De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer
Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.8.3:4.8.3 Het schadevergoedingsorgaan in het kader van art. 24
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.8.3
4.8.3 Het schadevergoedingsorgaan in het kader van art. 24
Documentgegevens:
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS393598:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In Nederland plegen materiële schadegevallen (blikschade) zowel door verzekeraars als door het Waarborgfonds Motorverkeer binnen enkele weken, in elk geval ruim binnen twee maanden, te worden afgehandeld. Bij personenschade is het zowel in het belang van de benadeelde als in dat van de verzekeraar, dat de eerste informatie zo spoedig mogelijk na het ongeval wordt ingewonnen.
Zie voor de mogelijkheden van de benadeelde in dit verband par. 4.4.42.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 24 ziet op de situatie dat het aansprakelijke voertuig verzekerd is en de verzekeraar een schaderegelaar heeft aangesteld, maar deze, dan wel de verzekeraar zelf, niet binnen drie maanden gemotiveerd antwoordt, dan wel dat de verzekeraar geen schaderegelaar heeft aangesteld.
Uit art. 20 jo. 24 blijkt dat voorwaarden voor toegang tot het schadevergoedingsorgaan onder deze omstandigheden zijn dat:
— het ongeval zich heeft voorgedaan in een andere lidstaat dan die van de woonplaats van de benadeelde;
— het aansprakelijke voertuig niet gewoonlijk gestald is in de lidstaat van de woonplaats van de benadeelde; en
— het aansprakelijke voertuig evenmin verzekerd is bij een verzekeringsmaatschappij in de lidstaat van de woonplaats van de benadeelde.
Ook kan het schadevergoedingsorgaan worden aangesproken als het ongeval plaatsvindt in een niet-lidstaat, mits dat land is aangesloten bij het groenekaartstelsel en onder de voorwaarden dat het aansprakelijke voertuig gewoonlijk gestald en verzekerd is in een andere lidstaat dan die van de woonplaats van benadeelde. Zie de tweede alinea van art. 20 lid 1. Verzekerd betekent in dit verband niet alleen dat voor het voertuig een verzekering moet zijn afgesloten, maar ook dat deze dekking moet geven in de niet-lidstaat van het ongeval.
Onder niet-lidstaten worden in het kader van art. 24 mede begrepen de landen bedoeld in de art. 8 lid 1, tweede alinea van de Richtlijn (naar de situatie op 1 januari 2010 Andorra, Kroatië en Zwitserland). Art. 24 sluit aan bij art. 21, hetgeen voor de hand ligt: de verzekeraars in de lidstaten zijn niet verplicht een schaderegelaar aan te stellen in deze drie landen en - omgekeerd - de verzekeraars uit deze landen zijn niet gehouden een schaderegelaar aan te stellen in de lidstaten. Zie paragraaf 4.7.2.4 tot en met 4.7.2.7.
In de inleiding tot deze paragraaf werd reeds aangestipt in welke situaties de benadeelde op grond van art. 24 toegang heeft tot het schadevergoedingsorgaan. In de eerste plaats kan de benadeelde zich tot het orgaan in de lidstaat van zijn woonplaats wenden, als de verzekeraar zelf of de door hem in die lidstaat aangestelde schaderegelaar niet binnen drie maanden een onderbouwd aanbod doet, dan wel een gemotiveerd antwoord geeft op (alle elementen van) het verzoek om schadevergoeding (art. 22 jo. 24 lid 1, tweede alinea onder a). Wat onder een gemotiveerd antwoord moet worden verstaan wordt onderzocht in de paragrafen 5.2.9.1, 5.6.23 en 5.6.2.4.
De tweede situatie waarin de benadeelde toegang heeft tot het schadevergoedingsorgaan is die waarin de verzekeraar heeft nagelaten om in de lidstaat van de woonplaats van de benadeelde een schaderegelaar aan te stellen. Daarbij wordt de benadeelde deze toegang tot het orgaan weer ontzegd, als hij zich rechtstreeks tot de verzekeraar heeft gewend en van deze binnen drie maanden een dergelijke gemotiveerde reactie heeft gekregen (art. 24 lid 1, tweede alinea onder b).
In deze beide gevallen geldt voorts, dat de weg naar het schadevergoedingsorgaan voor de benadeelde is afgesloten, als hij rechtstreeks een (rechts)vordering tegen de verzekeraar heeft ingesteld (art. 24 lid 1, derde alinea).
Welke rol speelt het schadevergoedingsorgaan op grond van art. 24? In deze twee situaties, zo bepaalt art. 24 lid 1, vierde alinea:
"treedt (het schadevergoedingsorgaan) op binnen twee maanden nadat de benadeelde zijn verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend, maar staakt (het) zijn optreden zodra de verzekeringsonderneming of haar schaderegelaar een met redenen omkleed antwoord op het verzoek heeft gegeven."
