hiervoor onder (ii) beschreven theorie). Daarmee is afstand genomen van beide varianten van de leer dat sprake is van één rechtshandeling. De invoering van de Wet op stichtingen had daardoor tot gevolg dat de stichting geen uiterste wilsbeschikking meer is.
3.6.3.1 De stichting is geen uiterste wilsbeschikking3.6.3.2 De plaats van artikel 4:135 lid 1 BW in titel 4.5 BW3.6.3.3 De oorsprong van artikel 4:135 leden 2 en 3 BW3.6.3.4 De oorsprong van artikel 4:135 BW: een conclusie