Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/4.5.3.1
4.5.3.1 Respecteren van de rangorde is uitgangspunt
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192818:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Voor een uitvoerige uiteenzetting van de achtergrond van dit beginsel zie: Verstijlen 2006.
Art. 3:276 BW.
Pitlo/Reehuis en Heisterkamp 2019, nr. 737.
Van der Feltz I, p. 336; Verstijlen 2006, p. 1167; Polak & Pannevis 2017, §2.1.
Verstijlen 2006, p. 1164.
Vgl. bijv. art. 480-483 Rv.
Verstijlen 2006, p. 1165.
Vgl. HR 22 mei 1931, NJ 1931, p. 1429 m.nt. Meijers (Van den Bel/Bergers); Verstijlen 2006, p. 1164-1165; HR 12 april 2019, JOR 2019/123 m.nt. Tekstra, ro. 3.5.1.
Verstijlen 2006, p. 1166.
Baird 1986, p. 127; Baird 2014, p. 59; Baird 2017a, p. 792 (“The restructuring is a day of reckoning. All future possibilities are collapsed to the present.”). Bij deze gedachte worden in de literatuur evenwel ook vraagtekens gezet. Madaus meent dat het akkoord niet moet worden gezien als een “day of reckoning”, omdat dit tot oneerlijke uitkomsten zou leiden. Een dergelijk systeem zou waarde zou ontnemen aan junior crediteuren. Senior crediteuren krijgen in een dergelijk systeem namelijk niet alleen de liquidatiewaarde, maar ook een zekere aanspraak op de in de toekomst door de onderneming te genereren waarde. Zie Madaus 2018, p. 622. Zie voor opmerkingen van gelijke strekking en een voorstel om een wettelijk optierecht in de Nederlandse pre-insolventieakkoordregeling te introduceren: Jonkers & Van Moorsel 2019, §6. Paterson merkt over het gevolg van een debt for equity swap op: “If there is a day of reckoning at all, it is a day of interim and not final judgement. This is the real question for policy makers in England and the US: whether modern restructuring law and practice enables senior financial creditors to capture value which junior financial creditors and shareholders argue should have accrued to them—and, crucially, if it does, whether we should be concerned about it.” Paterson 2016, p. 718. Door Baird is gepleit voor een relative priority rule die erop neerkomt de ‘day of reckoning’ gedurende een bepaalde periode uit te stellen, terwijl in de tussentijd de rangorde wordt gefixeerd. Zie verder over deze voorstellen: nr. 565. Op deze plaats zij reeds opgemerkt dat dit Amerikaanse voorstel voor ‘relative priority’ diametraal tegenover de Europese relative priority rule staat, zie daarover §4.5.3.3 en §9.6.4.
Verstijlen 1998, p. 69.
Vgl. Verstijlen in zijn annotatie bij HR 24 maart 2017 (Mondia/V&D) in NJ 2017/466; Karapetian 2019, p. 352-353.
Verstijlen 1999, p. 302; Verstijlen 2006, p. 1169-1171; Karapetian 2019, p. 290-291
Verstijlen schrijft: “Het recht kent dus tal van instrumenten die de gelijkheid van schuldeisers moeten bewaren. Men dient deze te onderscheiden van de paritas creditorum uit art. 3:277 BW. Het is niet zozeer de gelijkgerechtigdheid uit dat artikel die wordt bewaard, als wel de rangorde als zodanig, inclusief een eventuele voorrang van een bevoorrechte schuldeiser.” Verstijlen 2006, p. 1170.
Vgl. Van der Feltz I, p. 449 over de strekking van art. 47 Fw: “De schuldeischer, die niet bloot een faillissement ducht, maar de zekerheid heeft verkregen dat daartoe aanvrage is gedaan, mag gezegd worden in strijd te handelen met de goede trouw door hem ook jegens zijne mede-schuldeischers in acht te nemen, wanneer hij onder die omstandigheden nog betaling van zijn schuldenaar vraagt en aanneemt, en zich op die wijze aan den concursus onttrekt.” Over de precieze rechtsgrondslag van de actio pauliana wordt getwist. Zie daarover en met verdere verwijzingen Karapetian 2019, p. 316-318; Van den Sigtenhorst & Winters 2017, p. 327-331.
