Einde inhoudsopgave
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/6.5.2
6.5.2 Giraal geld
Johanna Bernadine Spath, datum 01-04-2010
- Datum
01-04-2010
- Auteur
Johanna Bernadine Spath
- JCDI
JCDI:ADS624921:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Snijders 1972, p. 174: 'De vorderingen die de rekeninghouders op de giro-instellingen hebben, vormen – economisch gezien – giraal geld. […] Hoewel het girale geld derhalve uit vorderingen bestaat, fungeert het in het rechtsverkeer op dezelfde wijze als chartaal geldt en is het daarmee verwisselbaar.'
Van enige vorm van vermenging in de zin van art. 5:15 BW, of oneigenlijke vermenging in de zin van HR 12 januari 1968, NJ 1968, 274 (Teixeira de Mattos), is geen sprake. Vgl. Asser/Mijnssen/De Haan/Van Dam 3-I 2006, nr. 291; Rank 1996, p. 94; Bierens 2009, p. 28 en 31. Anders Van Gaalen 2001, p. 257.
De rekeningcourant-overeenkomst bevat kenmerken van opdracht en lastgeving, verbruiklening en oneigenlijke bewaargeving en wordt in de literatuur vaak getypeerd als een overeenkomst sui generis Vgl. Mijnssen 1984, p. 46; Rank 1996, p. 195 en 213-215; Blomquist 1991, p. 713; Bierens 2009, p. 31.Zie voor een alternatieve benadering van giraal geld: Wibier 2007-I, p. 77-79 en 2007-H, paragraaf 2.2.1.
Indien de schuldeiser een rekening aanhoudt bij een andere bank, zal de bank van de schuldenaar de rekening met de schuldenaar debiteren en dan aan de bank van de schuldeiser doorgeven dat diens rekening bij de andere bank moet worden gecrediteerd. Beide banken fungeren hierbij als hulppersoon en verrekenen onderling de hieruit tussen hen voortvloeiende vorderingen. Zie Mijnssen 1984, p. 47; Rank 1996, p. 184-189.
Door het ontstaan van een nieuwe vordering treedt geen novatie op van in rekening-courant geboekte posten, Zie Snijders 1972, p. 180 onder verwijzing naar HR 3 mei 1928, NJ 1928, 1580; Rank 1996, p. 194 en 226. Anders naar Belgisch recht: Sagaert 2003, p. 349.
Zie Rank 1996, p. 224; Bierens 2009, p. 31.
Zie art. 6:140 lid 1 jo art. 6:43 lid 2 BW. Zie Mijnssen 1984, p. 51-52; Rank 1996, p. 223 met verwijzing naar HR 21 september 1988, NJ 1989, 11.
Zie Parl. Gesch. Boek 6, p. 518: 'De in het saldo begrepen, nog niet verrekende vorderingen blijven voortbestaan.'
Hetgeen hierna over giraal geld wordt opgemerkt, kan in beginsel ook van toepassing worden geacht op de vordering samenhangend met een positief saldo op een effectenrekening.
Zie ook Sagaert 2003, p. 280-281.
Zie Snijders 2001, p. 10: '[Een vordering op naam op de giro-instelling] kan naar zijn aard slechts toebehoren aan de rekeninghouder op wiens naam zij staat, tenzij uit een bijzondere tenaamstelling ('in kwaliteit') anders voortvloeit', met verwijzing naar HR 12 januari 2001, NJ 2002, 371 (Koren q.q./Tekstra q.q.); Rank 1996, p. 95, nt 17: 'Rechthebbende is in beginsel de rekeninghouder. Dit zal slechts anders zijn als de rekeninghouder de rekening op eigen naam heeft geopend, doch als opdrachtnemer van een derde en deze hoedanigheid expliciet in de tenaamstelling van de rekening tot uitdrukking is gebracht.' met verwijzing naar HR 3 februari 1984, NJ 1984, 752 (Slis-Stroom); Rodenburg 2003, p. 174; Steneker 2004-I, p. 347. Op de (on)mogelijkheden van deze aangehaalde uitzondering, kwaliteits- of derdenrekeningen, wordt hieronder verder ingegaan.
Voor pandrechten kan hetzelfde principe worden geacht te gelden, ondanks het ontbreken van een uitdruldcelijke bepaling in de wet. Vgl. Steneker 2004, p. 352, die dit een opmerkelijk verschil tussen art. 3:246 lid 5 en 3:213 BW noemt.
