Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/16.4.1.1
16.4.1.1 De sanctie van de omkering van de bewijslast en het nemo tenetur-beginsel
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940663:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie omtrent deze voorvraag nader paragraaf 16.5.1.2.
Zie paragraaf 11.2.5.1.
Zie paragraaf 7.4.4 en paragraaf 11.2.5.1.
Dit zijn vragen die bijvoorbeeld wel primair met het oog op de heffing worden gesteld, maar vanwege de grondslagkoppeling ook doorwerken naar de sfeer van de boete. Deze categorie vragen is ook de meest voorkomende, aangezien zuivere heffingsvragen en zuivere boetevragen schaars zijn. Zie paragraaf 11.2.5.5.
Zie paragraaf 11.2.5. Wat volgens het EHRM rechtens is ingeval van een weigering terwijl er nog geen sprake is van een pending or anticipatedcriminal charge, is nog niet duidelijk, zie paragraaf 11.2.3.5.
Bij de beantwoording van de vraag of de omkering van de bewijslast mag doorwerken in de boetegrondslag, speelt ook het nemo tenetur-beginsel een rol.1 De dreiging van de sanctie van de omkering kan de voor de toepasselijkheid van het nemo tenetur-beginsel vereiste dwang opleveren.2 De triggers voor de omkering van de bewijslast komen overeen met (een schending van) de belangrijkste fiscale informatie- en meewerkverplichtingen.3 Het gaat hetzij om het niet doen van de vereiste aangifte (categorie I-triggers), hetzij om het schenden van de informatieverplichtingen van art. 47 e.v. AWR (categorie II-triggers).4 Afhankelijk van de omstandigheden van het geval is het denkbaar dat de belastingplichtige met een beroep op het nemo tenetur-beginsel mag weigeren om te voldoen aan deze informatieverplichtingen. Aangezien het niet-meewerken dan gerechtvaardigd is, mag de sanctie op dat niet-meewerken dan niet worden toegepast. De sanctie van de omkering moet reeds als zodanig (in de hoedanigheid van dwangmaatregel) achterwege blijven, omdat de belastingplichtige een zwijgrecht heeft. De problematiek van de doorwerking van de omkering in het licht van het nemo tenetur-beginsel zal vooral aan de orde komen in gevallen waarin de belastingplichtige heeft geweigerd om mee te werken aan de beantwoording van gemengde vragen5 die worden gesteld tijdens een pending or anticipatedcriminal charge.6