Schuijling 2019/44; HR 30 janari 1953, NJ 1953/578 m.nt. Houwing (Doyer & Kalff); HR 23 november 2018, NJ 2019/343 m.nt. Snijders; JOR 2019/27 m.nt. Schuijling (Schepel en Miedema q.q./Rabobank). In ro. 3.4.4 overweegt de Hoge Raad: “Het voorkomen van een ongerechtvaardigde bevoordeling boven andere schuldeisers is bij overneming van een schuld dezelfde als bij overneming van een vordering: het voorkomen van een ongerechtvaardigde bevoordeling boven andere schuldeisers”.
Verstijlen 1998, p. 69; Snijders onderschrijft deze visie van Verstijlen in Snijders 2003, p. 276-278. Snijders wordt op zijn beurt geciteerd door A-G Timmerman in 3.4 van zijn conclusie voor HR 21 juni 2013, NJ 2014/272 m.nt. Snijders; JOR 2013/320 m.nt. Schuijling (Eringa q.q./ABN Amro). Ook Valk spreekt van “de eisen van redelijkheid en billijkheid die de verhouding tussen de medeschuldeisers in geval van een dreigende insolventie van de schuldenaar mede beheersen” in zijn conclusie voor HR 23 november 2018, NJ 2019/343 m.nt. Snijders; JOR 2019/27 m.nt. Schuijling (Schepel en Miedema q.q./Rabobank). Valk gaat in 2.7 van zijn conclusie voor deze zaak uit van een nevenschikking: “Kort gezegd, de algemene praktijk dat betaling giraal plaatsvindt noopt tot een extensieve uitleg van art. 54 lid 1 Fw, ter voorkoming van een uitzonderingspositie voor banken. Dat een dergelijke uitzonderingspositie inderdaad behoort te worden voorkomen, vloeit niet alleen voort uit het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers, maar ook uit de eisen van redelijkheid en billijkheid zoals die in geval van een dreigende insolventie de verhouding tussen de diverse schuldeisers mede beheersen.” (onderstreping AM).
Karapetian 2019, p. 362-363; Rijckenberg 2008; Huizink 2002.
Karapetian 2019, p. 363.
Zie uitgebreid over deze (in 2016 herziene) bepaling: Karapetian 2019, hoofdstuk 7.
Verstijlen schrijft in zijn annotatie bij het V&D-arrest ten aanzien van een ‘buitengerechtelijk akkoord’ (de onderhandse akkoorden zoals besproken in §3.3.2 en 3.3.3): “Ook bij een buitengerechtelijk akkoord komt de paritas creditorum gewicht toe. Er is dan wel geen sprake van verhaal, maar wel worden in verband met een (naderende) insolventie tekorten over de schuldeisers verdeeld”. Zie NJ 2017/466. Zie over de rangorde bij verdeling in een insolventieakkoord: Verstijlen 2008, p. 142 (“Waarom geven we de rechter niet simpelweg de bevoegdheid een akkoord vast stellen, mits dit de onderlinge rangorde tussen schuldeisers in acht neemt en leidt tot een uitkering die ten minste gelijk is aan die zonder akkoord?”).
Zie nr. 65 en 69.
Zie daarover bijvoorbeeld Schuijling 2016, §2.5; Kortmann 2017; Mennens 2013.
Vgl. art. 2:105 en 2:216 BW.
Zie voor een bespreking van de beperkingen aan dividenduitkeringen Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa/180-216; Barneveld 2014, hoofdstuk 17.
Art. 2:19 lid 1 sub c BW bepaalt dat een rechtspersoon na het uitspreken van het faillissement wordt ontbonden wanneer het faillissement wordt opgeheven vanwege de toestand van de boedel of wanneer de staat van insolventie intreedt. Wanneer een faillissementsakkoord tot stand komt, treedt de staat van insolventie niet in, zo volgt uit art. 173 lid 1 Fw. Op grond van art. 161 Fw eindigt het faillissement zodra het vonnis van homologatie in kracht van gewijsde is gegaan. In dat geval volgt er dus geen ontbinding.
Moulen Janssen 2018b, p. 1002
Dortmond 2013, nr. 161: “Het kapitaal is weliswaar geen verbintenis van de vennootschap in de gebruikelijke betekenis, het is daarom niet minder schuld. Deze schuld is van eigen aard. Zij wordt beheerst door de regels van de vennootschap. Tijdens de duur van de vennootschap moet zij, zolang niet opgeheven, onvereffend blijven. Zij is niet gewone schuld van de vennootschap, doch schuld uit hoofde van vennootschap, vennootschappelijke schuld. Kapitaal is onlosbare vennootschappelijke schuld. Het kapitaal is een passief van de vennootschap.”