Uit de volgende volzin blijkt dat het optreden van het schadevergoedingsorgaan in eerste instantie vooral ten doel heeft de verzekeraar of diens schaderegelaar in actie te laten komen:
"Het schadevergoedingsorgaan stelt de navolgende partijen onmiddellijk in kennis van het verzoek tot schadevergoeding, met de mededeling dat het binnen twee maanden na de indiening ervan zal optreden:
a) de verzekeringsonderneming van het voertuig waarmee, door deelneming aan het verkeer, het ongeval is veroorzaakt of de schaderegelaar,
b) het schadevergoedingsorgaan in de lidstaat van de vestiging van de verzekeringsonderneming die de polis heeft afgesloten,
c) indien deze bekend is, de persoon die het ongeval heeft veroorzaakt."
De bepaling blinkt niet uit door helderheid. Duidelijk is dat het schadevergoedingsorgaan de schade van de benadeelde inhoudelijk zal behandelen als de verzekeraar, na daartoe te zijn gewaarschuwd door het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van woonplaats van de benadeelde, niet alsnog en binnen twee maanden gemotiveerd reageert. Maar wat moet worden verstaan onder dit 'optreden' in afwachting van de reactie van de verzekeraar? Die term zou nog wel te begrijpen zijn als 'de schade regelen', als de Richtlijn niet zou meebrengen, dat het schadevergoedingsorgaan het dossier weer moet sluiten (overdragen aan de verzekeraar of de schaderegelaar), als een van beide binnen de termijn van twee maanden alsnog met redenen omkleed reageert. Daardoor kan het schadevergoedingsorgaan weinig anders doen dan zijn zusterorganisatie in het land van vestiging van de verzekeraar, de verzekeraar en - indien bekend - de aansprakelijke op de hoogte brengen van het feit dat er actie moet worden ondernomen. Verdergaande stappen in het kader van een actieve schaderegeling, zoals het benoemen van een expert en al helemaal het bevoorschotten van de benadeelde, zullen al snel tot regresproblemen met de verzekeraar leiden. Het 'optreden van het schadevergoedingsorgaan' in die eerste twee maanden lijkt dus te moeten worden beperkt tot 'waarschuwen'. Daarmee is de benadeelde niet bijzonder geholpen: hij moet maar geduldig afwachten of de schaderegelaar of de verzekeraar alsnog met een met redenen omklede reactie komt. Met name in die landen waar de schaderegeling voortvarend ter hand pleegt te worden genomen, moet erop worden gerekend dat de benadeelde van deze vertraging, die dan al is opgelopen tot vijf maanden, weinig zal begrijpen 1
Als de verzekeraar geen schaderegelaar heeft aangesteld en op de aanschrijving van het schadevergoedingsorgaan zelf besluit een reactie aan de benadeelde te sturen, is onduidelijk of dat in een voor de benadeelde begrijpelijke taal moet geschieden. Gezien de ratio van de aanstelling van schaderegelaars die de officiële taal (of talen) van de lidstaat van woonplaats van de benadeelde moeten beheersen, is er wat voor te zeggen dat de reactie van de verzekeraar om als gemotiveerd te kunnen worden betiteld, in de taal van de lidstaat van woonplaats van de benadeelde moet zijn geformuleerd. Maar de Richtlijn zwijgt daarover.
Een tweede punt van kritiek op deze regeling is dat onduidelijk is of de Richtlijn het schadevergoedingsorgaan verplicht het dossier te sluiten, als de benadeelde eenmaal een gemotiveerde reactie van de schaderegelaar of de verzekeraar heeft ontvangen. Met name als de verzekeraar de hem door het schadevergoedingsorgaan gestelde termijn van twee maanden laat verlopen, het schadevergoedingsorgaan de zaak inhoudelijk met de benadeelde afwikkelt en de verzekeraar zich vervolgens alsnog in het proces mengt, lijkt dit onwenselijk. Maar art. 24 lid 1, vierde alinea lijkt mee te brengen dat het orgaan ook in een dergelijk geval zijn optreden dient te staken. Zie ook paragraaf 5.6.2.5 en - voor de uitleg die de schadevergoedingsorganen aan de Richtlijn geven - paragraaf 633.2 onder a.
Als laatste voorlopige punt van kritiek geldt dat het schadevergoedingsorgaan, nadat de verzekeraar, daartoe in de gelegenheid gesteld door het schadevergoedingsorgaan, alsnog een met redenen omkleed antwoord heeft gegeven, geen rol meer heeft als de verzekeraar vervolgens opnieuw in gebreke blijft bij de behandeling van het schadegeval. Zoals in paragraaf 5.2.9.1 zal worden betoogd, kan de gemotiveerde reactie niet alleen bestaan uit een regelingsaanbod, maar ook uit een al dan niet voorlopige afwijzing of uit een verzoek om nadere inlichtingen. Blijft het daarna stil, dan kan de benadeelde zich vervolgens niet wederom tot het schadevergoedingsorgaan wenden. Er rest de benadeelde dan niets anders dan in het uiterste geval te procederen tegen de verzekeraar.2