Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/7.7.4.0
7.7.4.0 Introductie
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS305222:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Hartkamp 4-III 1990/184.
Asser/Hartkamp 4-III 2006/184, en in dezelfde zin nog altijd Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/ 230.
Lubach 2005, p. 519. Voor de goede orde: ik doel hier op het prototype van de zelfstandige hulppersoon, te weten degene die werkelijk in een ten opzichte van zijn opdrachtgever zelfstandige en economisch onafhankelijke positie verkeert. In par. 7.7.4.1 wordt aandacht besteed aan gebrekkige zaken van o.a. ‘schijnzelfstandigen’.
Dit is alleen anders indien de opdrachtgever (ook) een zekere zeggenschap over de zaak heeft (behouden) of zelfs de overheersende zeggenschap heeft (behouden). Dan is respectievelijk cumulatieve aansprakelijkheid van de opdrachtgever en -nemer mogelijk en zelfs exclusieve aansprakelijkheid van de opdrachtgever . Zie in deze zin ook par. 7.7.3 (slot).
Kamerstukken II 1988/89, 21202, 3, p. 54-55.
Asser/Hartkamp 4-III 1990/184.
Zie ook Oldenhuis 2014, p. 54 over het beschikbaar stellen van (specialistisch) materieel inclusief bedienend personeel aan anderen, i.h.b. indien het gebruik door de opdrachtgever incidenteel is en er qua kennisniveau een zekere afstand is tussen de opdrachtgever en de betreffende zaak. Oldenhuis meent dat in dergelijke gevallen in uitgangspunt de kwalitatieve aansprakelijkheid blijft rusten op de formele werkgever van de arbeidskracht c.q. op de bezitter/(initiële) bedrijfsmatige gebruiker van het materiaal. In deze zin is ook Vranken 1988, p. 246.
Art. 1404 OBW berustte ten tijde van het genoemde arrest uit 1919 overigens nog op een ‘schuldvermoeden’, maar dat doet niets af aan de hier geponeerde gedachte. Waar ‘schuld’ binnen art. 1404 OBW aanvankelijk een rol speelde om het gedrag van de aansprakelijke te karakteriseren, is zij na het Stierkalf-arrest van belang gebleven, en wel om de aansprakelijke persoon aan te wijzen. Zie par. 7.5.4.
Ook de problematiek van schade veroorzaakt door zaken van ingeschakelde zelfstandige hulppersonen als bedoeld in art. 6:171 wordt wel in verband gebracht met lid 2 van art. 6:181. Moet worden aangenomen dat een zelfstandige hulppersoon die in het kader van de bedrijfsmatige opdracht gebruik maakt van hem toebehorende (gebrekkige) zaken, deze daarmee ter beschikking stelt aan zijn opdrachtgever als bedoeld in art. 6:181 lid 2? Het gevolg daarvan zou zijn dat voor deze zaken enkel de opdrachtgever kwalitatief aansprakelijk is. Hartkamp zat aanvankelijk op dat spoor,1 maar meende ‘bij nadere overweging’ dat een aansprakelijkheid van zowel de opdrachtnemer als de opdrachtgever ex art. 6:181 lid 1 op zijn plaats is: de zaken van de zelfstandige hulppersoon worden zijns inziens ook in het bedrijf van diens opdrachtgever gebruikt.2 Tegenover deze ruime interpretatie van lid 1 staat volgens Hartkamp dan een ‘beperkende interpretatie’ van lid 2: deze bepaling ziet op het geval dat het feitelijke gebruik van een zaak uitsluitend plaatsvindt in het bedrijf van degene aan wie deze ter beschikking is gesteld.
Ook hier vindt de beoordeling mijns inziens plaats langs de band van het gebruiksbegrip van art. 6:181 lid 1. Relevant zijn zodoende aspecten van zorg en zeggenschap. Kenmerk van een in art. 6:171 bedoelde hulppersoon is dat de opdrachtgever geen zeggenschap heeft over diens gedragingen.3 De opdrachtgever zal in beginsel evenmin (relevante) zeggenschap hebben over de werktuigen en andere materialen die een door hem ingeschakelde zelfstandige hulppersoon toebehoren. Het is de zelfstandige hulppersoon zélf die ervoor moet zorgdragen dat de door hem gebruikte zaken in goede staat verkeren en op de juiste wijze worden toegepast. In beginsel heeft de opdrachtgever geen (veronderstelde) zorgplicht voor de zaken van een zelfstandige opdrachtnemer. Ontstaat schade door een zaak van laatstgenoemde, dan behoort de kwalitatieve aansprakelijkheid enkel op deze zelfstandige opdrachtnemer te rusten: in de verhouding met diens opdrachtgever is hij degene met de meest sprekende band met (de risico’s die verbonden zijn aan) de zaak c.q. verkeert hij in de beste positie invloed op de aan de zaak verbonden risico’s uit te oefenen. Als uitgangspunt een gelijktijdige aansprakelijkheid van opdrachtnemer en opdrachtgever komt mij niet geraden voor, omdat laatstgenoemde in beginsel niet als ‘gebruiker’ kwalificeert van de zaken van de opdrachtnemer. Hier vindt het in art. 6:181 bedoelde ‘gebruik’ van de zaak dus reeds uitsluitend plaats in het bedrijf van de opdrachtnemer.