Zie Snijders 1972, p. 177: 'Wil het girale geld inderdaad als geld kunnen functioneren, dan zal de vordering die door de overschrijving aan de schuldenaar wordt verschaft, een abstract karakter moeten dragen, zoals zij dat naar men algemeen aanneemt ook doet. Zij zal met name geabstraheerd moeten zijn van de rechtsverhouding tussen schuldeiser en schuldenaar in dier voege dat de giro-instelling geen beroep kan doen op de verweermiddelen die de schuldenaar jegens de schuldeiser aan die rechtsverhouding had kunnen ontlenen.'
Vgl. Van der Velden 2008, p. 125 die ten aanzien van girale effecten aangeeft dat daarbij de overwegingen uit HR 2 april 1976, NI 1976, 450 (Modehuis Nolly) met betrekking tot de helderheid van de gerechtigdheid een rol spelen en zo tot een vergelijkbare conclusie komt.
Zo ook Rank 1996, p. 97; Van Gaalen 2001, p. 103; Steneker 2004-I, p. 352; Wolfert 2007, p. 166. Anders Van der Velden 2008, p. 103. Vgl. voor oud recht Hammerstein 1977, p. 151 en 157.Ook wanneer zou worden aangenomen dat de vordering wel op naam van een ander kan staan, zijn de gevaren voor het voortbestaan van het vervangende recht overigens niet geweken. Het voortbestaan van het dan wél als vervangende vordering geldende goed is allesbehalve zeker, door de dreiging van verrekening op grond van art. 6:140 BW. Ook dan dient dus naar een alternatief te worden gezocht.
Anders: Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1340: '[…] deze betaling dient te ontvangen op of het betreffende bedrag alsnog dient over te brengen naar een afzonderlijke voor dergelijke betaling bestemde rekening' [cursief JBS]; Reehuis 1987, nr. 426: 'Dit betekent naar mijn mening niet dat het pandrecht geheel teniet is gegaan. Het blijft latent aanwezig en herleeft weer zodra de pandhouder, bijvoorbeeld op last van de pandgever, alsnog het geïnde overbrengt naar een afzonderlijke rekening'; Janssen 1992, p. 175; Steneker 2005, p. 61; Verdaas 2008, p. 246. Een uitzondering kan worden aangenomen voor bankrekeningen die worden geacht in het geheel belast te zijn met een vruchtgebruik. Hetgeen op een dergelijke rekening wordt ontvangen, komt vanwege de aard van deze rekening onder het vruchtgebruik te vallen. Van een herleven van een oorspronkelijk recht is dan echter geen sprake.
Zie ook Asser/Perrick 3-IV 2007, nr. 63: 'Wordt de vordering voldaan door overmaking naar een ten name van de gemeenschap staande rekening, dan zal zaaksvervanging plaatsvinden. Vindt overmaking plaats naar een rekening ten name van een deelgenoot, die daarbij niet als 'trustee' voor de gemeenschap optreedt, of wordt de vordering in contanten aan een deelgenoot betaald, dan vloeit dit geld in het vermogen van degene die het ontvangt en is daarna niet meer afgescheiden van de overige geldmiddelen van de ontvanger.'
Het probleem is in dit laatste geval in beginsel beperkt tot gevallen waarin de inning geen executie inhoudt en ook niet is overeengekomen dat bij inning de gezekerde vordering opeisbaar wordt en art. 3:255 BW van toepassing is. Zie Asser/Van Mierlo/Mijnssen/Van Velten 3-III, nr. 115; Rank-Berenschot 1997-II, p. 52; Steneker 2004-I, p. 348. Daarbij merkt Drinkhill (2009, p. 172) op dat pandhouders om aan bestaande problemen te ontkomen, in de praktijk in de pandakte afspreken dat, zodra een verpande vordering opeisbaar is, de vordering van de pandhouder opeisbaar zal zijn voor hetzelfde bedrag. Zo ook Rank-Berenschot 1997-I, p. 250.
Zie HR 3 februari 1984, NJ 1984, 752 (Slis-Stroom). Zie hierover naar Belgisch recht: Sagert 2003, p. 334-352 en 740-745.
