Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020
Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/2.2.1:2.2.1 De keuze voor een beperkte uitkeringsduur
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/2.2.1
2.2.1 De keuze voor een beperkte uitkeringsduur
Documentgegevens:
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258879:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, Volledige werkloosheid, werk.belgie.be/defaultTab.aspx?id=740.
In april 2014 nam de MHP de naam Vakcentrale voor Professionals (VCP) aan.
Kamerstukken II 1985/86, 19261, nr. 3, p. 18-21.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het kabinet heeft bij de invoering van de WW 1987 een bewuste keuze gemaakt voor een beperkte duur van de loongerelateerde uitkering. Dit lijkt voor de hand liggend aangezien een WW met onbeperkte duur samengaat met hoge kosten en het ontbreken van een prikkel om weer aan het werk te gaan. België heeft echter wel voor een uitkeringssysteem gekozen waarbij de WW van onbeperkte duur is. Daar wordt op andere manieren geprobeerd de kosten in te perken: de hoogte van de uitkering is lager en er is een inkomenstoets. Het bedrag van de uitkering wordt in België gebaseerd op het laatst verdiende loon, de gezinstoestand en het beroepsverleden.1 Er zitten in België dus elementen van de bijstandsuitkering in de WW.
Bij de invoering van de WW was er wel discussie over de vraag of de WW een onbeperkte duur moest hebben. Die discussie werd gevoerd in het kader van de verhouding tussen uitkeringsrechten bij werkloosheid en bij arbeidsongeschiktheid. De niveauverschillen in de uitkering bij werkloosheid en arbeidsongeschiktheid waren verdwenen, maar tussen de uitkeringsduren was nog wel verschil.
De Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV), een werknemersvereniging, was van mening dat een onbeperkte duur van het loongerelateerde deel van de uitkering bij werkloosheid en bij arbeidsongeschiktheid gerechtvaardigd was, met enig verschil in niveau ten nadele van vooral jongere werklozen. Het was voor de FNV met name onaanvaardbaar dat werklozen met een langdurig arbeidsverleden als gevolg van structurele aanpassingsproblemen in het bedrijfsleven werkloos waren geworden, maar uiteindelijk aangewezen waren op de bijstand en uitsluitend op basis van het behoeftigheidscriterium een minimuminkomen ontvingen.2
Het Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV), een werknemersorganisatie op christelijke grondslag, was in beginsel ook voor een onbeperkte duur van de loongerelateerde uitkering bij werkloosheid en voor een gelijk uitkeringspercentage bij werkloosheid en arbeidsongeschiktheid. Een dergelijk stelsel was in 1987 volgens het CNV niet op korte termijn mogelijk in verband met de financiering daarvan en de collectieve uitgaven. Het CNV stelde daarom voor om een loongerelateerde uitkering van vier jaar bij werkloosheid in te voeren, waarna tot het 65e jaar (toen de pensioenleeftijd) een minimumuitkering kon worden uitgekeerd. Die minimumuitkering zou – anders dan bij de bijstand – alleen aan het inkomen uit arbeid van betrokkenen en zijn of haar partner worden getoetst.3
De vakcentrale voor middengroepen en hoger personeel, MHP4, vond het grote verschil in uitkeringsrechten bij werkloosheid en bij arbeidsongeschiktheid maatschappelijk niet aanvaardbaar en bepleitte een stelsel waarin in beginsel werd voorzien in een loongerelateerde uitkering tot het 65e jaar, zij het dat na een zekere periode rekening moest worden gehouden met het inkomen uit arbeid of vroegere arbeid van de partner.
De ondernemersorganisaties, vertegenwoordigers van landbouworganisaties en van het midden- en kleinbedrijf en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten waren voor een beperkte duur van de WW.5
De SER was van mening dat het verschil tussen de uitkering bij werkloosheid en bij arbeidsongeschiktheid op twee manieren kon worden verminderd: beperking van de loongerelateerde uitkering bij arbeidsongeschiktheid of opheffing van de bestaande beperking in duur bij werkloosheid.6
Een minderheid van de kroonleden van de SER stelde ook een onbeperkte duur van de loongerelateerde uitkering bij werkloosheid voor. Dit deel van de Raad vond dat het stelsel individueel rechtvaardig diende te zijn en moest voldoen aan de doelstelling van de sociale verzekering, te weten het bieden van inkomensgarantie. De meerderheid van de kroonleden was echter van oordeel dat de verzekeringsgedachte en overwegingen van sociale rechtvaardigheid moesten leiden tot een onbeperkte duur bij arbeidsongeschiktheid, maar niet bij werkloosheid. Een financiële inspanning voor een onbeperkte uitkeringsduur bij werkloosheid zou ten koste gaan van noodzakelijke offers voor het scheppen en herverdelen van werk en zou leiden tot een verscherping van een sociaal onwenselijke deling van de maatschappij in werkenden en onvrijwillig werklozen.7
De meningen waren dus verdeeld. Het kabinet heeft bij de herziening van het sociale stelsel in 1987 niet gekozen voor een WW van onbeperkte duur, al dan niet met een middelentoets. Naast de enorme kosten die een onbeperkte uitkeringsduur zou opleveren, was een onbeperkte duur van de loongerelateerde uitkering tot de pensioenleeftijd sociaal-maatschappelijk niet wenselijk. Het kabinet was het met de meerderheid van de kroonleden van de SER eens dat een onbeperkte uitkeringsduur zou leiden tot een onaanvaardbare vergroting van het verschil in uitkeringsrechten tussen personen die wel aan het arbeidsproces hebben deelgenomen en personen die – buiten hun schuld – niet hebben deelgenomen aan het arbeidsproces (bijv. arbeidsongeschikten). Daarnaast kan een werkloosheidsuitkering volgens het kabinet ook niet gerechtvaardigd worden als het werken steeds verder in het verleden ligt. Het ging het kabinet in 1987 erom dat de werkloze gedurende enige tijd verzekerd moest zijn om zo de financiële rust te krijgen een andere baan te vinden.8 Die financiële rust hoefde voor het kabinet kennelijk niet van onbeperkte duur te zijn.