Hoff 2009, p. 22.
Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa/98.
Van de Korst 2014, p. 83.
Aldus Faber en Vermunt in hun annotatie onder het Boele I arrest: HR 28 november 2014, NJ 2015/123 m.nt. Van Schilfgaarde; JOR 2015/58 m.nt. Faber en Vermunt (Boele I); Schuijling 2016, §3.4.4.2; Soedira 2011, p. 199; Pannevis 2019a, nr. 61-62.
Moulen Janssen 2018b, p. 1002-1003; Hummelen 2014, §3.1.1; Hummelen 2015, p. 20-21.
Zie over drie mogelijke opvattingen over de positie van de aandeelhouder bij een herstructurering Madaus 2012, p. 79-91. Madaus meent dat de in deze paragraaf verdedigde opvatting dat de aandeelhouder structureel achteraan in de rij zou moeten staan, niet moet worden toegepast bij herstructureringen. Hij stelt dat de economische benadering, het feit dat de aandeelhouder ‘out of the money’ is, niet rechtvaardigt dat hij zijn belang verliest. De aandeelhouder beschikt immers ook over zeggenschapsrechten. Bovendien meent hij dat de onderneming niet ‘fictief verkocht’ kan worden aan de vermogensverschaffers zonder instemming van de schuldenaar. Daardoor is de beslissing om de onderneming aan de vermogensverschaffers te verkopen door middel van een akkoord een gezamenlijke beslissing van de aandeelhouders en de crediteuren. De meerwaarde van het akkoord kan dus alleen door samenwerking worden gerealiseerd. Daarom is het niet gerechtvaardigd deze meerwaarde uitsluitend aan de crediteuren toe te kennen. De aandeelhouders en crediteuren kunnen onderhandelen over de verdeling van deze meerwaarde en zouden daarbij niet gebonden moeten zijn aan ‘absolute priority’, aldus Madaus.
De huidige regeling van het surseance- en faillissementsakkoord is niet in lijn met dit uitgangspunt. De regeling waarborgt wel dat het akkoord niet mag worden gehomologeerd wanneer de akkoordsom aanmerkelijk lager is dan de baten van de boedel (vgl. art. 153 lid 2 sub 1 en 272 lid 2 sub 1 Fw, besproken in nr. 64 en 68. Hoewel onduidelijk is hoeveel speelruimte het woord ‘aanmerkelijk’ de rechter biedt, zorgen deze weigeringsgronden ervoor dat er op het moment van de totstandkoming van het akkoord niet te veel waarde weglekt naar de aandeelhouders. Deze regeling verhindert echter niet dat de aandeelhouders in de toekomst profiteren van toekomstige waardestijgingen. Na de totstandkoming van deze akkoorden wordt de vennootschap immers niet geliquideerd, waardoor de aandeelhouders hun aandelenbelang behouden. Zij kunnen dus profiteren van de mogelijke ‘upside’ die na de sanering mogelijk wordt gerealiseerd. Zie hierover Moulen Janssen 2018b, p. 1003; Hummelen 2014, §3.1.2; Soedira 2011, §6.9.
HR 21 december 2009, NJ 2010/273 m.nt Van Schilfgaarde; JOR 2011/19 m.nt. Faber (ABN Amro/Van Dooren III); HR 7 april 2017, NJ 2017/177; JOR 2017/213 m.nt. Bergervoet (Jongepier q.q./Drieakker); Lennarts 2018b, p. 12-14.
Karapetian 2019, §8.3.3.
In de literatuur zijn daartoe belangwekkende en bewonderenswaardige pogingen gedaan. Pannevis betoogt dat het probleem omtrent de ‘wetenschap van benadeling’ kan worden opgelost middels een rationele benadering aan de hand van ‘verhaalsverwachtingen’, zie Pannevis 2017. Van der Weijden bepleit een benadering van waarin alle omstandigheden van het geval een rol spelen in de beoordeling van de betamelijkheid van het gedrag van de bij de rechtshandeling betrokken partijen: Van der Weijden 2017. Wibier stelt dat de in ABN Amro/Van Dooren III geformuleerde maatstaf goed bruikbaar is. Hij meent dat voor betrokken financiers strengere eisen gelden dan voor derden. Karapetian pleit voor een geïntegreerde benadering voor de beoordeling van de (on)rechtmatigheid van de bevoordeling van schuldeisers door bestuurders in het kader van een reddingspoging. Zij stelt voor het “nemen van een onaanvaardbaar risico” als norm te hanteren. Zie Karapetian 2019, §8.5. Verder voorziet de WHOA in de invoering van art. 42a Fw en een aanvulling van art. 47 Fw. Deze op interim financiering gerichte ‘flankerende voorzieningen’ vallen buiten bestek van het onderzoek, vgl. §1.7.