Vgl. onder anderen Avezaat 2002, p. 31: 'een rekening die door de rekeninghouder in eigen name met vermelding van diens hoedanigheid als opdrachtnemer van de belanghebbende wordt geopend'. Met verwijzing naar HR 3 februari 1984, NJ 1984, 752 (Slis-Stroom); H.J. Snijders 2004, p. 301: 'een rekening die iemand op eigen naam maar in een bepaalde kwaliteit (bijvoorbeeld als advocaat of notaris) voor een ander houdt'; Steneker 2005, p. 1: 'Een kwaliteitsrekening is een door een tussenpersoon in eigen naam aangehouden bankrekening waarvan uit de tenaamstelling kenbaar is dat de tussenpersoon haar in hoedanigheid ('kwaliteit') aanhoudt ten behoeve van één of meer anderen (belanghebbenden)'; Wolfert 2007, nr. 9 en 40: 'Een bankrekening waarbij uit de tenaamstelling voortvloeit dat de rekeninghouder haar aanhoudt in een bijzondere hoedanigheid, ten behoeve van een ander'; Dirix/Vriesendorp 1998, p. v: 'hierbij staat de rekening formeel op naam van een natuurlijke of rechtspersoon; economische belanghebbende is echter een ander'.
Zie onder anderen ook Steneker 2004-I, p. 346; Janssen 2009, p. 11.
Zie bijvoorbeeld W. Snijders 1997, p. 102-103; Schoordijk 2003, p. 60-61; H.J. Snijders 2004, p. 301.
Zie HR 12 januari 2001, NJ 2002, 371, r.o. 3.3: 'Blijkens deze bepaling [art. 25 Wn, JBS] is de notaris lasthebber van de gerechtigden tegenover de kredietinstelling bij uitsluiting bevoegd tot het beheer en de beschikking over de bijzondere rekening. Rechthebbenden op het saldo van de bijzondere rekening zijn degenen ten behoeve van wie gelden op die rekening zijn bijgeschreven, onder de voorwaarden die in hun onderlinge verhouding nader gelden. Tussen deze rechthebbenden geldt met betrekking tot die gelden een gemeenschap als bedoeld in art. 3:166 lid 1 BW.'
Zie bijvoorbeeld Kortmann/Faber 1998, p. 137 (met uitgebreide verwijzingen naar voor- en tegenstanders); Asser/Kortmann 2-I, nr. 131; Steneker 2004-I, p. 301; Steneker 2005, p. 266; Wolfert 2007, p. 189 e.v.
Zie ook Steneker 2004-I, p. 349-350 en 353.
Zie ook Tweede Kamer 2001-2002, 22 775 en 23 706, nr. 21, p. 4; Asser/Mijnssen/De Haan 3-I 2006, nr. 479.
Zie Steneker 2004-I, p. 350 en 2005, p. 60. Vgl. Struycken 1997, p. 147. Anders: Wolfert 2007, p. 167 en 192.
In de voorstellen van Wolfert is deze vordering versterkt met een recht van girale bewaring (2007, p. 167-168) of met een pandrecht (2007, p. 191-192). Voorrang bij verhaal is echter een minder sterk middel om de rechthebbende te beschermen dan behoud van een beperkt recht door zaaksvervanging.
Zie HR 13 juni 2003, NJ 2004, 196 (ProCall), met name r.o. 3.3.4. Zie ook Steneker 2004-I, p. 346.
Zie ook Drinkhill 2009, p. 172.
Zie Tweede Kamer 2001-2002, 22 775 en 23 706, nr. 21 en hierover Steneker 2002. Zie later onder anderen H.J. Snijders 2004, p. 305; Van der Velden 2008, p. 112-113. Zie ook Steneker 2005, p. 253 e.v. en Wolfert 2007, nr. 132 e.v., die beiden met wetsvoorstellen komen. Kritisch over de laatste: Janssen 2009.
Zie Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1340.
Het door Struycken (2007, p. 542) gesignaleerde gevaar dat het erkennen van afgescheiden vermogens kan leiden tot een glijdende schaal van vermogensafscheiding, is hier dus niet aan de orde.
Vgl. Snijders /Rank-Berenschot 2007, nr. 208, waarin Snijders voor individualisering soms de opening van een kwaliteitsrekening nodig acht. Vgl. Sagaert 2003, p. 543, die spreekt van een afzonderlijke rekening van de debiteur.
Overigens geldt dit in beginsel ook bij een kwaliteitsrekening, al ziet de Hoge Raad hier een gevaar in, vgl. HR 13 juni 2003, NJ 2004, 196 (ProCall), met name r.o. 3.3.4. Zie hierover ook H.J. Snijders 2004, p. 301.
Zie ook Steneker 2005, p. 63 en 69. Zie ook Breederveld 2008, p. 198.
De tenaamstelling van een kwaliteitsrekening hoeft niet de belanghebbende te vermelden. Bij generale kwaliteitsrekeningen, die gebruikt worden voor het ontvangen van geld van een grote groep vaak bij opening van de rekening onbekende belanghebbenden, is dit de enige oplossing. Zie Wolfert 2007, nr. 40. Zie over de tenaamstelling van (kwaliteits)rekeningen ook H.J. Snijders 2004, p. 302.
