Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/6.3.2
6.3.2 Slavenopstand en assimilatiepolitiek
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181101:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Van de 30.000 gens de couleur in Saint-Domingue verkregen 1000 vrije mannen het Franse actieve burgerschap, Brubaker 1989.
In dit kader is vermeldenswaardig dat krachtens de Grondwet van 1791 de koloniën buiten haar werkingssfeer vielen, met als gevolg dat de Grondwet niet van toepassing was op deze koloniën. Zie art. 8 van Titre VII (De la révision des décrets constitutionnels): “Les colonies et possessions françaises dans l’Asie, l’Afrique et l’Amérique, quoiqu’elles fassent partie de l’Empire français, ne sont pas comprises dans la présente Constitution.”
In maart 1790 waren verschillende decreten aangenomen ten behoeve van de gelijkstelling tussen kleurlingen en blanke kolonisten, maar de kolonisten wilden geen uitvoering geven aan deze decreten.
Herman Rijk van Ommeren, ‘Toussaint Loverture, Haïti’s Bolivar’, Vox Guyanae, vol. 3, no 2, 1958, p. 74.
Idem, p. 74.
Deze was in het leven geroepen in 1787 en had fiscale bevoegdheden: Renée RimbonNgango, Le régime juridique des DOM en droit français et en droit communautaire (1946- 2006) (thèse pour le doctorat en droit public), Université de Paris I – Panthéon-Sorbonne 2006, p. 25.
Ook Toussaints voorstel dat niet 400 maar 60 leiders zouden worden bevrijd, werd afgekeurd door de Assemblée coloniale, idem, p. 75. Herman Rijk van Ommeren stelt terecht: “De kolonisten spraken hiermede, in hun onwetendheid, hun eigen doodsoordeel uit […].”
Zie paragraaf 3.2.1 (‘De eerste Franse koloniale golf’).
Het decreet van 15 mei 1791 had ervoor gezorgd dat de gens de couleur die het actieve burgerschap toekwam, mee konden doen aan de verkiezingen van deze Conventie in september 1791. Het was voor het eerst dat gekleurde personen parlementariërs werden. Zo namen de gekleurde Janvier Littée, gedeputeerde van Martinique, en Jean Baptiste Belley en Jean-Baptiste Mills, beiden gekleurde gedeputeerden van Saint-Domingue, zitting in de Nationale Conventie. Jacques Binoche, Les Parlementaires d’outre-mer, p. 9.
Décret du 22 août 1792; Jacques Binoche, Les Parlementaires d’outre-mer, p. 7. Op p. 67 van zijn monografie Citizenship, Inequality, and Difference. Historical Perspectives schrijft Cooper over de uitbreiding van het Franse burgerschap naar de gens de couleur in de jaren negentig van de achttiende eeuw: “The Republic hoped to create an army of citizens to defend the Revolution.” De reden om de defensie veilig te stellen met het uitbreiden van het burgerschap hebben wij zien terugkomen in paragraaf 2.2.2 (‘Het Romeinse burgerschap in de Republiek en het Keizerrijk: experimenteren met de uitbreiding van burgerschap’).
Hiermee wordt een tegengestelde benadering gehanteerd dan door de Grondwet van 1791. Zoals hiervoor uiteengezet was de Grondwet van 1791 helder over haar werkingssfeer: zij was niet van toepassing op de koloniën, zie art. 8 van Titre VII (De la révision des décrets constitutionnels). De Grondwet van 1793 noemt de koloniën niet, met als gevolg dat geconcludeerd wordt dat de Grondwet in het geheel niet van toepassing werd aldaar. Zie Miranda Frances Spieler, ‘The Legal Structure of Colonial Rule during the French Revolution’, The William and Mary Quarterly, Third Series, vol. 66, no 2, 2009, p. 389. Over deze benadering van assimilatie van deze gebieden in het metropolitaanse kader, zie ook: Francois Luchairie, Gerard Conac, Xavier Prétot, La Constitution de la République française. Analyses et commentaires, Paris: Economica 2009, p. 1752 onder ‘Les origins du principe d’assimilation’ e.v; Martin Deming Lewis, One Hundred Million Frenchmen: ‘The ‘Assimilation’ Theory in French Colonial Policy’, Comparative Studies in Society and History, Vol. 4, no 2, 1962; Rimbon-Ngango 2006, in het bijzonder Première partie, Titre premier, Chapitre 1, Section 1 (‘La tradition de l’assimilation juridique’). De laatste auteur besteedt ook aandacht aan de assimilatie van de oude koloniën voor 1789; E. Walker, Colonies, Cambridge 1944, definieert de Franse assimilatiepoilitiek als volgt: ‘[…] colonial peoples were to absorb French culture so that they might become Frenchman and French citizens; the colonies were to become overseas parts of France’. K.E. Robinson, ‘The Public Law of Overseas France since the War’, Journal of Comparative Legislation and International Law, Vol. 32, no 3/4, 1950.
