Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.5.5.1
4.5.5.1 Uitgangspunt: een rechtshandeling rechtvaardigt alleen een inbreuk als zij is verricht door de rechthebbende jegens de verrijkte.
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS501218:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Hoofdstuk 1, par. 1.1.1 onder (i).
Hartkamp 2001, p. 332-333; overigens is Hartkamp niet van mening dat artikel 6:212 moet worden beperkt tot inbreuken op exclusieve rechtsposities.
Artikel 3:86 vormt geen rechtvaardiging van de verrijking van C. Volgens het eerste lid van dit artikel wordt een verkrijger te goeder trouw beschermd als hij verkrijgt van een beschikkingsonbevoegde. De overdracht is dan wel geldig. Echter, lid 3 bepaalt dat een bestolen eigenaar gedurende drie jaar de zaken ook kan revindiceren onder een verkrijger te goeder trouw. Na die termijn van drie jaar vormt artikel 3:86 naar mijn mening wél een rechtvaardiging. Zie over verjaring als rechtvaardiging: noot 159.
Dit betekent overigens niet dat de rechtsverhouding tussen B en C op geen enkele wijze relevant is voor de rechtsverhouding tussen A en C. Volgens lid 2 van artikel 6:212 wordt de verplichting tot teruggave van een ongerechtvaardigde verrijking verminderd als de verrijking afneemt in een periode waarin de verrijkte met een verplichting tot afgifte van een verrijking geen rekening hoefde te houden. De prijs die C aan B voor de materialen heeft betaald leidt tot een vermindering van C’s verrijking (overigens is goed verdedigbaar dat voor zover C een vordering uit wanprestatie tegen B te gelde kan maken, C’s verrijking niet is verminderd). Een vermindering van de verrijking is echter iets anders dan een rechtvaardiging van de verrijking. Wanneer de prijs die C aan B moet betalen lager is dan de verrijking van C ten koste van A (de marktwaarde van de materialen), moet C het restant van zijn verrijking afstaan aan A.
HR 28 oktober 2011, NJ 2012/495. Opmerking verdient dat de Hoge Raad artikel 6:212 niet beperkt tot inbreuken op exclusieve rechtsposities.
Uit het exclusieve karakter van de beschermde rechtspositie volgt dat de rechtshandeling moet zijn verricht door de rechthebbende jegens de verrijkte. Zoals wij eerder zagen, is immers een uitgangspunt van het privaatrecht dat alleen partijen bij een rechtshandeling, zoals een overeenkomst, daaraan rechten kunnen ontlenen of deze rechtshandeling tegen zich moeten laten werken.1 Stel bijvoorbeeld dat B en C een overeenkomst sluiten zonder een door A aanvaard derdenbeding over een te komen. A kan dan aan deze overeenkomst geen rechten ontlenen. Net zomin kunnen uit de overeenkomst plichten voor A jegens B en C voortvloeien. Hartkamp wijst er dan ook terecht op dat de overeenkomst tussen een verrijkte en een derde daarom in beginsel geen rechtvaardiging vormt voor de vermogensverschuiving van de verarmde naar de verrijkte.2
Een voorbeeld illustreert dat een verrijking niet wordt gerechtvaardigd door een overeenkomst tussen de verrijkte en een derde die niet de verarmde is. Stel dat beunhaas B met C een overeenkomst sluit ter zake van verbouwwerkzaamheden en het gebruik van materialen. B gebruikt materialen die zijn gestolen van A. Aangezien de zaken gestolen zijn, blijft A in beginsel eigenaar – zelfs als B de zaken te goeder trouw heeft verkregen.3 A kan daarom de zaken revindiceren onder de houder van de zaken (B), of van B een vergoeding uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking vorderen voor de onbevoegde inbreuk die in het gebruik ligt besloten. B metselt de materialen in bij de bouw van een woning op het terrein van C. De in aanbouw zijnde woning van C trekt de zaken van A na waardoor C ten koste van A wordt verrijkt. Ik meen dat voor deze verrijking geen rechtvaardiging bestaat. A heeft immers geen rechtshandeling jegens C verricht waarin hij toestemming voor het gebruik van de zaken heeft gegeven. Ook de overeenkomst tussen B en C vormt in beginsel geen rechtvaardiging voor de verrijking van C die voortvloeit uit het vermogen van A, omdat A geen partij is bij de overeenkomst BC.4 Bovendien wordt C niet door een wettelijke bepaling beschermd tegen een aanspraak van A. Immers, ook als B de materialen niet had ingemetseld maar had geleverd aan C, dan had A de zaken kunnen revindiceren onder C. A heeft daarom volgens mij een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking tegen C.
Recentelijk heeft ook de Hoge Raad geoordeeld dat een overeenkomst tussen de verrijkte (C) en een derde (B) niet zonder meer een rechtvaardiging van de verrijking vormt in de rechtsverhouding tussen de verrijkte (C) en de verarmde (A).5