Zie ook Wolfert 2007, p. 167-168 en 191-192. Vgl. Asser/Van Mierlo/Mijnssen/Van Velten 3-III, nr. 116, waar als voorbeeld van de tenaamstelling van een kwaliteitsrekening wordt gegeven: T. Jansen als pandhouder van P. Klaassen.' Dit lijkt mij echter ook een juiste aanduiding voor een gewone rekening ten behoeve van het hier besproken doel.
Zie HR 9 januari 1998, NJ 1999, 285 (MeesPierson/Ten Bos).
Zie JOR 1998/116. Dit laat volgens Kortmann onverlet dat de vruchtgebruiker de rekening in eigen naam kan hebben geopend en als contractuele wederpartij van de bank kan worden beschouwd.
Anders: Van der Velden 2008, p. 105.
Anders dan bij kwaliteitsrekeningen is deze verhouding niet gebaseerd op lastgeving in de zin van afdeling 7.7.2 BW (zie Steneker 2005, p. 211 e.v.) of op de wet (art. 25 Wn), maar op het beperkte recht zelf.
Volgens Wolfert 2007, nr. 163, werken banken aan dergelijke constructies mee. Volmachten en privatieve lastgeving zijn hierbij verder niet nodig, nu de verhoudingen tussen de betrokkenen reeds door het beperkte recht worden geregeld.
Zie Asser/Van Mierlo/Mijnssen/Van Velten nr. 116: 'Dit volgt uit art. 490b lid 2 Rv, dat verwijst naar art. 455 Rv.' Zie ook Rank-Berenschot 1997-I, p. 251. Vgl. Reehuis 1987, nr. 428.
Zie Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1341.
Vgl. art. 9 ABV 2009.
Bij vruchtgebruik kan deze verplichting niet worden gebaseerd op art. 3:211 lid 2 BW, nu dit ziet op soortgoederen en giraal geld een vordering op naam is. Zie ook Van Gaalen 2001, p. 257; Steneker 2004-I, p. 353.
Zie Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1340: 'Bedacht moet echter worden dat de pandhouder jegens de pandgever in beginsel verplicht is het geïnde […1 niet met zijn eigen vermogen te vermengen en zich aldus toe te eigenen.'
Zie ook Hammerstein 1977, p. 168; Steneker 2004-I, p. 352 en 354. Vgl. art. 3.6.8 voorontwerp lw, waar een uitdrukkelijke verplichting in de tekst ontbreekt, maar deze in de toelichting wel wordt geacht te bestaan.
212.
In het dagelijks leven vullen chartaal geld en giraal geld elkaar naadloos aan. Beide betaalmiddelen vervullen dezelfde rol, zo blijkt ook uit art. 6:114 BW.1 Juridisch is een strikt onderscheid echter noodzakelijk. Waar chartaal geld bestaat uit roerende zaken, bestaat giraal geld uit vorderingen tussen de rekeninghouder en de bank of financiële instelling waar de rekening wordt aangehouden.2 Daarbij is het op grond van de overeenkomst tussen rekeninghouder en bank mogelijk om het girale geld (bij een positief saldo de vordering op de bank) om te zetten in chartaal geld door dit op te nemen (te pinnen) of om dit te gebruiken om op girale wijze een schuld te voldoen.3 In het laatste geval geeft, zoals gezegd, de rekeninghouder de bank de opdracht om zijn rekening te debiteren en een rekening van de schuldeiser van de rekeninghouder te crediteren.4 De schuldeiser verkrijgt zo een vordering op zijn bank, althans voor zover zijn rekening geen negatief saldo bevat.5 Wanneer van een rekening met een positief saldo een bedrag wordt afgeboekt, voldoet de bank aan zijn opeisbare verplichting jegens de rekeninghouder, zodat op ieder moment alleen het saldo verschuldigd is.6 Hierbij wordt in de regel de oudste vordering van de rekeninghouder op de bank als eerste nagekomen.7
Girale betaling gaat dus bij de ontvanger gepaard met het verminderen en het verkrijgen van vorderingen op de bank. De vorderingen waaruit het banksaldo is opgebouwd, blijven daarbij als afzonderlijke vorderingen bestaan, in beginsel tot het moment dat zij als oudste vordering op de rekening door de bank worden voldaan of worden betrokken in de verrekening met een schuld van de rekeninghouder aan de bank.8 Voor zaaksvervanging betekent dit dat, wanneer een vordering op een bank wordt verkregen in verband met de nakoming van een vordering die als oorspronkelijk goed valt aan te merken, de vordering op de bank die hierdoor ontstaat als surrogaat kan worden aangemerkt.9 Hieraan is echter de voorwaarde verbonden dat de girale betaling leidt tot een positief saldo op de rekening.