130. Het beginsel van de paritas creditorum is stevig verankerd in het Nederlandse vermogens- en insolventierecht.1 Schuldeisers kunnen hun vorderingen op alle goederen van de schuldenaar verhalen.2 Schuldeisers hebben onderling een gelijk recht om naar evenredigheid van hun vordering uit de netto-opbrengst van de goederen van de schuldenaar te worden voldaan, zo volgt uit art. 3:277 lid 1 BW. Het slot van dit artikellid formuleert een belangrijke uitzondering op dit beginsel. De gelijkheid gaat niet op voor schuldeisers met door de wet erkende redenen van voorrang. Voorrang kan volgens art. 3:278 lid 1 BW voortvloeien uit pand, hypotheek, voorrecht en de andere in de wet aangegeven gronden. Daarnaast kan de gelijkheid doorbroken worden door een achterstelling.3 Als gevolg van door de wetgever gecreëerde preferenties bestaat er in geval van concursus een rangorde tussen de crediteuren van een schuldenaar.
De paritas creditorum heeft op het eerste gezicht een beperkte reikwijdte. Slechts indien sprake is van een concursus van schuldeisers, speelt het beginsel een rol. Er is sprake van concursus wanneer verschillende schuldeisers zich tegelijkertijd op hetzelfde goed (proberen te) verhalen, terwijl de opbrengst niet volstaat om deze schuldeisers te voldoen.4 In het faillissement is vanwege het collectieve karakter van de procedure per definitie sprake van een dergelijke concursus. Het faillissement wordt immers gezien als een collectieve verhaalsprocedure ten behoeve van de gezamenlijke crediteuren.5 Ook buiten faillissement kan concursus ontstaan, bijvoorbeeld wanneer twee schuldeisers op hetzelfde goed beslag leggen.6 In geval van concursus dient een rangregeling te worden opgesteld. Uit die rangregeling volgt dan hoe de executie-opbrengst moet worden verdeeld.7
Buiten een situatie van concursus staat het crediteuren vrij verhaal te nemen op het vermogen van de schuldenaar.8 Ook is de schuldenaar vrij om bepaalde crediteuren eerder te betalen dan andere. Er bestaat geen algemene zorgvuldigheidsnorm voor de schuldenaar om bij zijn betalingsgedrag de onderlinge rangorde van de schuldeisers in acht te nemen.9 Zelfs indien een schuldenaar op enig moment over onvoldoende vermogen beschikt om al zijn schuldeisers op dat moment te betalen, staat het hem vrij om een bepaalde schuldeiser te voldoen, ook als er andere, hoger gerangschikte schuldeisers zijn. Er rust geen verplichting op ondernemingen (op elk moment) 100% solvabel te zijn. Zij dienen slechts in staat te zijn aan hun verplichtingen te voldoen op het moment dat de vorderingen opeisbaar worden. Schuldenaren zijn immers ook met hun toekomstige vermogen verhaalsaansprakelijk.10
131. Zoals besproken in nr. 27 en 129 kan het akkoord gezien worden als een verkoop van de onderneming aan de vermogensverschaffers. Zoals uiteengezet in nr. 123 zal daartoe met name worden overgegaan wanneer een going concern-verkoop van de onderneming niet de gepercipieerde marktwaarde zal realiseren. De met het akkoord gerealiseerde reorganisatiewaarde wordt toegekend aan de vermogensverschaffers in de vorm van schuld- of vermogenstitels. In die visie kan de totstandkoming van het akkoord worden gezien als een ‘day of reckoning’ en in dat opzicht gelijk worden gesteld met een procedure waarin het vermogen van de schuldenaar wordt vereffend ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers.11