Dit besturen geschiedt door middel van zogenoemde ‘agents’: Article premier (Des agents) luidt: “Le Directoire Exécutif est autorisé à envoyer à Saint-Domingue trois agents; trois pour la Guadeloupe et autres Îles du Vent, et un pour Cayenne.”
Loi du 12 nivôse an 6 concernant l’organisation constitutionnelle des colonies, Titre III (De l’état et des droits des citoyens).
Binoche-Guedra 1988, p. 522: “La Constitution du Directoire prévoit, elle aussi, une représentation coloniale. La loi du 27 pluviôse an V accorde 10 représentants des colonies au Conseil des Anciens (5 pour Saint-Domingue, 1 pour chacune des colonies de la Guadeloupe, de la Martinique, de la Guyane, de l’Île de France et de la Réunion) et 16 au Conseil des CinqCents (8 pour Saint-Domingue, 3 pour la Guadeloupe, 1 pour chacune des colonies de la Martinique, de Sainte-Lucie, de l’île de France, de la Réunion et de l’Inde française).” Zie ook: Jacques Binoche, ‘Les élus d’outre-mer au Parlement de 1871-1914’, Revue française d’histoire d’outre-mer, tome 58, no 210, 1971.
Hiermee werd uitvoering gegeven aan de wens van Etienne Laveaux, gouverneur van SaintDomingue, om de bevolking van de koloniën te integreren in de constitutionele orde van de metropool. Zoals geciteerd in Bernard Gainot, ‘La naissance des départements d’Outre-mer. La loi du 1er janvier 1798’, Revue historique des Mascareignes, Les Mascareignes et la France, no 1, 1998, p. 61: “Plus d’incertitude, citoyens représentants, si vous voulez établir la paix et la tranquillité intérieure; plus d’incertitude sur l’état politique des citoyens noirs. Le cultivateur ne s’est-il pas rendu aussi utile que le noir qui a porté les armes? Avec quoi aurait-on alimenté l’armée, si pas un n’eût voulu cultiver la terre? La France n’a rien envoyé dans la colonie de SaintDomingue: si l’on convient que l’état de cultivateur soit pernicieux pour les Européens, honorons donc cet état pour encourager les noirs à le continuer. Quel serait donc votre étonnement, quel serait celui de tous les propriétaires de nos îles, si d’un commun accord tous les noirs cultivateurs vous disaient: ‘Puisque vous nous regardez comme étrangers, puisque vous nous avez sortis de notre pays, les lois de la justice et de l’humanité vous ordonnent de nous y reporter à vos frais. De quel droit avez-vous traité si inhumainement des hommes qu’aujourd’hui vous regardez comme étrangers?’ Aujourd’hui que les lois nous rendent à nous-mêmes, aujourd’hui qu’à l’exemple des Français d’Europe, nous avons conquis notre liberté, nous vous demandons le paiement de tout le temps que nous avons travaillé pour vous, nous réclamons un dédommagement pour tous les mauvais traitements que nous avons éprouvés.”
Gainot 1998, p. 65.
Zo stelt Laveaux, hoofdcommandant van de Republikeinse strijdkrachten in het noorden, in 1799: “In our colonies, everything is French. This system of absolute unity makes our disconcerted enemies go pale with rage, and from it the signal for colonial prosperity will be sent; you will soon hear it repeated by our brothers in the colonies, who will shout ‘love for the law, the union, and for work.’” Zie Laurent Dubois, Avengers of the New World. The Story of the Haitian Revolution, Harvard University Press 2005, p. 300.
Art. 9 Constitution de l’an VIII (15 décembre 1799) luidt: “Le régime des colonies française est déterminé par des lois spéciales.”
De grondwetten tot de Grondwet van 1848 volgen dezelfde lijn als de Grondwet van 1799, met als gevolg dat de koloniën, noch haar ingezetenen, worden vertegenwoordigd in het (mede)wetgevende orgaan. Binoche-Guedra 1988, p. 522.