Zaaksvervanging bij een negatief saldo is uitgesloten.10 Verkrijging van een vervangend recht veronderstelt de aanwezigheid van een vervangend goed. Bij een negatief saldo op een bankrekening is van een goed echter geen sprake. De rekeninghouder heeft dan slechts een schuld ten opzichte van de financiële instelling waar de rekening wordt aangehouden. Weliswaar is bij de ontvangst van 'giraal geld' sprake van een vermogensverschuiving en een verrijking van degene op wiens naam de rekening staat, maar dit is niet voldoende. Het ontvangene wordt immers van rechtswege direct verrekend met de schuld aan de bank. Voorzover geen vordering op de bank ontstaat, is slechts sprake van een lager negatief saldo, dus een kleinere schuld. Een schuld is geen goed en kan daarom niet als surrogaat bij zaaksvervanging fungeren. Uitgangspunt in het navolgende is daarom steeds dat de betrokken bankrekeningen geen negatief saldo vertonen.
213.
Zaaksvervanging en girale betaling lijken dus in beginsel met elkaar verenigbaar. Een nadere beschouwing brengt echter een probleem aan het licht. Op wiens naam komt de ontstane vordering namelijk te staan? Bij bankrekeningen geldt als uitgangspunt dat vorderingen samengevat in het positieve saldo op naam staan van de rekeninghouder.11 Dit betekent dat de vervangende vordering die deel wordt van het saldo, dus wordt geacht op naam van de rekeninghouder te staan. Een vruchtgebruiker die een met vruchtgebruik belaste vordering int door ontvangst van giraal geld op zijn eigen rekening-courant, wordt op grond van het stelsel van girale betaling geacht rechthebbende te worden van de bijgeschreven vordering. Dit is echter in strijd met de aanname van art. 3:213 BW, welk artikel ervan uitgaat dat de hoofdgerechtigde rechthebbende wordt en de vordering dus op zijn naam staat.12 Welke regel gaat hier voor?
De ontstane vordering kan in beginsel worden geacht door middel van zaaksvervanging op naam van de hoofdgerechtigde te komen staan. Dit leidt echter tot een gecompliceerde en voor de bank en derden niet kenbare situatie. Daarbij geldt dat de betreffende vordering deel wordt van een rechtsverhouding die uit diverse verplichtingen bestaat, een kenmerk dat de overige, onder 6.4 besproken vorderingen op naam veelal ontberen. Gezien het maatschappelijk belang dat is gediend met een ongestoord verloop van het girale betalingsverkeer en het feit dat de bank niet kan worden tegengeworpen wat uit de rechtsverhouding tussen de schuldenaar en schuldeiser van de giraal voldane vordering voortvloeit,13 moet mijns inziens worden aangenomen dat de tenaamstelling van de rekening voorgaat op het beginsel van zaaksvervanging dat deze tenaamstelling aanpast aan de omstandigheden, zoals beschreven in paragraaf 6.4. 14 Zaaksvervanging is daarom in het beschreven geval waarin een vruchtgebruiker geld int op zijn eigen rekening, naar mijn mening uitgesloten.15
Zoals in alle gevallen waarin een door zaaksvervanging te behouden recht tenietgaat, is dit definitief. Indien een vruchtgebruiker of deelgenoot geld op zijn eigen rekening heeft ontvangen en dit daarna overmaakt op een rekening die wel geschikt is om vervangende rechten te handhaven, zie hierna, kan dit in beginsel niet leiden tot het herleven van de oorspronkelijke rechten.16 Evenals bij registergoederen en roerende zaken is gesteld, kan hier echter naar mijn mening worden aangenomen dat het alsnog overmaken van het geïnde op een voor zaaksvervanging geschikte rekening leidt tot het tot stand komen van een nieuw recht door vestiging. De bepalingen van zaaksvervanging geven naar mijn mening indirect de hiervoor noodzakelijke titel, waardoor uiteindelijk een grotendeels met zaaksvervanging vergelijkbaar resultaat kan worden bereikt als de ontvanger beschikkingsbevoegd is.
214.