In feite is sprake van het spiegelbeeld van de in art. 6:181 lid 2 omschreven situatie. Art. 6:181 lid 2 zelf drukt uit dat wanneer een opdrachtgever een zaak voor gebruik ter beschikking stelt aan een ander zoals een zelfstandige hulppersoon, de kwalitatieve aansprakelijkheid in beginsel enkel behoort te rusten op de zelfstandige hulppersoon als ‘eindgebruiker’.4 Hiermee zou zich moeizaam verhouden dat in het spiegelbeeldige geval waarin een zelfstandige hulppersoon zich bedient van eigen zaken, daarvoor in uitgangspunt (wél) een kwalitatieve aansprakelijkheid op diens opdrachtgever zou rusten. Dat in geval van inschakeling van een art. 6:171-hulppersoon géén kwalitatieve aansprakelijkheid voor diens zaken rust op de opdrachtgever, lijkt ook aan te sluiten bij de visie van de wetgever zelf. Zo is in de toelichting op de Aanvullingswet 1995 het voorbeeld gegeven van een exploratiemaatschappij die de opdracht aan een aannemer (boormaatschappij) geeft om te boren:
‘Men zou kunnen denken dat [art. 6:181 lid 2] daarvoor een oplossing geeft: de boorinstallatie moet worden geacht te worden gebruikt in het bedrijf van de exploratiemaatschappij. Maar in de praktijk zal het in de regel gaan om een exploratiemaatschappij die zelf nooit boort zodat de technische verantwoordelijkheid geheel bij de aannemer ligt. [Art. 6:181 lid 2] geeft daarvoor geen oplossing.’5
Hier lijkt de aanvankelijke suggestie van Hartkamp te worden overwogen,6 inhoudende dat een zelfstandige hulppersoon die in het kader van de bedrijfsmatige opdracht gebruik maakt van eigen zaken, die zaken daarmee ter beschikking stelt aan zijn opdrachtgever als bedoeld in art. 6:181 lid 2. Er wordt echter een ander spoor gekozen, te weten dat voor een gebrek in het materieel van een ingeschakelde zelfstandige hulppersoon (hier: de boormaatschappij) de opdrachtgever (hier: exploratiemaatschappij) niet ‘verantwoordelijk’ is. Dit acht ik als gezegd juist, aangezien de opdrachtgever in beginsel niet het beste in staat is invloed op de daaraan verbonden risico’s uit te oefenen en schade te voorkomen; dat is de zelfstandige hulppersoon zélf. 7
Hoewel inmiddels nagenoeg 100 jaar oud, is in dit verband illustratief HR 14 februari 1919, W 10412 (APC/Gemeente Groningen), dat handelde over de zelfstandige hulppersoon Plat en zijn paard, die enige uren per dag werden ‘ingehuurd’ door de gemeente Groningen ten behoeve van de gemeentereiniging. Voor het overige gedeelte van de dag was Plat met zijn paard werkzaam in zijn eigen bedrijf. Tijdens de uitvoering van door de gemeente opgedragen werkzaamheden, sloeg het paard van Plat op hol met schade bij een derde tot gevolg. Het relevante art. 1404 OBW in geval van schade door dieren, legde de aansprakelijkheid op de eigenaar óf gebruiker van het dier. De getroffen derde sprak de gemeente zonder succes aan in hoedanigheid van ‘gebruiker’ van het schadeveroorzakende paard. Omdat ten tijde van het ongeval de zorg voor het dier niet bij de gemeente maar bij Plat berustte, kwalificeerde volgens de Hoge Raad Plat (als eigenaar) als de ex art. 1404 OBW aansprakelijke. Het was Plat, en niet de gemeente, die ten tijde van het ongeval in de beste positie verkeerde invloed op de aan het paard verbonden risico’s uit te oefenen en schade te voorkomen. Dit arrest illustreert dat in geval van inschakeling van een zelfstandige hulppersoon die zich ter uitvoering van de opdracht van eigen zaken bedient, ‘zeggenschap’ als aanknopingspunt voor aansprakelijkheid in beginsel ertoe leidt dat enkel de zelfstandige hulppersoon – en niet (mede) diens opdrachtgever – als bedrijfsmatige ‘gebruiker’ heeft te gelden.8