Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/6.2.1
6.2.1 Overdrachtsbelasting
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS619759:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken 112005/06, 30 306, nr. 2.
Stb. 2005, 683.
Kamerstukken 112005/06, 30 306, nr. 3, p. 11.
Ten aanzien van een OZI. werd in de nota naar aanleiding van het verslag nog het volgende opgemerkt: 'Wij zien nog aanleiding specifiek in te gaan op het commentaar van de Orde die in overweging geeft de voorgestelde wijziging van artikel 10, Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: WBR) te vervangen door een bepaling dat (kabel)netten worden geacht geen onroerende zaak te zijn voor toepassing van hoofdstuk 11 WBR. Dit om te voorkomen dat een vennootschap waarvan de bezittingen hoofdzakelijk bestaan uit een kabelnet wordt aangemerkt als een fictieve onroerende zaak, of te wel onroerende-zaaklichaam (hierna: OZL). In de voorgestelde wijziging in het Belastingplan is bewust ervoor gekozen om aan te sluiten bij het burgerlijk recht en geen verschil te maken tussen netten en andere onroerende zaken. (..) Of een vennootschap waartoe onder meer een (kabel)net behoort, kwalificeert als een OZL hangt derhalve af van het antwoord op de vraag of aan de bezits- en doeleis wordt voldaan. Het feit dat bij het bepalen van de heffingsgrondslag vervolgens de waarde van de netten worden uitgesloten doet voor de kwalificatie van een OZL dus niet ter zake. Wel zal, bij vervreemding van de aandelen van een als OZL kwalificerende vennootschap, overdrachtsbelasting verschuldigd zijn over de waarde van de overige onroerende zaken die door die aandelen vertegenwoordigd worden. ' Zie: Kamerstukken 11 2005/06, 30306, nr. 6, p. 74.
Kamerstukken II 2005/06, 30 306, nr. 6, p. 75.
Kamerstukken II 2005/06, 30 306, nr. 6, p. 23.
Overigens lijkt dit wel een gewoonte te worden van de wetgever. Voor stacaravans of vakantiewoningen, die volgens het arrest van de BR 28 september 2001, BNB 2001/403, als onroerende zaken worden beschouwd, wordt immers ook een uitzondering gemaakt in het kader van de Wet onroerende zaken (Kamerstukken 112004/05, 29 612). Ook wordt bij verkrijgingen van stacaravans, vooralsnog, geen overdrachtsbelasting geheven indien de eigendom niet door middel van bijvoorbeeld een recht van opstal is afgescheiden van de eigendom van de grond.
In de kabelarresten betrof het de vraag of bij overdracht van het kabelnet wel of geen overdrachtsbelasting moest worden betaald, conform artikel 2 Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wbr). Omdat het kabelnet als een onroerende zaak werd beschouwd, was daarmee ook het antwoord gegeven dat overdrachten van netwerken belast zouden zijn op grond van de Wbr. In het Belastingplan 20061 werd voorgesteld om aan artikel 15 Wbr een nieuw sub y toe te voegen, wat ook gebeurd is.2 In dit nieuwe onderdeel wordt de verkrijging van een net gelegen in, op of boven de grond, bestaande uit een of meer kabels of leidingen, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen van energie of van informatie, vrijgesteld van overdrachtsbelasting. In de memorie van toelichting is deze vrijstelling als volgt beargumenteerd:3
`Het feit dat netten onroerend zijn, brengt mee dat de directe verkrijging van zo'n net een belastbaar feit is voor de overdrachtsbelasting. Bovendien kunnen netten behoren tot het bezit van een onroerende-zaaklichaam (hierna: OZL) als bedoeld in artikel 4 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, zodat bij een overdracht van de aandelen van een dergelijk lichaam (indirecte verkrijging) eveneens overdrachtsbelasting verschuldigd kan zijn. Aangezien men voor de datum van de arresten algemeen aannam dat netten roerend waren en heffing van overdrachtsbelasting over netten niet is beoogd, wordt een integrale vrijstelling voorgesteld voor de verkrijging van netten. Behalve een vrijstelling voor de directe verkrijgingen van netten wordt, om te bereiken dat ook de indirecte verkrijging van netten zonder overdrachtsbelasting plaatsvindt, voorgesteld netten uit te sluiten bij het bepalen van de heffingsgrondslag bij de verkrijging van aandelen in een 071-4 Beide bepalingen treden in werking met terugwerkende kracht tot en met 6 juni 2003, te weten de datum van de voornoemde arresten. Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat de wijzigingen geen betrekking hebben op netten zoals wegennetten en spoornetten.'