Het ontvangen van giraal geld op een gewone rekening-courant leidt dus tot een vordering op naam van de rekeninghouder op de bank. Om zaaksvervanging te laten optreden ten aanzien van giraal geld is het daarom van belang dat de tenaamstelling van de bankrekening de rechtsverhoudingen van de diverse betrokkenen, zoals die door zaaksvervanging moet worden voortgezet, weerspiegelt. Bij de toepassing van art. 3:167 BW en bij bijzondere gemeenschappen leidt dit tot weinig problemen, omdat alle gerechtigden in beginsel een gelijksoortige aanspraak op het geheel dienen te krijgen. De deelgenoten kunnen hiertoe een algemeen geaccepteerde en veelvuldig gebruikte 'en/of-rekening' openen.17
Bij het behoud van gedifferentieerde goederenrechtelijke bevoegdheden, zoals bij beperkte rechten, is dit echter geen oplossing, omdat geen medegerechtigdheid in de zin van art. 3:166 BW moet worden geconstrueerd. Dit probleem speelt met name bij de verhouding tussen de vruchtgebruiker en de hoofdgerechtigde (bij toepassing van art. 3:213 BW) en de verhoudingen tussen de openbare pandgever en pandhouder (bij toepassing van art. 3:246 lid 5 BW).18 Hier is het nodig dat een rekening bestaat waarbij de gerechtigdheid tot het saldo en de beheersbevoegdheid in verschillende handen liggen. De hoofdgerechtigde en de pandgever moeten immers rechthebbenden zijn, terwijl de vruchtgebruiker en de pandhouder de macht over het girale tegoed moeten uitoefenen. Een voorbeeld van een rekening met een verdeling van bevoegdheden is een zogenoemde kwaliteitsrekening, zoals bekend uit het arrest van de Hoge Raad in het faillissement van de notaris Slis-Stroom.19
Een kwaliteitsrekening kenmerkt zich doordat de persoon op wiens naam de rekening staat, niet dezelfde is als degene die het saldo in de economische verhouding toekomt. In de literatuur circuleren verschillende definities, die gemeen hebben dat een kwaliteitsrekening op naam staat van een derde of tussenpersoon, die in beginsel niet degene is die als belanghebbende een aanspraak heeft op de vorderingen waaruit het saldo van de rekening is opgebouwd.20 Daarbij tekent zich ten aanzien van de constructie die aan deze rekening ten grondslag ligt, een tweedeling af.21 Enerzijds is er een stroming die de belanghebbende als rechthebbende op de vorderingen op de bank aanmerkt.22 Deze benadering wordt ondersteund door art. 25 Wn en de uitspraak van de Hoge Raad in het arrest Koren q.q./Tekstra q.q.23 Anderzijds wordt betoogd dat de kwaliteitsrekening op het punt van de gerechtigde tot de vorderingen samengevat in het saldo niet afwijkt van een gewone rekening en dat de tussenpersoon dus de rechthebbende is. De kwaliteitsrekening wordt hier echter geacht een van het overige vermogen van de tussenpersoon afgescheiden vermogen te vormen, waarop de belanghebbenden zich met uitsluiting van de overige schuldeisers van de tussenpersoon kunnen verhalen.24
Bij beide benaderingen van de kwaliteitsrekening lijkt het ontvangen van girale betaling in het kader van zaaksvervanging een oplossing te bieden.25 Ten aanzien van de eerste benadering, die het heersende recht weergeeft, is dit zeker juist. De vruchtgebruiker of de pandhouder moet dan een kwaliteitsrekening openen en hierop het geïnde ontvangen, terwijl de hoofdgerechtigde of de pandgever als belanghebbende is aan te merken.
In de eerste visie wordt de pandgever of de hoofdgerechtigde dan automatisch rechthebbende tot de vordering en krijgt de rekeninghouder het hem toekomende beperkte recht.26 In de tweede visie wordt de pandhouder of de vruchtgebruiker rechthebbende. Doordat het geïnde echter een van het overige vermogen van de ontvanger afgescheiden deel vormt, is het mogelijk dat hierop een beperkt recht ontstaat. In het afgescheiden vermogen zit het moederrecht, terwijl het beperkte recht in het eigen vermogen komt. Van vermenging in de zin van art. 3:81 lid 2 onder e BW is geen sprake.27 De posities van de vruchtgebruiker en de pandhouder zijn daarmee gehandhaafd, maar voor de hoofdgerechtigde en de pandgever is dit geen oplossing. Zij hebben 'slechts' een vordering op het ontstane afgescheiden vermogen, al is het risico van insolventie van de rekeninghouder door de vermogensafscheiding beperkt.28 Van zaaksvervanging ten aanzien van de pandgever of de hoofdgerechtigde is echter geen sprake, nu zij niet de rechthebbenden worden van de vordering op de bank. Met name bij vruchtgebruik, waar art. 3:213 BW ter bescherming van de hoofdgerechtigde is opgenomen, is dit betreurenswaardig. Waar deze alternatieve invulling van de kwaliteitsrekening dus wenslijk is in veel van de beoogde toepassingsgevallen, geldt dit niet voor de eventuele toepassing bij zaaksvervanging.
