Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/9.1
9.1 Inleiding
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196960:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Managementovereenkomst is niet een in de wet gedefinieerd begrip. Op deze pagina’s wordt met managementovereenkomst de overeenkomst bedoeld, op grond waarvan de bestuurder werkzaamheden verricht, waartegenover de rechtspersoon hem een vergoeding verschuldigd is. De wederpartij bij een managementovereenkomst wordt manager genoemd; de tussen hen afgesproken vergoeding wordt ook management fee genoemd. Met die terminologie wordt aangesloten bij het spraakgebruik (9.2). Het karakter van de rechtsverhouding, waar de Ondernemingskamer zich met de bezoldigingsingreep in mengt, is medebepalend voor de rechtspositie van de wederpartij – onderzoeksvraag a – (9.3).
Zie ook nr. 28.
De aard van de bezoldigingsverplichting – al dan niet voortvloeiend uit een arbeidsovereenkomst – brengt niet mee dat een inbreuk daarop met een onmiddellijke voorziening onmogelijk is; het eerste scenario vigeert niet. De aard van de bezoldigingsverplichting brengt dus geen uitzondering mee op de bevindingen in eerdere hoofdstukken, dat het eerste en het tweede scenario geen geldend recht zijn.
[306] In 4.3.1 is het schorsen van bestuurders aan de orde gekomen. Bij schorsing bepaalt de Ondernemingskamer nogal eens dat de rechtspersoon aan de bestuurder geen vergoeding verschuldigd is over de periode van schorsing. Daarmee treedt de Ondernemingskamer in een verplichting van de rechtspersoon uit een managementovereenkomst met de bestuurder.1 Dit type maatregel staat in dit hoofdstuk centraal.2
Met het oog op dit type ingreep wordt onderzocht hoe schorsing door de Ondernemingskamer zich verhoudt tot de arbeidsrechtelijke loondoorbetalingsverplichting (9.6). Die verhouding is van belang voor de vraag of de verplichting uit een arbeidsovereenkomst, dan wel een onmiddellijke voorziening die in de bezoldigingsverplichting ingrijpt, voorrang heeft (onderzoeksvraag f). Betoogd zal worden dat de Ondernemingskamer bij wijze van onmiddellijke voorziening kan ingrijpen in een bezoldigingsverplichting van de rechtspersoon. Met andere woorden: de stelling is dat de bezoldigingsverplichting niet prevaleert.3
De Ondernemingskamer bepaalt in haar beschikkingen niet steeds op dezelfde wijze dat geen managementvergoeding verschuldigd is. Uiteengezet zal worden dat de maatregel in de verschijningsvorm van een onmiddellijke voorziening effectief kan zijn; in andere verschijningsvormen sorteert deze nauwelijks effect (9.7-9.11). De ingreep dient dus te voldoen aan de criteria voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen (9.13, 9.14).
[307] De rechtspersoon kan een schadevordering van de wederpartij niet afweren met een beroep op overmacht, als de onmiddellijke voorziening naar verkeersopvattingen voor zijn risico komt.4 De verkeersopvattingen zijn dus relevant voor de slaagkans van die vordering (onderzoeksvraag b). Over toerekening naar verkeersopvattingen van bezoldigingsingrepen gaat 9.15. Het vertrekpunt van de gedachtevorming is dat onmiddellijke voorzieningen naar verkeersopvattingen voor risico van de rechtspersoon komen.