Normaliter worden de goederen van de schuldenaar via een executoriaal beslag dan wel vanuit faillissement verkocht, waarna de verkoopopbrengst van die goederen conform de rangorde wordt verdeeld. Op deze wijze nemen schuldeisers verhaal op de voor verdeling vatbare waarde. In wezen nemen de vermogensverschaffers bij de totstandkoming van een akkoord eveneens verhaal: namelijk op de met het akkoord gerealiseerde waarde. Deze opbrengst komt echter op een ongebruikelijke wijze tot stand en wordt bovendien op een ongebruikelijke manier verdeeld onder de vermogensverschaffers. In geval van een akkoord wordt geen verkoopopbrengst in contanten gerealiseerd. De opbrengst van het akkoord bestaat uit de reorganisatiewaarde. Deze waarde bestaat bij de gratie van het akkoord, waardoor de onderneming met een geherstructureerde vermogensstructuur binnen dezelfde rechtspersoon in stand wordt gehouden. De verdeling van de reorganisatiewaarde kan plaats vinden in contanten, maar veeleer zullen vermogensverschaffers voldaan worden bij wijze van een gewijzigde of nieuwe schuld- of kapitaalstitel, die hun recht geeft op een gedeelte van de reorganisatiewaarde. Doordat de vermogensverschaffers zich de facto verhalen op de voor verdeling beschikbare waarde, is in wezen wel degelijk sprake van concursus en heeft de paritas creditorum zijn intrede gedaan.
132. Dat de rangorde een rol speelt bij de verdeling van de reorganisatiewaarde kan ook op een andere manier onderbouwd worden. In §4.6 zal ik verdedigen dat het akkoord slechts tot stand mag komen indien het faillissement van de schuldenaar onafwendbaar lijkt. Het is een kleine stap om vanuit dit pre-insolventiecriterium te concluderen dat de rangorde in acht moet worden genomen bij de verdeling van de reorganisatiewaarde. Indien op enig moment een faillissement waarschijnlijk lijkt, is sprake van een dreigende concursus. Wanneer het vermogen onvoldoende is om de schuldeisers te voldoen, de verdiencapaciteit is opgedroogd en de kredietwaardigheid tot een nulpunt is gedaald, is er materieel sprake van een insolventietoestand.12 De paritas creditorum heeft in een dergelijk geval een zekere normerende kracht.13 Zou dat niet het geval zijn, dan zou de door de wetgever beoogde rangorde wel heel eenvoudig kunnen worden doorbroken.14
Het recht bevat diverse instrumenten om verstoringen van de rangorde in het zicht van faillissement te bestrijden.15 Zo kan de actio pauliana worden ingeroepen tegen rechtshandelingen die de rangorde verstoren.16 Ook de beperkingen aan de verrekeningsmogelijkheden in het zicht van faillissement zijn ingegeven door de gedachte dat een schuldeiser zich niet in strijd met de door hem jegens zijn medeschuldeisers in acht te nemen eisen van redelijkheid en billijkheid aan een (dreigende) concursus creditorum kan onttrekken.17
De gedachte is dat schuldeisers aan de vooravond van een faillissement ten opzichte van elkaar in een bijzondere, door de redelijkheid en billijkheid beheerste rechtsverhouding komen te staan.18 Het leerstuk van onrechtmatige selectieve betalingen is ingegeven door de gedachte dat het onder omstandigheden onrechtmatig kan zijn om de geldende rangorde te doorbreken door de ene crediteur te bevoordelen boven de andere.19 Op deze manier werpt de paritas zijn schaduw vooruit op de normstelling voor de bestuurder van de rechtspersoon.20 Tenslotte bevat art. 343 aanhef onder 3 Sr een strafrechtelijke sanctie op de bevoordeling van schuldeisers.21
Ook in het kader van een pre-insolventieakkoord dient vanwege de dreigende concursus de rangorde in ogenschouw te worden genomen bij de verdeling van de reorganisatiewaarde. De paritas werpt zo bezien zijn schaduw (ook) vooruit op de manier waarop de met een akkoord te realiseren waarde moet worden verdeeld.22
133. Uit het voorgaande volgt dat het pre-insolventieakkoord op alle type crediteuren betrekking moet kunnen hebben. Als dat niet het geval zou zijn, komt naleving van de regel dat de reorganisatiewaarde conform de rangorde moet worden verdeeld in gevaar. Het tekort moet afgewenteld kunnen worden op de klassen die out of the money zijn ten aanzien van de reorganisatiewaarde. Denkbaar is dat niet alleen de concurrente crediteuren hun verlies moeten nemen, maar ook preferente en zelfs zekerheidsgerechtigde schuldeisers. De rechten van preferente en zekerheidsgerechtigde schuldeisers