Ook in een ander opzicht passen kwaliteitsrekeningen minder goed bij zaaksvervanging. Alle erkende derdenrekeningen en vrijwel alle gevallen waarin het openen van een dergelijke rekening wenselijk kan zijn, kenmerken zich door een fiduciaire verhouding tussen de belanghebbenden en de rekeninghouder. De tussenpersoon wordt geacht de macht ten behoeve van de belanghebbenden en met hun belang voor ogen uit te oefenen. Bij zaaksvervanging is van een dergelijke verhouding geen sprake. De pandhouder en de vruchtgebruiker mogen de macht die zij uitoefenen over goederen van de pandgever en de hoofdgerechtigde, binnen de grenzen van hun beperkte recht en de redelijkheid, in hun eigen belang inzetten.
Er is echter een fundamentele reden waarom de kwaliteitsrekening niet als oplossing kan dienen voor zaaksvervanging ten aanzien van girale tegoeden. De 'gemiddelde' vruchtgebruiker en pandhouder, die niet (toevallig) tevens notaris, deurwaarder, advocaat of accountant is, kan vermoedelijk op grond van het ProCall-arrest geen kwaliteitsrekening aanhouden.29 In dit arrest overweegt de Hoge Raad namelijk dat terughoudendheid dient te worden betracht met de mogelijkheid van het openen van kwaliteitsrekeningen, gezien de rechtszekerheid en de belangen van het financieringsverkeer. Daarbij verwijst hij naar de wetgever, die bij invoering van art. 25 Wn en art. 19 Gerechtsdeurwaarderswet heeft benadrukt, dat goede gronden vereist zijn om een dergelijke rekening toe te laten. In het geval van de notaris en de gerechtsdeurwaarder kunnen die worden gevonden in 'de bescherming van het publiek, dat erop mag vertrouwen en ook daadwerkelijk pleegt te vertrouwen dat zij als degenen wier wettelijke taak in vele gevallen meebrengt dat hun door derden gelden worden toevertrouwd, deze gelden afgescheiden houden van hun eigen vermogen'. Voor een vruchtgebruiker of pandhouder is het moeilijk een vergelijkbare goede reden te bedenken.30 Zonder dat een algemene wettelijke regeling wordt opgenomen met betrekking tot kwaliteitsrekeningen, zoals in de literatuur veelvuldig is bepleit,31 kan daarom naar huidig recht de kwaliteitsrekening geen uitkomst bieden bij zaaksvervanging ten aanzien van girale tegoeden.
215.
De door de wetgever bij de invoering van art. 3:246 lid 5 BW als voorbeeld aangegeven weg van de kwaliteitsrekening is dus niet ideaal en voorlopig geblokkeerd.32 Toch kan daaraan mijns inziens niet de conclusie worden verbonden dat zaaksvervanging is uitgesloten bij girale betaling. De wetgever noemt de kwaliteitsrekening slechts als voorbeeld, dus kunnen ook andere wegen worden bewandeld. Daarbij is het van belang de essentie van de te bereiken rechtsverhouding goed voor ogen te houden. Om een vervangend beperkt recht op een girale vordering aan te kunnen nemen, moet de vruchtgebruiker of de pandhouder de macht over de vordering op de financiële instelling hebben, terwijl de hoofdgerechtigde of de pandgever de rechthebbende moet zijn. Dit laatste betekent dat de vordering, en gezien het voorgaande dus ook de rekening waarvan die vordering een onderdeel is, op naam van de laatste moet staan. Vermogensafscheiding, zoals in verband wordt gebracht met de kwaliteitsrekening, is daarbij niet nodig.33 Giraal geld waarop een vervangend beperkt recht rust kan een niet afgescheiden, maar identificeerbaar onderdeel zijn van het vermogen van de hoofdgerechtigde.34 Het beperkte recht zorgt zelf voor een correcte verhouding van de beperkt gerechtigde ten opzichte van de (overige) schuldeisers van de rechthebbende, zodat het beginsel neergelegd in art. 3:276 BW niet in gevaar komt.35
