Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/3.3
3.3 Rechtvaardiging voor zekerheidsrechten
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS401994:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Van den Heuvel 2004, p. 7.
Verstijlen 1998, p. 18. Zie ook Verstijlen 2013, nr. 6.
Verstijlen 2006, p. 1171-1172.
Van den Heuvel 2004, p. 66.
Zie ook W.J. Zwalve, ‘Too convenient a form of security to be lightly abolished’, WPNR 2006 (6665), p. 350 die opmerkt dat “[z]ekerheidsgever en zekerheidsnemer (…) in het geheel niet de bedoeling [hebben] een recht te vestigen waaraan ‘werking tegen derden’ is verbonden, maar een ‘zaak’ (…) te belasten en wel op een wijze die de zekerheidsnemer garandeert dat hij zijn vordering op de zekerheidsgever kan voldoen uit de executoriale opbrengst ervan. In echte ‘derdenwerking’, in het bijzonder het aan een zakelijk recht verbonden zaaksgevolg, is een zekerheidsnemer niet of nauwelijks geïnteresseerd.”
Van den Heuvel 2004, p. 67.
Zie bijv. Suijling 1940, nr. 488.
Van den Heuvel 2004, p. 69.
Van den Heuvel 2004, i.h.b. p. 131-133.
Brinkmann 2011, p. 225 e.v. Illustratief t.a.v. het eigendomsvoorbehoud i.h.b. p. 259-260. Men bedenke hierbij dat in het Duitse recht een scherper onderscheid wordt gemaakt tussen de verhaalsrechtelijke en goederenrechtelijke toewijzing van een goed. Zie hierna in voetnoot 54.
Brinkmann 2011, p. 252.
Brinkmann 2011, p. 236.
Brinkmann 2011, p. 253.
Brinkmann 2011, p. 253-254.
De vraag naar de rechtvaardiging van de voorrangspositie van een zekerheidsgerechtigde komt in de Nederlandse literatuur niet veelvuldig aan bod. Een uitzondering vormt het proefschrift van Van den Heuvel, waarin zij de vraag centraal stelt ‘aan de hand van welke maatstaf de reikwijdte van zekerheidsrechten zou moeten worden vastgesteld.’1 In haar onderzoek is een belangrijke rol weggelegd voor de vraag wat de rechtvaardiging is voor de voorrangspositie die een zekerheidsgerechtigde inneemt, waarbij vooral wordt toegespitst op de kredietverlenende bank die zekerheid heeft bedongen op zowel bestaande als toekomstige goederen van de schuldenaar. Daarbij gaat het in het bijzonder om de rechtvaardiging van de voorrangspositie ten opzichte van de overige schuldeisers, die de nadelige gevolgen van de zekerheidsstelling ondervinden.
Van den Heuvel bekritiseert de ‘traditionele’ benadering, waarin de rechtvaardiging voor de voorrangspositie van de zekerheidsgerechtigde wordt gebaseerd op het goederenrechtelijk karakter van het voorrangsrecht en op de partijautonomie. Op grond van de partijautonomie is de rechthebbende in beginsel bevoegd om met zijn goederen te doen wat hij wil: hij kan de zaak niet alleen vervreemden, maar ook vernietigen. Met een a-maiore-ad-minus-redenering wordt vervolgens aangenomen dat hetzelfde geldt voor de vestiging van een zekerheidsrecht: wie een goed kan vervreemden, waardoor het volledig aan het verhaal wordt onttrokken, kan op dat goed ook een zekerheidsrecht vestigen, waardoor het ten dele aan het verhaal van de overige schuldeisers wordt onttrokken:
‘Waar een schuldenaar een goed door het over te dragen geheel kan onttrekken aan het verhaal van zijn schuldeisers, ligt het voor de hand dat hij ook een “exclusief verhaalsrecht” op dat goed kan vestigen, waardoor het slechts ten dele – voor zover geen sprake is van een overwaarde – aan het verhaal van de overige schuldeisers wordt onttrokken.’2
Aangezien een pand- of hypotheekrecht goederenrechtelijke werking heeft, moeten de overige schuldeisers deze zekerheidsstelling tegen zich laten gelden:
‘Gegeven dat een schuldenaar een goed geheel aan het verhaal van zijn gezamenlijke schuldeisers kan onttrekken door het over te dragen, ligt het voor de hand dat hij dat goed gedeeltelijk aan het verhaal kan onttrekken door er een zekerheidsrecht op te vestigen. Een kwestie van partij- autonomie, dus; de schuldeisers hebben de beschikkingshandelingen van de schuldenaar te respecteren.’3
In deze benadering is de grondslag van de voorrangspositie derhalve gelegen in de partijautonomie, die uitsluitend begrensd wordt door de numerus clausus, als gevolg waarvan derden slechts geconfronteerd kunnen worden met door de wet toegestane goederenrechtelijke rechten.
