Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/7.5
7.5 De invoering van de Richtlijn passende arbeid in 1992
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258857:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Voetnoten
Voetnoten
Toet e.a., Passende arbeid 1997, p. 14.
Kamerstukken II 1988/89, 20800, hfdst. XV, nr. 95, p. 1.
Kamerstukken II 1991/92, 22300, hfdst. XV, nr. 97, p. 3-4.
Kamerstukken II 1991/92, 22300, hfdst. XV, nr. 97, p. 5-6.
Kamerstukken II 1988/89, 20800, hfdst. XV, nr. 95, p. 1-3.
Kamerstukken II 1990/91, 21800, hfdst. XV, nr. 86, p. 1.
Kamerstukken II 1990/91, 21800, hfdst. XV, nr. 86, p. 7.
Richtlijn passende arbeid van 1 juni 1992, Stcrt. 1992, 103.
Zie o.a. de circulaire van de Staatssecretaris van SZW van 13 mei 1992, nr. U-05 306-IV, Stcrt. 1992, 103.
Kamerstukken II 1994/95, 23985, nr. 3, p. 6; Toet e.a., Passende Arbeid 1997, p. 370.
Rond 1990, drie jaar na de invoering van de WW 1987, werd in de Tweede Kamer wederom een discussie over het begrip passende arbeid gevoerd naar aanleiding van de werkgelegenheidssituatie in de bloembollensector.1 Het seizoenstekort aan arbeiders in de bollensector deed zich elk jaar voor, terwijl er meer dan 10.000 werklozen waren geregistreerd.2 Er was in Limburg een oproep aan 1100 werklozen gedaan uit een bestand van 18.000 werklozen waarvoor de aangeboden arbeid als passend werd beschouwd. Er hadden slechts 30 mensen positief gereageerd, waardoor de sector genoodzaakt was om werknemers uit het buitenland te halen. Dit zorgde voor een verontwaardiging binnen het kabinet. Door Kamerleden werd een oproep gedaan om het begrip passende arbeid te verruimen, zodat de agrarische sector niet de dupe zou worden. Er werd ook een oproep gedaan om het sanctiebeleid aan te scherpen, omdat er berichten waren dat de werklozen na twee keer aanschrijven niet hadden gereageerd, maar om onduidelijke redenen ook geen sanctie hadden gekregen.3 Het parlementair debat over dit onderwerp laat vooral zien dat men zeer verbolgen was over het feit dat een bestand van legale arbeid niet kon worden ingezet. Het kabinet werd verzocht een inventarisatie te maken van de situatie in Limburg.4 Het sanctiebeleid was in 1989 al aangescherpt. Bij een uitkeringsgerechtigde die weigerde passende arbeid te aanvaarden, kon gedurende drie maanden een sanctie van een korting op de uitkering van negen procent worden opgelegd.5
Er bleek zich na dit incident een politiek en maatschappelijk klimaat te ontwikkelen dat voor nadere invulling van het begrip passende arbeid en voor aanscherping van het sanctiebeleid was. Op 24 januari 1991 vond een mondeling overleg plaats en het kabinet deed op 10 juli 1991 de Kamer een notitie toekomen over de toepassing van het begrip passende arbeid.6 De conclusie van het kabinet was dat een aanscherping van de te hanteren criteria met betrekking tot het begrip passende arbeid via een wetswijziging niet nodig was. De bestaande regels zouden streng genoeg zijn en een verscherping zou geen bijdrage leveren aan een beter functionerende arbeidsmarkt. Alleen het begrip passende arbeid aanscherpen zou voorbijgaan aan de feitelijke problemen die waren geconstateerd, namelijk een betere en strengere toepassing van het begrip in de uitvoeringspraktijk. Dit betekent dat naar middelen moest worden gezocht om de uitvoeringsorganisatie – inclusief het arbeidsvoorzieningsapparaat – meer rekening te laten houden met hetgeen in het kader van passende arbeid van werkloze werknemers kon worden verlangd, zodat een strengere toepassing van het begrip kon worden bewerkstelligd.7
Dit leidde tot de Richtlijn passende arbeid8, die in mei 1992 aan de bedrijfsverenigingen, de gemeenten en de arbeidsbureaus werd aangeboden.9 De richtlijn sloot aan bij de objectieve criteria die konden worden afgeleid uit de jurisprudentie. Het uitvoeringsorgaan moest die criteria in acht nemen bij het beantwoorden van de vraag of bepaalde arbeid voor een uitkeringsgerechtigde als passend was te beschouwen. Het doel van de richtlijn was een betere toepassing van de reeds ontwikkelde normen met betrekking tot passende arbeid, maar de richtlijn was niet bindend voor de uitvoeringsorganen. De nadruk werd gelegd op een individuele toets voor het concrete geval, met andere woorden: wat in redelijkheid van betrokkene kan worden gevergd.10
De objectieve criteria die zijn opgenomen zien op:
de aard van het werk gerelateerd aan het vroegere beroep en het niveau van het werk dat wordt bepaald door opleiding en werkervaring;
de beloning voor het werk;
de reisduur.
De richtlijn in 1992 gaf – kort gezegd – de mogelijkheid om gedurende het eerste half jaar van de werkloosheid arbeid te zoeken overeenkomstig het vroegere beroep, opleidingsniveau en het loon. Daarnaast was gedurende het eerste half jaar een reistijd van rond de twee uur per dag passend, tenzij in het oude beroep langere reistijden gebruikelijk waren. Na een half jaar konden langere reistijden met een maximum van rond de drie uur per dag aanvaardbaar zijn. Als de werkloosheid voortduurde zou zelfs verhuizing een mogelijkheid moeten zijn om passende arbeid te vinden of aanvaarden.11
Na het eerste half jaar werkloosheid diende men ook werk te zoeken en te accepteren op het dichtstbijzijnde lagere niveau. In het derde half jaar was ook werk op twee niveaus lager passend en zo verder, totdat alle arbeid passend was geworden.
De richtlijn kende vijf niveaus naar opleiding, te weten academisch, hbo, mbo, Ibo en basis. Er was bewust voor een onderscheid naar opleiding gekozen, omdat een indeling naar beroep gezien de vele varianten niet mogelijk was. De keuze op zes maanden kwam voort uit bekende uitstroomgegevens waaruit bleek dat 60 procent van de werklozen binnen die tijd op eigen kracht uit het werklozenbestand uitstroomt naar een baan.12
Tabel 1 –
Aantal maanden dat iemand conform de Richtlijn passende arbeid (1992) werkloos kan zijn alvorens hij arbeid van een lager kwalificatieniveau dient te aanvaarden, naar opleidingsniveau bij intreden van de WW
aantal maanden werkloosheid vanaf intrede waarna het passend geachte niveau wordt bereikt
wo
hbo
mbo
lbo
lo
niveau bij intrede Ww
wo
0-6
6-12
12-18
18-24
>24
hbo
0-6
6-12
12-18
>18
mbo (havo/vwo)
0-6
6-12
>12
lbo (mavo)
0-6
>6
Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Stcrt. 1992, 103.