De voor zaaksvervanging ten aanzien van giraal geld noodzakelijke bankrekening hoeft niet tot enige vorm van afgescheiden vermogen te leiden en enige trustachtige verhouding ontbreekt. Voorkomen moet echter worden dat het geïnde in de macht van de pandgever of de hoofdgerechtigde komt, of dat de tenaamstelling van de vordering roet in het eten gooit. Om aan deze eisen tegemoet te komen, kan naar mijn mening worden volstaan met het openen van een gewone, maar afzonderlijke bankrekening die op naam van de hoofdgerechtigde of pandgever is gesteld en waarover de vruchtgebruiker of de pandhouder de beschikkingsmacht heeft.36 De tenaamstelling moet dus niet luiden 'pandhouder ten behoeve van pandgever' of 'pandhouder inzake zekerheidsrechten',37 zoals bij een kwaliteitsrekening het geval zou kunnen zijn, maar 'pandgever, ter beschikking van pandhouder'.38
Anders dan bij kwaliteitsrekeningen die ook ten behoeve van toekomstige belanghebbenden kunnen worden geopend, is bij de onderhavige rekeningen steeds vooraf bekend wie welke belangen heeft. Deze betrokkenen dienen in beginsel met naam te worden genoemd. Het noemen van de hoofdgerechtigde is daarbij belangrijker dan het noemen van de beperkt gerechtigde. In de zaak MeesPierson tegen Ten Bos c.s. was een beleggingsrekening op naam van de Erven J.H. Ten Bos gesteld en worden later de hoofdgerechtigden met naam genoemd.39 Hoewel in het arrest omstreden blijft wie rekeninghouder is, wijst zowel A-G De Vries Lentsch-Kostense in haar conclusie onder 8, als Kortmann in zijn JOR-noot onder dit arrest op de tenaamstelling ten gunste van de hoofdgerechtigden of blooteigenaren.40 Mijns inziens vallen de hoofdgerechtigden hier als rekeninghouders aan te merken.41
Het geïnde kan op deze wijze in het vermogen van de hoofdgerechtigde vloeien, terwijl het identificeerbaar blijft en de beperkt gerechtigde hierover de beschikkingsmacht krijgt.42 Het uitzonderlijke van een dergelijke 'identificatie-rekening' is dat degene op wiens naam zij gesteld is, niet tevens de macht hierover kan uitoefenen. Bij een rekening van een minderjarige is dit echter niet anders en van enige vorm van ongeoorloofde fiduciaire overdracht (vgl. art. 3:84 lid 3 BW) is geen sprake. Zolang de verhouding uit de tenaamstelling blijkt en de bank deze juist administreert, brengt deze invulling van een gewone bankrekening de door de Hoge Raad aangehaalde rechtszekerheid en de belangen van het financieringsverkeer niet in gevaar.
Het openen van een dergelijke rekening is daarbij het eenvoudigst als pandgever en pandhouder dan wel hoofdgerechtigde en vruchtgebruiker zich gezamenlijk tot de door hen uitgekozen bank wenden.43 Als de pandhouder zelf een bank is, kan deze de rekening bij zichzelf aanhouden,44 maar wordt vermogensafscheiding door de wetgever onnodig geacht.45 Eventueel kan de pandhouder en vruchtgebruiker als vertegenwoordiger van de pandgever of de hoofdgerechtigde optreden bij het openen van de rekening op grond van de tussen hen bestaande rechtsverhouding.46 Dit bemoeilijkt echter de identificatie van de rekeninghouder door de bank, zoals vereist op grond van art. 3 lid 1 en lid 2 aanhef en onder a en c jo art. 11 Wwft.
216.
Wat rest is de vraag of de pandhouder, de vruchtgebruiker en deelgenoten in een gemeenschap ook verplicht zijn het geïnde op een daarvoor geschikte rekening, dat wil zeggen een rekening waarvan de tenaamstelling de te behouden verhoudingen weerspiegelt, te ontvangen. Van een uitdrukkelijke verplichting hiertoe is in geen van genoemde gevallen sprake.47 Gezien de opzet van de wettelijke regeling, de parlementaire behandeling48 en de bevoegdheidsverdeling tussen de diverse gerechtigde die hieraan ten grondslag ligt, is het echter aannemelijk dat de rechtsverhouding waarin betrokkenen zich bevinden hen verplicht tot het giraal innen van vorderingen op naam op een hiervoor geschikte rekening.49 Een wettelijke regeling is echter wenselijk.50