Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/11.7.4
11.7.4 Leveringsvoorwaarden
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258601:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
Conclusie 32 van de Douane Expertgroep (afdeling douanewaarde) betreffende de behandeling van vervoerskosten in specifieke omstandigheden (betekenis van zogenoemde “kick-back incentives”).
Verzoekschrift prejudiciële beslissing 13 februari 2020, nr. C-75/20 („Lifosa” AB tegen Muitinės departamentas prie Lietuvos Respublikos finansų ministerijos).
Conclusie 7 van de Douane Expertgroep (afdeling douanewaarde) betreffende luchtvrachtkosten bij invoer zonder handelskarakter.
Deze situatie verschilt van de casus zoals geschetst in Commentaar 12 waarin de feitelijke vervoerskosten wel dergelijk in de verkoopprijs zijn begrepen en de verkoopprijs ook niet overstijgen. In Commentaar 12 worden goederen verkocht voor een prijs van 40.000 EUR onder leveringsconditie CIF of FOB. De kosten van het zeevervoer tot de Europese Unie bedragen 1.000 EUR en zijn in de werkelijk betaalde of te betalen prijs inbegrepen bij een CIF-levering en moeten daaraan worden toegevoegd bij een FOB-levering. In het leveringscontract is opgenomen dat de verkoper zorg moet dragen voor tijdige aflevering van de goederen. Dat kan betekenen dat de goederen per luchtvervoer in plaats van per schip worden vervoerd. De meerkosten om de goederen per luchtvracht in plaats van per schip te vervoeren komen voor rekening van de verkoper. Indien de luchtvrachtkosten 2.000 EUR bedragen werkt dat als volgt uit. Bij een CIF-levering worden kosten geacht in de werkelijk betaalde of te betalen prijs te zijn begrepen. De aan te geven douanewaarde blijft derhalve 40.000 EUR met dien verstande dat daarvan 2.000 EUR vermenigvuldigd met het luchtvrachtpercentage zoals opgenomen in Bijlage 23-01 UDWU vanaf mag worden getrokken voor het vervoer binnen de Europese Unie (onderdeel 11.7.6.2). Als de verkoper de meerkosten ook voor zijn rekening neemt onder een FOB-levering, is feitelijk sprake van een CIF-levering en wordt de douanewaarde vastgesteld overeenkomstig de wijze zoals hiervoor genoemd. Commentaar 12 van de Douane Expertgroep (afdeling douanewaarde) betreffende de behandeling van transportkosten (zee- en luchtvracht).
In het internationaal goederenverkeer wordt voor de vormgeving van de leveringsvoorwaarden veelal aangesloten bij de standaarden die de Internationale Kamer van Koophandel heeft samengesteld en die bekend staan onder de naam Incoterms. De Incoterms bepalen ten aanzien van (internationale) overeenkomsten de verdeling van kosten, risico’s en verplichtingen tussen koper en verkoper op het gebied van vervoer, de verzekeringen, vergunningen en douaneformaliteiten. De standaarden worden elke tien jaar geüpdatet en de laatste editie betreft de Incoterms® 2020. De Incoterms zijn niet vastgesteld in een wet of verdrag en het staat partijen derhalve vrij om de Incoterms te gebruiken in hun internationale overeenkomsten.
In de Europese Unie wordt voor het bepalen van de douanewaarde aangesloten bij de CIF-waarde. Dat betekent dat alle vervoer- en verzekeringskosten tot aan het douanegebied van de Europese Unie door de verkoper worden gedragen en derhalve wordt verondersteld dat deze kosten in de transactieprijs van de ingevoerde goederen zijn begrepen. Er hoeven derhalve geen vervoer- of verzekeringskosten separaat in aanmerking te worden genomen voor het bepalen van de douanewaarde noch mogen vervoer- en verzekeringskosten in aftrek worden gebracht. De leveringsvoorwaarden die ten grondslag liggen aan de verkoopovereenkomst tussen verkoper en koper sluit niet altijd aan bij de CIF-waarde van de ingevoerde goederen. Indien andere leveringsvoorwaarden worden afgesproken, vormt dit een aanwijzing dat de werkelijk betaalde of te betalen prijs moet worden verhoogd met de kosten van vervoer of dat bepaalde kosten van vervoer niet in de douanewaarde hoeven te worden begrepen. In figuur 11.7 is weergegeven welke partij zorgdraagt voor het vervoer en voor wiens rekening de vervoer – en verzekeringskosten per Incoterm komen.