Bonaparte was een voorstander van verschil in behandeling tussen de koloniën enerzijds en de metropool anderzijds. Zo stelde hij: “dérive de la nature des choses et de la différence des climats. Les habitants des colonies françaises situées en Amérique, en Asie, en Afrique, ne peuvent être gouvernés par la même loi. La différence des habitudes, des mœurs, des intérêts, la diversité du sol, des cultures, des productions, exigent des modifications diverses”. Frédéric Régent, ‘Préjugé de couleur, esclavage et citoyennetés dans les colonies françaises (1789-1848)’, La Révolution française, 9, 2015, punt 76, die verwijst naar Œuvres de Napoléon Bonaparte, Panckoucke, 1821, tome III. Lettre du Premier Consul Bonaparte aux citoyens de Saint-Domingue, daté de paris, le 4 nivôse an VIII (25 décembre 1799).
Binoche, Les Parlementaires d’outre-mer, p. 9; Binoche-Guedra 1988, p. 522.
In de considerans van het decreet wordt uitdrukkelijk een beroep gedaan op de republikeinse deugden uit de revolutie: “Qu’en détruisant le libre arbitre de l’homme, il supprime le principe naturel du droit et du devoir; Qu’il est une violation flagrante du dogme républicain: «Liberté – Égalité – Fraternité» […].” Art. 1 decreet luidt: “L’esclavage sera entièrement aboli dans toutes les colonies et possessions françaises, deux mois après la promulgation du présent décret dans chacune d’elles. À partir de la promulgation du présent décret dans les colonies, tout châtiment corporel, toute vente de personnes non libres, seront interdits.”
Binoche, Les Parlementaires d’outre-mer, p.10 e.v. Uit kracht van art. 21 Franse Grondwet van 1848 volgt: “Le nombre total des représentants du peuple sera de sept cent cinquante, y compris les représentants de l’Algérie et des colonies françaises.” Zie in dit kader ook de petitite ter invoering van koloniale politieke representatie in De la Représentation des colonies dans le parlement, Librairie D’Amyot: Paris 1847.
Zie paragraaf 3.2.2 (‘De tweede Franse koloniale golf en haar gevolgen voor het overzees Gemeenschapsrecht’).
Binoche, Les Parlementaires d’outre-mer, p. 11. Ook Senegal kreeg één gedeputeerde in de Assemblée constituante. De 63.000 Franse burgers in Algerije werden ook vertegenwoordigd, zij kregen vier gedeputeerden in de Assemblée constituante. Het aantal gedeputeerden is gedurende de jaren volgend op 1848 onderworpen geweest aan verandering, zie Binoche, Les Parlementaires d’outre-mer, p. 12 e.v.
Zie onder VI. van de preambule van de Grondwet van 1848: “Des devoirs réciproques obligent les citoyens envers la République, et la République envers les citoyens.”
De verplichtingen van de burger jegens de Republiek zijn (preambule, onder VII): “Les citoyens doivent aimer la Patrie, servir la République, la défendre au prix de leur vie, participer aux charges de l’Etat en proportion de leur fortune; ils doivent s’assurer, par le travail, des moyens d’existence, et, par la prévoyance, des ressources pour l’avenir; ils doivent concourir au bien-être commun en s’entraidant fraternellement les uns les autres, et à l’ordre général en observant les lois morales et les lois écrites qui régissent la société, la famille et l’individu.” De verplichtingen van de Republiek jegens de burger zijn (preambule, onder VIII): “La République doit protéger le citoyen dans sa personne, sa famille, sa religion, sa propriété, son travail, et mettre à la portée de chacun l’instruction indispensable à tous les hommes; elle doit, par une assistance fraternelle, assurer l’existence des citoyens nécessiteux, soit en leur procurant du travail dans les limites de ses ressources, soit en donnant, à défaut de la famille, des secours à ceux qui sont hors d’état de travailler. - En vue de l’accomplissement de tous ces devoirs, et pour la garantie de tous ces droits, l’Assemblée nationale, fidèle aux traditions des grandes Assemblées qui ont inauguré la Révolution française, décrète, ainsi qu’il suit, la Constitution de la République.”
Binoche-Guedra 1988, p. 523.
