Eigendomsvoorbehoud
Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/5.10:5.10 Conclusie
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/5.10
5.10 Conclusie
Documentgegevens:
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS393742:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk is de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud besproken. In het bijzonder is daarbij de verhouding van het eigendomsvoorbehoud onderzocht tot de koopovereenkomst, waarin het beding is opgenomen. Daarbij is duidelijk geworden dat het eigendomsvoorbehoud niet los kan worden gezien van deze koopovereenkomst en van het feit dat de beide uit die overeenkomst voortvloeiende prestatieplichten tegenover elkaar staan.
In dat verband zijn de gevolgen beschreven van het feit dat het eigendomsvoorbehoud neerkomt op het partieel geldend maken van een opschortingsrecht: de verkoper verplicht zich ten aanzien van de verplichting tot (af)levering tot Vorleistung, terwijl hij de nakoming van zijn verplichting tot eigendomsverschaffing opschort totdat de koper de verschuldigde tegenprestatie voldoet. Uit het feit dat de verkoper zich heeft verplicht om terstond zijn (af)leveringsverplichting na te komen, is de verschuldigdheid van de nakoming van die verplichting niet afhankelijk van de vraag of de koper zijnerzijds ook nakomt. Dit heeft tot gevolg dat de verkoper in beginsel niet de bevoegdheid heeft om over te gaan tot uitoefening van het eigendomsvoorbehoud, alvorens hij de koopovereenkomst ontbindt. Niet alleen zou dat indruisen tegen de strekking van het eigendomsvoorbehoud, ook zou dit in strijd komen met het feit dat de verkoper juist de verplichting op zich heeft genomen om ten aanzien van de (af)leveringsverplichting als eerste te presteren.
Ook in andere opzichten is ontbinding van de koopovereenkomst vereist bij een (definitieve) uitoefening van het eigendomsvoorbehoud. Aangezien de verkoper op grond van de koopovereenkomst de verplichting tot eigendomsverschaffing op zich heeft genomen, kan hij zich slechts door ontbinding bevrijden van deze verplichting. Daarmee brengt hij ook het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde van de koper ten val. Pas daarna kan hij weer vrijelijk over de zaak beschikken. Om deze redenen is in dit hoofdstuk ook geconcludeerd dat het niet mogelijk is om het eigendomsvoorbehoud uit te oefenen door middel van executie van de verkochte zaak. Uit de alternativiteit van het eigendomsvoorbehoud volgt dat nakoming en uitoefening van het eigendomsvoorbehoud elkaar wederzijds uitsluiten.
Na uitoefening van het eigendomsvoorbehoud dient de koopovereenkomst dan ook afgewikkeld te worden overeenkomstig de ontbindingsregels. De koper dient de zaak terug te geven aan de verkoper – hetgeen de verkoper met zijn revindicatievordering (art. 5:2 BW) kan afdwingen – en de verkoper dient het eventueel reeds betaalde gedeelte van de koopprijs te restitueren. Aangezien de verkoper altijd eigenaar is gebleven, komt een eventuele waardestijging van de zaak toe aan de verkoper.
Tot slot is stilgestaan bij de gevolgen van verjaring van de rechtsvordering ter zake van de tegenprestatie. Aan die verjaring heeft de wetgever het opmerkelijke rechtsgevolg verbonden dat de koper eigenaar wordt van de zaak. Dat is niet alleen in rechtsvergelijkend opzicht een vreemde regel, het strookt ook niet met de functie van het eigendomsvoorbehoud als opschortingsrecht.