De leden van de LPF-fractie vroegen in het kader van de vrijstelling bij het verkrijgen van netten, of het voorgestelde artikel 15, eerste lid, onderdeel y, van de Wbr ook geldt voor de verkrijging van de zogenoemde ducts of mantelbuizen. Op deze vraag werd bevestigend geantwoord.5 In de gewijzigde wetgeving op basis van het Belastingplan 2006 is met betrekking tot het nieuwe onderdeel y van artikel 15 Wbr bepaald dat dit onderdeel terugwerkt tot 1 januari 2006. Met betrekking tot de terugwerkende kracht van de diverse bepalingen en daarmee eventueel terug te betalen overdrachtsbelasting, is in de toelichting het volgende opgemerkt:6
`De Belastingdienst heeft uitvoering gegeven aan de arresten van de Hoge Raad van 6 juni 2003. Dat wil zeggen dat de overdracht van kabelnetten voor de heffing van overdrachtsbelasting werd aangemerkt als een belastbaar feit. Met de in het wetsvoorstel opgenomen terugwerkende kracht wordt gewaarborgd dat uiteindelijk geen overdrachtsbelasting zal zijn verschuldigd over transacties die zich op of na de datum van de arresten hebben voorgedaan. Indien ter zake van deze transacties overdrachtsbelasting is voldaan, zal deze worden teruggegeven. Wij zullen bevorderen dat de inspecteurs dit zo veel mogelijk uit eigen beweging zullen doen. Dat zal mogelijk zijn in gevallen waarin door de inspecteur een naheffmgsaanslag is opgelegd. Gevallen waarin de overdrachtsbelasting op aangifte is voldaan, zijn moeilijker te achterhalen door de inspecteur. In die gevallen kan de belastingplichtige bij de competente inspecteur een verzoek indienen voor teruggaaf van de overdrachtsbelasting. (...)
De leden van de VVD-fractie vragen voorts of het klopt dat zonder een nadere voorziening in beginsel overdrachtsbelasting nageheven kan worden over de verkrijgingen waarvoor de naheffingstermijn van in ieder geval vijf jaar nog niet is verstreken. Deze leden achten dit niet wenselijk en pleiten voor een beleidsmaatregel die ertoe leidt dat ook over de verkrijgingen van vóór 6 juni 2003 geen overdrachtsbelasting is verschuldigd en verzoeken hieraan op korte termijn gevolg te geven. Om doelmatigheidsredenen zal de Belastingdienst geen naheffingsaanslagen opleggen over transacties die zich vóór 6 juni 2003 hebben voorgedaan. De voorschriften inzake het ambtshalve verlenen van verminderingen of teruggaven leiden in deze situatie niet tot het ambtshalve verlenen van teruggave.'
Met andere woorden aanslagen op het gebied van de overdrachtsbelasting die ná de kabelarresten zijn opgelegd én geïnd, zullen door de Belastingdienst zijn terugbetaald, op basis van de terugwerkende kracht van de nieuwe regeling in de Wbr. De vrijstelling betreffende de overdrachtsbelasting, dan wel de eventuele teruggave ervan is een opsteker voor de leidingbeheerders die allerminst gelukkig waren met de veranderde status van netwerken. Het scheelt duizenden Euro' s aan (na)heffingen die niet (meer) hoeven te worden voldaan. Gelet op de aanleiding van de kabelarresten is deze vrijstelling op zich toch wel opmerkelijk te noemen, maar de wetgever beargumenteert dit met de stelling dat heffing van overdrachtsbelasting over netten nimmer is beoogd.7