Zie paragraaf 3.2.2 (‘De tweede Franse koloniale golf en haar gevolgen voor het overzees Gemeenschapsrecht’).
Ten aanzien van de andere Franse koloniën bepaalde dit senaatsdecreet in art. 18: “Les colonies autres que la Martinique, la Guadeloupe et la Réunion, seront régies par décrets de l’Empereur jusqu’à ce qu’il ait été statué égard par un sénatus-consulte.”
Het islamitische deel van de bevolking in Algerije werd hiertoe niet meegerekend.
Binoche-Guedra 1988, p. 524.
Zie nader: Binoche-Guedra 1988; Binoche, Les parlementaires, d’outre-mer; Jacques Binoche, ‘Les élus d’outre-mer au Parlement de 1871 à 1914’, Revue francaise d’histoire d’outre-mer, tome 58, no 210, 1er trimestre 1971.
Hoewel het decreet van 15 mei 1791 het Franse burgerschap met electorale rechten uitbreidde naar kleuringen, was het een klein deel van de gens de couleur dat hiervoor in aanmerking kwam.1 Bovendien had de Assemblée, als gezegd, in het decreet zich expliciet uitgelaten over de status van de slaven: zij zou daar nimmer over beraadslagen. In Saint-Domingue werd dit decreet niet met unaniem gejuich ontvangen: gekleurden vonden het beperkt, terwijl de kolonisten het niet wilden uitvoeren omdat het decreet tot gevolg zou hebben dat het verschil tussen blanken en gekleurden zou vervagen.2 Om de kolonisten hun afhankelijkheid van de metropool te laten gevoelen, besloot Blanchelande, de vanuit Parijs benoemde gouverneur, een opstand van de slaven te ontketenen. Zijn gedachte was dat de kolonisten vanwege hun afhankelijkheid van militaire hulp vanuit het moederland weer bestuurbaar zouden worden.3 Blanchelande vond een zekere Toussaint bereid om deze schijnopstand te ontketenen.4 Toussaint, die later de bijnaam ‘Louverture’ aannam, was een slaaf die het lezen en schrijven machtig was.5 Toen de opstanden uit de hand liepen, trad Toussaint namens de slaven in onderhandeling met de uit Parijs verzonden commissarissen. Verschillende voorstellen van Toussaint die betrekking hadden op de afschaffing van de ergste misdrijven van de slavernij, en aanvankelijk de vrijheidsverklaring voor ongeveer 400 leiders van de slavenopstand teneinde de gehoorzaamheid onder de slaven terug te laten keren, werden verworpen. De Assemblée coloniale,6 waar de kolonisten het voor het zeggen hadden, keurden deze voorstellen keer op keer af.7 Wat in dit kader de opstandelingen van Saint-Domingue nieuwe mogelijkheden verschafte, was de Eerste Coalitieoorlog.8 Toussaint trad in deze oorlog met zijn opstandelingen in dienst bij Spanje om het moederland te verzwakken. De pogingen om het moederland te verzwakken waren succesvol. Toen Toussaint de Franse toezegging kreeg dat de slavernij zou worden afgeschaft, besloot Toussaint te vechten onder de Franse vlag. De Franse toezegging werd werkelijkheid op 4 februari 1794, toen tijdens het schrikbewind van Robespierre de Convention nationale de slavernij afschafte.9 Nog voor de afschaffing van de slavernij had de Conventie op 22 augustus 1792 een decreet uitgevaardigd op grond waarvan de koloniën werden erkend als integrale onderdelen van Frankrijk.10 Het is dit decreet van de Conventie en de afschaffing van de slavernij in 1794 die ervoor zorgden dat de Grondwet van 1795 in art. 6 stelde: “Les colonies françaises sont parties intégrantes de la République, et sont soumises à la même loi constitutionnelle.”11
Om te bewerkstelligen dat de koloniën enerzijds en de metropool anderzijds niet twee van elkaar los staande werelden zijn, werd besloten om de koloniën integraal deel te laten uitmaken van de metropool. Deze gedachte kreeg vier jaar later uitwerking, namelijk bij de inwerkingtreding van de Loi du 12 nivôse an 6 concernant l’organisation constitutionnelle des colonies. Krachtens deze wet kreeg het Directoire exécutif de bevoegdheid de koloniën te besturen.12 Daarnaast besteedde deze wet in haar derde titel aandacht aan de status en de rechten van de burgers op het eiland.13 Zo bepaalde art. 15:
“Les individus noirs ou de couleur enlevés à leur patrie, et transportés dans les colonies, ne sont point réputés étrangers; ils jouissent des mêmes droits qu’un individu né sur le territoire français, s’ils sont attachés à la culture, s’ils servent dans les armées, s’ils exercent une profession ou métier.”
