Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/7.10
7.10 De wijzigingen van artikel 24 lid 7 WW: behouden van passende arbeid (2006-2012)
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258983:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook de uitspraak van de CRvB op 24 juni 2009 (USZ 2009/246) dat onderdeel b onder 3 op restrictieve manier moest worden uitgelegd.
Boot, ArbeidsRecht 2009/12 met verwijzing voor een uitgebreide bespreking van deze toevoeging naar Laagland, ArbeidsRecht 2011/42; Fluit, ArbeidsRecht 2011/59; Laagland, ArbeidsRecht 2011/60.
Boot, in: T&C Arbeidsrecht, Verplichtingen (werkloze) werknemer bij: Werkloosheidswet, Artikel 24. Zie ook Elzakkers, TRA 2010/87.
CRvB 14 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY3495, USZ 2013/7.
CRvB 12 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP0952, USZ 2011/52, met noot red.
Driessen & Gundt, TRA 2013/66.
Boot, ArbeidsRecht 2012/15.
Met de Wet wijziging WW-stelsel in 2006 bepaalde artikel 24 lid 7 WW dat het tweede en het zesde lid van toepassing waren. Het zesde lid bepaalde dat het niet voeren van verweer tegen of het instemmen van de werknemer met een beëindiging van de dienstbetrekking door of op verzoek van de werkgever niet leidt tot overtreding van de verplichtingen om te voorkomen verwijtbaar werkloos te worden of een benadelingshandeling te plegen. Deze soepele norm werkte door in artikel 24 lid 1, onderdeel b, onder 3: door eigen toedoen geen passende arbeid behouden.1 Het verwijtbaar niet behouden van passende arbeid werd gekoppeld aan een door de werknemer veroorzaakte dringende reden in de zin van artikel 7:678 BW. Het criterium ‘behouden’ was relatief onbelangrijk geworden, mede in lijn met de wens van het kabinet om de deur naar de WW open te zetten in het kader van de vernieuwde visie op de WW als smeerolie op de arbeidsmarkt (zie hoofdstuk 6). Ten aanzien van het ten onrechte niet behouden van passende arbeid gold van 1 oktober 2006 tot 1 juli 2009 dat alleen sprake was van een verwijtbaar niet behouden wanneer de dienstbetrekking zonder heel goede grond op initiatief van de werknemer was beëindigd en er geen sprake was van een door de werknemer veroorzaakte dringende reden in de zin van art. 7:678 BW (artikel 24 lid 2 WW). Dit betekende volgens de CRvB dat het niet accepteren van een aanbod om een tijdelijke arbeidsovereenkomst te verlengen, geen grond voor een maatregel opleverde. In 2009 is daarom artikel 24 lid 7 WW gewijzigd doordat is toegevoegd dat de werknemer verwijtbaar werkloos is of blijft wanneer hij niet meewerkt aan voortzetting van de eigen arbeid op een andere locatie of in dienst van een andere werkgever.2 Per 1 januari 2012 is als gevolg van de Verzamelwet SZW 2012 die passage weer geschrapt en het bereik van onderdeel b onder 3 aangepast voor de situatie van het niet-voortzetten van de arbeidsrelatie (de arbeid is beëindigd of niet voortgezet). Het niet-accepteren van een tijdelijke arbeidsovereenkomst levert een grond voor de maatregel van weigering van de WW-uitkering. Het maakt daarbij niet uit of dat aanbod niet wordt geaccepteerd bij verlenging na een eerdere tijdelijke arbeidsovereenkomst of omdat na een overeenkomst voor onbepaalde tijd een overeenkomst voor bepaalde tijd wordt aangeboden.3 Aan deze wijziging is in de parlementaire behandeling weinig aandacht besteed, maar zij heeft wel gevolgen voor de praktijk. De CRvB heeft in een uitspraak in 2012 aanleiding gezien om de in art. 24 lid 1 onder b ten derde WW neergelegde verplichting, die ziet op het behouden van de eigen arbeid, aan te scherpen indien de mogelijkheid bestaat deze in (nagenoeg) dezelfde omvang voort te zetten.4 Anders dan in de uitspraak van 12 januari 2011, is de omstandigheid dat ter voortzetting van eigen arbeid een nieuwe arbeidsovereenkomst moet worden gesloten met een andere werkgever geen reden meer om art. 24 lid 1 onder b ten derde WW (passende arbeid behouden) niet van toepassing te achten.5
Driessen en Gundt menen dat het niet-behouden van passend werk hierdoor onder een strenger regime is gaan vallen dan ‘gewoon’ werkloos worden. Akkoord gaan met een beëindiging op initiatief van de werkgever leidt niet tot verwijtbare werkloosheid, maar het negeren van een aanbod tot passende arbeid leidt tot het geheel verspelen van de WW-rechten.6 Er is geen mitigerende sanctie mogelijk op de weigering tot aanvaarden van passende arbeid.
Ook Boot vindt dat dit leidt tot de situatie dat de werkgever een oneigenlijk processueel voordeel heeft, omdat het aanbieden van een passende andere functie gevolgen kan hebben voor de WW-uitkering van de werknemer. Een werknemer die zijn eigen functie eigenlijk niet wil opgeven, wordt in een lastig parket in het kader van de WW gebracht door hem een andere passende functie aan te bieden. Hij pleit er daarom voor dat de weigering van een tijdens het dienstverband gedaan aanbod van passende arbeid in beginsel niet tot een maatregel zou moeten leiden.7