moeten daartoe kunnen worden gewijzigd. In de bestaande insolventieakkoordprocedures is dat niet mogelijk. In §3.3.6 en 3.3.7 kwam aan bod dat het surseance- en faillissementsakkoord in de praktijk zeer beperkt kunnen worden ingezet als herstructureringsinstrument, mede door de onmogelijkheid preferente en zekerheidsgerechtigde schuldeisers in het akkoord te betrekken. In de literatuur is veelvuldig gepleit voor een wijziging in die zin dat ook preferente crediteuren, inclusief zekerheidsgerechtigden, gebonden kunnen worden aan een akkoord.23 Mede gelet op de steeds verder uitdijende omvang van door zekerheden gesecureerd krediet,24 zou het uitsluiten van zekerheidsgerechtigden enorme afbreuk doen aan de effectiviteit van het pre-insolventieakkoord. Een wijziging van de rechten van louter de concurrente schuldeisers zal in veel gevallen niet tot een wezenlijke verbetering van de vermogenspositie van de schuldenaar leiden, maar bovenal zal dat in voorkomende gevallen onvoldoende zijn om het tekort conform de rangorde af te wentelen.
134. De voorgaande randnummers hadden slechts betrekking op de rangorde die tussen crediteuren onderling geldt. Een vennootschap is echter niet alleen gefinancierd met door schuldeisers verschaft vreemd vermogen, zij beschikt ook over eigen vermogen dat door aandeelhouders is ingebracht. Wanneer de onderneming floreert kan de gegenereerde winst aan de aandeelhouders worden uitgekeerd.25 Wanneer de onderneming zich in zwaar weer bevindt, ontvangen de aandeelhouders echter geen dividend. Zij zijn de eerst aangewezenen om verliezen te dragen.26 Indien de vennootschap failleert, volgt na beëindiging van het faillissement de ontbinding van de vennootschap.27 Ook indien de vennootschap buiten faillissement wordt geliquideerd op grond van art. 2:19 BW vindt vereffening van het vennootschapsvermogen plaats. Aandeelhouders hebben in beide gevallen op grond van art. 2:23b lid 1 BW recht op een eventueel batig liquidatiesaldo dat resteert nadat alle crediteuren zijn voldaan.28
In de vennootschapsrechtelijke literatuur is deze bijzondere positie van de aandeelhouder op diverse manieren geduid. Het Handboek NV/BV beschrijft kapitaal als “onlosbare vennootschappelijke schuld”.29 Maeijer schrijft dat aandeelhouders de “postconcurrente crediteuren” van de vennootschap zijn. Hoff beschrijft aandelenkapitaal als “het kussen waarop de schuldeisers hun oor ter ruste kunnen leggen”.30 Van Olffen en Rensen beschrijven kapitaal als “schuld van eigen, vennootschapsrechtelijke aard”.31 Van der Korst stelt onomwonden dat aandeelhouders ten aanzien van hun vordering op het eventuele liquidatiesaldo en vorderingen tot uitkering van dividend achtergestelde schuldeisers in de zin van art. 3:277 BW zijn.32 Specialisten op het gebied van financiering, zekerheden en insolventie verdedigen echter dat de aandeelhouders pas schuldeisers worden zodra een vordering ontstaat. De vordering tot uitkering van een eventueel batig saldo ontstaat pas op het moment dat de vennootschap wordt ontbonden.33
Aandeelhouders zijn geen schuldeisers in de zin van de Faillissementswet. Aandeelhouders maken geen onderdeel uit van de tussen schuldeisers geldende rangorde bij de vereffening van het vermogen. Uit het gegeven dat zij slechts in geval van ontbinding recht hebben op een eventueel surplus volgt echter dat zij feitelijk helemaal ‘achteraan in de rij’ staan bij de verdeling van het vermogen van de vennootschap.34 Daarom heb ik als uitgangspunt geformuleerd dat de reorganisatiewaarde conform de tussen vermogensverschaffers bestaande rangorde moet worden verdeeld. Onderdeel van die tussen vermogensverschaffers geldende rangorde is de rangorde die tussen de schuldeisers van de vennootschap bestaat, en het gegeven dat alleen indien na voldoening van de schuldeisers nog een overschot resteert, dit toekomt aan de aandeelhouders.