Deze bepaling maakte duidelijk dat alle gekleurde en zwarte individuen in de koloniën dezelfde rechten hebben als de individuen in de metropool indien er wordt voldaan aan in ieder geval één van de genoemde criteria. Art. 18 van dezelfde wet bouwde voort op deze bepaling en stelde:
“Tout individu noir, né en Afrique ou dans les colonies étrangères, transféré dans les îles françaises, sera libre, dès qu’il aura mis le pied sur le territoire de la République: pour acquérir le droit de citoyen, il sera, pour l’avenir, assujetti aux conditions prescrites par l’article 10 de l’acte constitutionnel.”
Deze bepaling verwees naar art. 10 Grondwet van 1795, dat hiervoor is opgenomen. Art. 10 Grondwet van 1795 heeft betrekking op de wijze waarop een vreemdeling het Franse burgerschap kon verkrijgen. Noodzakelijk daarvoor waren onder andere dat de persoon in kwestie de leeftijd van 25 jaar was gepasseerd, de intentie had in Frankrijk te verblijven en een contributie diende te betalen. De Grondwet van 1795 maakte de koloniën onderdeel van Frankrijk, met als gevolg dat de mogelijkheid ontstond dat de persoon met de intentie in de koloniën te blijven het Franse burgerschap kon verkrijgen.14 Anders dan in het hiervoor genoemde decreet van 15 mei 1791 gold, kwam het Franse burgerschap hiermee open te staan voor alle anderen in de koloniën die aan bepaalde voorwaarden voldeden.15 De uniformiteit van de Franse staat is een belangrijke reden voor de uitbreiding van het Franse burgerschap naar deze oude koloniën.16 Indien de gebieden grondwettelijk worden geïntegreerd in het raamwerk van de metropool, dan noodzaakt dat het streven naar uniformiteit tussen de metropool en de desbetreffende gebieden, was de gedachte.17
Gedurende de eeuwwisseling, dat wil zeggen die van de zeventiende naar de achttiende eeuw, veranderde de houding van de metropool die inmiddels in de handen was van Eerste Consul Bonaparte jegens de Perle des Antilles. De Grondwet van 1799 verklaarde dat de koloniën werden gereguleerd bij bijzondere wet – die overigens niet tot stand kwam.18 Deze Grondwet schafte tevens de representatie van de overzeese gebieden af.19 Deze verandering van zienswijze hing nauw samen met de omstandigheid dat, in strijd met de wens van de Eerste Consul, Toussaint Louverture het Spaanse deel van het eiland Hispaniola veroverde en vervolgens in 1801 de slaven aldaar bevrijdde. De postrevolutionaire constitutionele gebeurtenissen op het Franse vasteland brachten Toussaint Louverture op verschillende ideeën. Zo verkreeg in deze jaren Saint-Domingue een grondwet, die Toussaint ‘Eerste Consul’ voor het leven maakte. De macht concentreerde zich, net zoals op het Franse vasteland, ook op het eiland in de handen van één persoon: de Eerste Consul. Bonapartes zwager, Charles Lecrec, maakte echter een einde aan dit avontuur van Toussaint met als gevolg dat de slavernij in 1802 werd heringevoerd.20 Deze zou pas in 1848 voorgoed worden afgeschaft in Frankrijk. Nadat Toussaint was gevangengenomen, kwam het opperbevel van de opstandelingen in de handen van Jean-Jacques Dessalines, die eind november 1803 de onafhankelijkheid uitriep en de kolonie Saint-Domingue een nieuwe naam gaf: Haïti.