Van den Heuvel keert zich tegen deze opvatting, omdat de vestiging van een zekerheidsrecht niet gelijk zou kunnen worden gesteld met de beschikking over eigendom. Door de vestiging van een zekerheidsrecht beschikt de eigenaar niet over zijn vermogen, maar ‘bewerkstelligt [hij] ook – en vooral – een herschikking van de rechten van de crediteuren onderling.’4 Van den Heuvel legt daarbij de nadruk op het voorrangselement van de transactie (het droit de préférence) en minder op het absolute karakter van het goederenrechtelijke recht (droit de suite).5 Daarin verschilt de vestiging van een zekerheidsrecht van een overdracht volgens Van den Heuvel:
‘Wanneer de schuldenaar zijn auto verkoopt en levert heeft dit slechts gevolgen voor de omvang van het verhaalsvermogen. Er verandert niets in de onderlinge verhouding tussen de schuldeisers. Wanneer de schuldenaar de auto niet verkoopt maar er een zekerheidsrecht op vestigt, heeft dit tot gevolg dat de overige schuldeisers daarop in beginsel geen verhaal meer kunnen nemen. De reden hiervoor is niet dat de auto het verhaalsvermogen heeft verlaten, maar dat de gesecureerde schuldeiser voorrang toekomt en zich dus in beginsel exclusief op de auto kan verhalen.’6
Het verschil tussen beide benaderingen is gelegen in het andere perspectief. In de traditionele benadering ligt de nadruk op de relatie tussen de schuldenaar en de schuldeiser. Zij kunnen afspraken maken, die de overige schuldeisers tegen zich moeten laten gelden.7 In de benadering van Van den Heuvel ligt de nadruk daarentegen op de verhouding tussen de verschillende schuldeisers onderling: ‘Het is telkens de vraag in hoeverre de voorrangspositie van een crediteur binnen het verband van schuldeisers gerechtvaardigd is.’8 Van den Heuvel verwerpt daarmee het goederenrechtelijke perspectief en kiest voor een andere benadering.
Van den Heuvel rechtvaardigt de voorrangspositie van de zekerheidsgerechtigde vanwege het feit dat kredietverlening essentieel is voor het functioneren van de onderneming en de kredietverschaffende bank bovendien de activiteiten van de onderneming in de gaten houdt (monitort), door toezicht te houden op het gevoerde beleid en de financiële situatie van de zekerheidsgever. Deze activiteiten zijn ook in het belang van de andere schuldeisers en vormen voor Van den Heuvel de grondslag voor de voorrangspositie.9
Vergelijkbare kritiek op de traditionele benadering wordt in Duitsland geuit door Brinkmann. Ook in zijn visie is de goederenrechtelijke kwalificatie van een recht geenszins doorslaggevend. De voorrangspositie van een zekerheidsgerechtigde moet in zijn visie niet vanuit het goederenrecht worden benaderd, maar vanuit het verhaalsrecht, waartussen hij een scherpe scheiding aanbrengt.10 Hij spitst de problematiek toe op de vraag of de schuldenaar de ‘haftungsrechtliche Zuweisung’ van zijn vermogen als zodanig kan wijzigen, zonder tegelijkertijd ook de vermogensrechtelijke toewijzing van een goed te veranderen. Dat zou er volgens hem op neerkomen dat de schuldenaar in staat is om te beschikken over de reikwijdte van het faillissementsrechtelijke gelijkheidsbeginsel.11 Hij ziet wezenlijke verschillen tussen de vervreemding van een zaak en de vestiging van een zekerheidsrecht:
‘Die Veräuûerung eines Gegenstands verändert seine vermögens- sowie seine haftungsrechtliche Zuordnung. Nicht nur ist der Erwerber kraft des Erwerbsvorgangs der (vermögensrechtliche) Inhaber des Gegenstands, dieser ist ihm auch haftungsrechtlich in dem Sinn zugeordnet, das der Gegenstand nunmehr für die gegen den Erwerber gerichteten Forderungen haftet. Die Bestellung eines Sicherungsrecht beeinflusst dagegen gerade nicht die haftungsrechtliche Zuordnung des Sicherungsguts, denn auch nach der Verpfändung oder Sicherungsübereignung einer Sache haftet diese für die Verbindlichkeiten des Sicherungsgebers – freilich in erster Linie für dessen Verbindlichkeiten gegenüber dem Sicherungsnehmer.’12
Volgens Brinkmann hebben zekerheidsrechten een dubbele natuur: aan de ene kant bepalen zij de relatie tussen de schuldeiser met een zekerheidsrecht en de schuldenaar, maar aan de andere kant bepalen ze de relatie tussen schuldeisers onderling.13 In geval van faillissement ligt de nadruk op de tweede functie, zodat voor de faillissementsbestendigheid van een zekerheidsrecht volgens hem dan ook een rechtvaardiging dient te bestaan in de relatie tussen de schuldeisers. De partijautonomie en beschikkingsvrijheid van de schuldeiser bieden volgens hem onvoldoende rechtvaardiging, omdat de schuldenaar volgens hem niet de bevoegdheid heeft om te beschikken over de verhouding tussen schuldeisers in het algemeen beslag dat het faillissement ten gevolge heeft.14
Het gaat er niet om in dit hoofdstuk een keuze te maken tussen een van beide benaderingen. Van belang is te constateren dat de traditionele benadering de voorrangspositie van de zekerheidsgerechtigde hoofdzakelijk baseert op de partijautonomie. Daarmee knoopt zij aan bij een fundamenteel uitgangspunt in het privaatrecht. Tegelijkertijd heeft de traditionele benadering daarmee echter ook slechts een beperkte functie. Zij verklaart niet waarom de partijautonomie in een specifiek geval daadwerkelijk zover strekt. Vergelijkbaars geldt voor de voorrangspositie van de verkoper onder eigendomsvoorbehoud. Men zou deze voorrangspositie kunnen verklaren door te wijzen op de omstandigheid dat de verkoper eigenaar is van de desbetreffende zaak en aldus zelf kan bepalen wanneer en onder welke voorwaarden hij zijn eigendom wil overdragen. Daarmee laat zich evenwel niet verklaren waarom de wet de verkoper die vrijheid daadwerkelijk verleent. De traditionele benadering geeft derhalve uitsluitend aan dat partijen een door de wet toegelaten figuur mogen benutten, maar geeft geen normatieve argumenten waarom de wet een bepaalde rechtsfiguur al dan niet zou moeten accepteren.
De meerwaarde van de niet-traditionele benadering is dat zij meer loskomt van de toelaatbaarheid van bepaalde figuren in het geldende recht, omdat zij op zoek gaat naar normatieve argumenten in de relatie tussen schuldeisers onderling die kunnen rechtvaardigen dat een van hen een bevoorrechte positie inneemt. Daarmee kan zij niet alleen een onderbouwing bieden voor de toelaatbaarheid van een bepaalde rechtsfiguur of voorrangspositie die het geldende recht nog niet aanvaardt, maar kan zij ook nadere argumenten geven waarom een bepaalde toegestane figuur of voorrangspositie eigenlijk niet goed valt te rechtvaardigen en derhalve afgeschaft zou moeten worden. Daarbij legt de partijautonomie, als leidend beginsel als zodanig echter ook gewicht in de schaal, zodat daarbij ook de traditionele benadering niet buiten beschouwing kan worden gelaten.