De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen
Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/1.3.2:1.3.2 De tweede fundamentele onderzoeksvraag
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/1.3.2
1.3.2 De tweede fundamentele onderzoeksvraag
Documentgegevens:
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701970:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Indien de positie van de schadedeskundigen daadwerkelijk bijzonder is ten opzichte van de positie van andere deskundigen in het juridische domein, is mijn tweede fundamentele vraag of die positie ook aanleiding geeft tot het stellen van bijzondere kwaliteitseisen aan de schadedeskundigen. Ook omtrent die kwaliteitseisen wordt in de literatuur doorlopend duidelijkheid gevraagd. Er ontstaat met name verwarring doordat de relevante wet- en regelgeving grotendeels zwijgt over de kwalificaties waarover de schadedeskundigen moeten beschikken. Omdat deze kwalificaties vaak niet duidelijk zijn, komen discussies over de persoon van de deskundige ten overstaan van de rechter regelmatig voor. Een dergelijke discussie eindigt dan dikwijls ietwat onbevredigend, omdat noch procespartijen, noch de rechter over objectieve criteria beschikken om de deskundige en diens kwalificaties te toetsen. Van Ravels wijst er in dit kader bijvoorbeeld op dat het voor appellanten in nadeelcompensatieprocedures wel erg moeilijk is om concrete aanknopingspunten aan hun twijfel omtrent de persoon van de deskundige ten grondslag te leggen. 1
De blijvende onduidelijkheid omtrent de aan de schadedeskundigen te stellen kwaliteitseisen is opvallend en onwenselijk. Dat geldt ook los van de vraag of hun positie ‘bijzonder’ is. Vast staat immers dat de schadedeskundigen adviseren over de omvang van een schadevergoeding die aan de orde is door, grof gezegd, de ontneming of regulering van eigendom. Ik meen dat overheidshandelingen, al zijn die rechtmatig, die op enigerlei wijze interveniëren met het eigendomsrecht met de grootst mogelijke waarborgen omkleed moeten zijn. Dat geldt dan vanzelfsprekend ook voor inzicht in de kwaliteit van de deskundige die wordt ingeschakeld bij de schadebegroting. Daar komt nog bij dat de schadedeskundigen in hun advies mede datgene doen dat de rechter of het bestuursorgaan in het kader van de geschilbeslechting of besluitvorming ook moet doen. Namelijk het toepassen van regels van recht op de voorliggende feiten. Als gezegd, heb ik zelf in een eerdere bijdrage de vraag gesteld of een dergelijke integrale adviestaak wel passend kan worden geacht binnen het rechtsstatelijke uitgangspunt van full jurisdiction. 2De conclusie was ‘ja, mits…’, waarbij dan een belangrijke voorwaarde is dat er eisen worden gesteld aan de kwalificaties waarover de deskundigen moeten beschikken. Tegen deze achtergrond – de schadedeskundigen moeten zowel vakspecialistisch als juridisch écht wat kunnen – is de tweede onderzoeksvraag die ik in dit boek beantwoord:
“Welke kwaliteitseisen dienen er – mede in het licht van de eventuele bijzondere positie die zij bekleden – aan de schadedeskundigen te worden gesteld?”