Bij een zuivere toepassing van Incoterms EXW, FCA, FAS en FOB draagt de koper (ten dele) de kosten van het vervoer tot aan het douanegebied van de Europese Unie. Deze kosten zullen in dat geval niet (volledig) in de werkelijk betaalde of te betalen prijs zijn begrepen en moeten daar apart aan worden toegevoegd. Bij een CFR-levering moeten de verzekeringskosten nog ten dele worden bijgeteld, afhankelijk van het moment dat de goederen aan de eerste vervoerder worden overgedragen. Of er vervoerskosten bijgeteld moeten worden, hangt af of de genoemde bestemming voor of na het moment van fysieke aankomst van de goederen in het douanegebied van de Europese Unie is gelegen. Bij een zuivere CIF-levering hoeven er geen additionele kosten van vervoer in aanmerking te worden genomen of in aftrek te worden gebracht. Indien partijen een CIF-levering overeenkomen, maar de koper desondanks, separaat van de afgesproken prijs, kosten krijgt aangerekend voor het vervoer tot de plaats van binnenkomst van de goederen in het douanegebied van de Europese Unie, moeten deze bij de werkelijk betaalde of te betalen prijs worden opgeteld voor de vaststelling van de douanewaarde. De naamgeving van de separaat in rekening gebrachte kosten doet in dat kader niet ter zake (in de praktijk worden dit soort kosten onder diverse namen in rekening gebracht waaronder THC surcharge, ISPS surcharge, Eco tax, Surcharge, Transfer fees, Incentive Refund, LCL Services Charge, Handling Fee, Refund Delivery Order, Agency, Discharging, Refund or Far East Import Surcharge).1 Bij de zuivere toepassing van de Incoterms CPT, CIP, DPU, DAP en DDP draagt de verkoper (ten dele) de kosten van vervoer na aankomst in het douanegebied van de Europese Unie. Deze kosten worden niet in de douanewaarde begrepen. Op de verdeling en bewijsvoering van kosten van vervoer wordt nader ingegaan in onderdeel 11.7.6.
Figuur 11.7 Incoterms® 2020
De situatie kan zich voordoen dat de vervoerskosten tot aan het douanegebied van de Europese Unie, gelet op de afgesproken leveringsvoorwaarden, voor rekening komen van de verkoper. Om hem moverende redenen, kan hij besluiten om slechts een deel van de vervoerskosten door te belasten. Dit is bijvoorbeeld het geval in de lopende zaak „Lifosa” AB tegen Muitinės departamentas prie Lietuvos Respublikos finansų ministerijos.2 Naftan OAO, een in Wit-Rusland gevestigde onderneming, verkoopt verscheidene hoeveelheden technisch zwavelzuur aan Lifosa AB, een in Litouwen gevestigde onderneming die onder meer meststoffen produceert. Dit bijproduct kan Naftan OAO niet verwerken of opslaan en de terugwinning zou zeer hoge kosten met zich brengen. De aan Lifosa AB berekende prijs dekt niet de daadwerkelijke vervoerskosten, maar, zo volgt uit de verwijzingsbeschikking, is wel redelijk en economisch rendabel voor Naftan OAO, omdat de kosten die gemoeid gaan bij de terugwinning – en dan met name de opgelegde milieubelasting – hoger is dan de aangegeven douanewaarde en de vervoerskosten. Hoewel de transactiewaarde berust op een subjectieve waarde benadering, inhoudende dat in beginsel wordt gekeken naar wat partijen onderling afspreken, geldt naar mijn mening ten aanzien van vervoerskosten een objectieve waarde benadering. Er moet met andere woorden worden aangesloten bij de daadwerkelijk gemaakte vervoerskosten. Hierbij kan ook een parallel worden getrokken naar de situatie dat de goederen kosteloos naar de koper worden vervoerd. Ook in dat geval zullen de vervoerskosten, ten bedrage van de vrachttarieven die gewoonlijk gelden voor dezelfde vervoerswijzen, in aanmerking worden genomen ex artikel 138, lid 4, UDWU. Ook indien gesteld wordt dat het technisch zwavelzuur elk handelskarakter ontbeert zullen de daadwerkelijke vervoerskosten in aanmerking genomen moeten worden, waarmee de conclusie dat de daadwerkelijke in plaats van enkel de doorbelaste vervoerskosten in aanmerking genomen moeten worden voor het vaststellen van de douanewaarde gesterkt wordt.3 Indien het Hof van Justitie dezelfde route bewandeld, leert deze zaak dat leveringsvoorwaarden, zoals bijvoorbeeld uitgedrukt in Incoterms, een aanwijzing vormen of de vervoerskosten reeds in de werkelijk betaalde of te betalen prijs zijn begrepen of daar aan moeten worden toegevoegd, echter, dat altijd ook naar de onderliggende stukken gekeken moet worden of de vervoerskosten ook de daadwerkelijk gemaakte vervoerskosten beslaan.4