Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020
Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/7.11:7.11 Het Besluit passende arbeid WW en ZW in 2015
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/7.11
7.11 Het Besluit passende arbeid WW en ZW in 2015
Documentgegevens:
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258883:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Damsteegt, De Werkloosheidswet 2017, p. 216-218; Besluit passende arbeid WW en ZW, Stb. 2014, 525.
Besluit passende arbeid WW en ZW, Stb. 2014, 525.
Damsteegt, De Werkloosheidswet 2017, p. 217.
Besluit passende arbeid WW en ZW, Stb. 2014, 525.
Fluit, TAP 2016/1.
Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 5, par. 4, p. 41-42.
Fluit, TAP 2016/1.
Vonk, TRA 2015/38.
Houwerzijl, TRA 2014/11.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het Besluit passende arbeid WW en ZW is weer een verdere verscherping van het begrip passende arbeid zoals neergelegd in de Richtlijn passende arbeid 2008 en het Besluit passende arbeid schoolverlaters en academici. Dit besluit is vanaf 1 juli 2015 geldend en vervangt alle eerdere richtlijnen en besluiten. Het begrip passende arbeid is weer aanzienlijk aangescherpt, zodat al na zes maanden (i.p.v. twaalf maanden vanaf 2008) alle maatschappelijk geaccepteerde arbeid als passend wordt beschouwd. Verder mag de beloning na zes maanden lager zijn dan 70% van het inkomen dat de werkloze verdiende en kunnen na een half jaar lange reistijden in beginsel helemaal geen belemmering zijn.1 Het eerste half jaar mogen de WW’ers dus nog wel arbeid op het oude loonniveau, reistijd en naar aard van het vroegere beroep zoeken. Het idee achter de verscherping is dat de werkloze of zieke werknemer verplicht is zich veel ruimer te oriënteren op de arbeidsmarkt waardoor de kans wordt vergroot om snel weer aan het werk te komen.2 In tabel 3 zijn de verscherpingen schematisch weergegeven.3
Tabel 34
Werkniveau Kwalificatie
Hoger onderwijs (WO/HBO)
MBO
VMBO
Lager (basis) onderwijs of geen onderwijs
Hoger onderwijs (WO/HBO)
0-6 maanden
Na 6 maanden
Na 6 maanden
Na 6 maanden
MBO
0-6 maanden
Na 6 maanden
Na 6 maanden
VMBO
0-6 maanden
Na 6 maanden
Lager (basis) onderwijs of geen onderwijs
Laagste niveau, geen afwijking in de eerste 6 maanden
Naast het besluit heeft het UWV ook intern beleid ontwikkeld omtrent het aanvaarden van passende arbeid. Bij reisduur wordt gekeken naar de duur van de werkloosheid, het arbeidsverleden, de burgerlijke staat, de aard van het werk en de omvang van het dienstverband. Het interne beleid van het UWV geeft meer specifieke regels. Zo wordt bepaald dat een reistijd van twee uur niet meer passend is als de arbeidsomvang ook twee uur is. Daarnaast toetst het UWV aan redenen van sociale, geestelijke of lichamelijk aard om passende arbeid niet te accepteren, waarbij bescherming van het gezinsleven ook een argument kan zijn. Een verhuizing voor passende arbeid is bijvoorbeeld niet snel aan de orde als de partner werk heeft in de buurt en voor het gezinsinkomen zorgt.5
De aanscherping naar zes maanden in het besluit heeft tijdens de parlementaire behandeling voor de nodige kritische vragen gezorgd. Zo werd gevraagd of een werkgever erop zat te wachten om een te hoog opgeleide werknemer voor de aangeboden functie aan te nemen. De praktijk liet immers zien dat werklozen die ver onder hun niveau solliciteerden niet werden aangenomen, omdat de werkgevers ze overgekwalificeerd vonden. Ook vroeg men zich af of een werkgever het UWV of een gemeente nog wel serieus nam, als hij voor een vacature een werkzoekende kreeg aangeboden die zwaar overgekwalificeerd was voor de geboden functie, en die dan ook nog een andere ambitie had met zijn arbeidsleven.6
Ook Fluit meende dat de aanscherping in de WW naar zes maanden weinig zinvol was en al snel een papieren tijger zou worden. Als een werkzoekende zelf niet de (financiële) noodzaak zag om breder te zoeken en onder zijn niveau op zoek te gaan naar ander werk, dan zou controle en handhaving weinig effect sorteren. Fluit gaf als voorbeeld dat een werknemer naar een lagere functie solliciteert, maar tijdens het gesprek duidelijk maakt dat hij dit alleen doet om aan zijn WW-verplichtingen te voldoen. Een werkgever gaat dan al snel verder kijken en neemt zelden de moeite om dit gedrag bij het UWV te melden. Fluit betwijfelde dan ook of werkgevers en werknemers op deze maatregel zaten te wachten die zou leiden tot maatschappelijke kapitaalvernietiging. Hij had ook grote twijfels bij de door het kabinet beoogde activerende werking.7
Vonk meende dat van het begrip passende arbeid nauwelijks wat over was. Het had nu alleen betekenis het eerste half jaar. Daarna moest al het werk worden geaccepteerd onder dreiging van volledig stopzetten van de uitkering. Het automatisme waarmee de wetgever de rechtspositie uitholt met een beroep op het activerender maken van het stelsel heeft iets desperaats, aldus Vonk. Het zou uiteindelijk leiden tot een vorm van sociale zekerheid die de burgers neerdrukt en geen perspectief biedt.8
Ook Houwerzijl zette haar vraagtekens bij het grote belang van werk voor de hoger opgeleide werkloze ten opzichte van het belang van passende arbeid voor werklozen voor wie die banen ‘van waaruit je zo gemakkelijk solliciteert’, wél op niveau zijn en dus kunnen leiden tot duurzame inzetbaarheid.9