De resterende koloniën en hun ingezetenen kregen, mede vanwege de onafhankelijkheid van Saint-Domingue, gedurende de jaren van het eerste keizerrijk (1804-1815), de restauratie (1815-1830) en de zogenoemde Monarchie de Juillet (1830-1848) niet de aandacht die hen daarvoor ten deel viel. De koloniën noch hun ingezetenen werden gedurende deze tijdperken politiek vertegenwoordigd in het (mede)wetgevende orgaan.21 De koloniale politieke vertegenwoordiging in het parlement werd weer ingevoerd in 1848. Naar aanleiding van de Februarirevolutie doet Louis-Philippe op 24 februari 1848 afstand van de troon met als gevolg dat een voorlopige regering wordt gevormd. In april wordt op basis van algemeen kiesrecht een Assemblée constituante gekozen. Krachtens het decreet van 27 april 1848 wordt de slavernij afgeschaft.22 Tien dagen voor de uitvaardiging van dit decreet, op 17 april 1848, besluit de voorlopige regering tot herinvoering van de politieke representatie van de oude koloniën.23 Vermeldenswaardig in dit kader is dat, zoals blijkt uit Hoofdstuk III, de Fransen in de negentiende eeuw een nieuwe koloniale expansie waren begonnen in Afrika, Azië en Oceanië.24 Op de politieke representatie van de nieuwe koloniën in het vertegenwoordigende orgaan van de Republiek wordt in de volgende paragraaf ingegaan. De herinvoering van politieke representatie van de oude koloniën had in ieder geval tot gevolg dat Martinique, Guadeloupe en Réunion ieder drie gedeputeerden en Frans-Guyana en Frans-Indië ieder één gedeputeerde in de Assemblée constituante zonden.25 De Grondwet van 1848 illustreert daarnaast treffend het wederkerige karakter van het Franse burgerschap. Zo wordt in de preambule van de Grondwet expliciet gewezen op de omstandigheid dat de burgers verplichtingen hebben jegens de Republiek, en vice versa.26 De Grondwet somt ook verplichtingen van de burger en de verplichtingen van de republiek op.27
Gelijk aan de ontwikkeling in 1799, toen de representatie van de koloniën door Bonaparte werd afgeschaft, vindt in 1852 een vergelijkbare beweging plaats. Bij de aanvang van het tweede Franse Keizerrijk wordt krachtens het Décret organique du 2 février 1852 de representatie van de overzeese gebieden afgeschaft.28 Deze zou weer in 1870 worden ingevoerd, namelijk in de Derde Franse Republiek. Zoals vermeld in Hoofdstuk III, regelt de Grondwet van 1852 in art. 27 dat er een regeling zou worden gemaakt bij een sénatus-consulte met betrekking tot de toepassing van het Franse commune recht op de oude koloniën. Op grond van deze bepaling ziet op 3 mei 1854 de Sénatus-consulte du 3 mai 1854 qui règle la constitution des colonies de la Martinique, de la Guadeloupe et de la Réunion het licht. Zoals uiteengezet in Hoofdstuk III, bepaalt dit Senaatsdecreet dat onder andere het burgerlijk recht, het strafrecht, de uitoefening van politieke rechten en de gehele juridische organisatiestructuur van de Franse metropool gelding heeft op deze oude koloniën.29 Hiermee vaardigde de wetgevende macht van de metropool, waarin de ingezetenen van deze koloniën niet waren vertegenwoordigd, wetgeving uit op het terrein van het burgerlijk recht en het strafrecht waaraan de ingezetenen van deze koloniën waren gebonden.30
De herinvoering van politieke representatie van de overzeese oude koloniën geschiedde door het decreet van 8 september 1870. Dit decreet zorgde met een beroep op de Wet van 15 maart 1849 ervoor dat Algerije drie gedeputeerden verkreeg,31 en Martinique, Guadeloupe en Réunion ieder twee gedeputeerden en tot slot Frans-Guyana één gedeputeerde.32 Door de jaren heen is het aantal gedeputeerden dat de koloniën konden zenden veranderd. In dit proefschrift wordt daar verder geen aandacht aan besteed.33 De hiervoor geschetste ontwikkeling illustreert de (on)betrokkenheid door de jaren heen van de oude koloniën en hun ingezetenen in de (mede)wetgevende macht. Hieronder komen enkele onderwerpen ter sprake die tot dusver onderbelicht zijn gebleven, namelijk het sluitstuk van politieke representatie en kiesrecht overzee van de burgers van de TOM, met aandacht voor de zogenoemde Loi Lamine Guèye en de Loi-cadre Defferre (paragraaf 6.4.3) en het Franse burgerschap in Nieuw- Caledonië (paragraaf 6.4.4). Tot slot volgt een uiteenzetting van de huidige stand van zaken ten aanzien van het kiesrecht en politieke representatie van de overzeese Franse burger in het parlement (paragraaf 6.4.5).