135. Hoewel de vennootschap in geval van de homologatie van een pre-insolventieakkoord niet wordt ontbonden, zouden aandeelhouders als laatsten in de rij behoren te staan wanneer de reorganisatiewaarde conform de rangorde wordt verdeeld. Er is immers – zoals uiteengezet werd in nr. 131 – in wezen wel degelijk sprake van “vereffening” van het vermogen. Anders gezegd zijn de aandeelhouders de eerst aangewezenen om een verlies voor hun rekening te nemen, ook al wordt de vennootschap niet ontbonden.35 Indien de rechten van aandeelhouders niet zouden kunnen worden gewijzigd, zouden zij met een akkoord in een gunstiger positie kunnen komen te verkeren dan wanneer het vennootschapsvermogen in of buiten faillissement zou worden vereffend. Wanneer er na vereffening geen surplus resteert dienen aandeelhouders immers hun verlies te nemen. Hetzelfde dient te gelden voor de vereffening op basis van het pre-insolventieakkoord. 36 Zou dat niet het geval zijn en zouden aandeelhouders hun aandelenbelang onverkort mogen behouden dan zouden zij – anders dan de crediteuren – kunnen profiteren van eventuele winsten die de gesaneerde vennootschap in de toekomst weer zal genereren, het zogenaamde ‘upside potential’. Dit strookt niet met de gedachte dat met een pre-insolventieakkoord de facto vereffening plaatsvindt. Uit het voorgaande volgt dat het wenselijk is ook de rechten van aandeelhouders te kunnen wijzigen door middel van het akkoord.
136. Anders dan in geval van een faillissement is er geen moment waarop de tussen schuldeisers geldende rangorde wordt gefixeerd. Juist omdat de onderneming gewoon doordraait, zullen naar verwachting gedurende het akkoordproces nog schulden ontstaan en zullen bovendien vorderingen tenietgaan omdat voldoening van de desbetreffende crediteuren noodzakelijk is om de continuïteit van de onderneming te waarborgen. Om de rangorde enigszins te fixeren (en het akkoordproces daarmee werkbaar te maken) zou het moment dat de schuldenaar het akkoord aanbiedt als fixatiemoment kunnen worden gekozen. Het moment van aanbieden van het akkoord biedt een duidelijk hanteerbaar omslagpunt.
Ervan uitgaande dat de schuldenaar zich in de vereiste staat van pre-insolventie bevindt, dienen de uitgaande betalingen in ieder geval vanaf dat moment onder een vergrootglas te liggen. Een dergelijk omslagpunt aanwijzen doet echter naar mijn mening geen recht aan de normerende kracht van de paritas. Zoals hiervoor besproken laat de paritas zich niet vangen in het al dan niet geopend zijn van een formeel proces. Zodra sprake is van de materiële toestand van pre-insolventie, zou de rangorde niet zomaar meer doorbroken mogen worden. Deze materiële toestand van pre-insolventie kan ook al aanwezig zijn in de onderhandelingsfase die voorafgaat aan het aanbieden van het akkoord. Juist betalingen die vlak vóór het aanbieden van het akkoord worden gedaan, als gevolg waarvan een crediteur buiten het akkoord kan worden gelaten, zouden met argwaan moeten worden bekeken.
137. Het pre-insolventieakkoordproces voorziet in bepaalde mogelijkheden om de toelaatbaarheid van afwijkingen van de rangorde te beoordelen. Uit §4.5.3.2 zal volgen dat een akkoord waarin wordt afgeweken van de rangorde acceptabel is wanneer i) een daardoor benadeelde klasse bij meerderheid instemt met het plan of ii) wanneer de rechter oordeelt dat er een redelijke grond voor die afwijkende behandeling bestaat. Dit toetsingskader heeft slechts betrekking op afwijkingen van de rangorde in het akkoord zelf, en niet op betalingen in de periode voorafgaand aan de totstandkoming van het akkoord. Daarom zal voor tegenwicht aan rangordedoorbrekende betalingen gedurende het akkoordproces moeten worden teruggevallen op de in nr. 132 besproken leerstukken zoals de onrechtmatige selectieve betaling door de bestuurder en de actio pauliana.
Bij de toepassing van beide leerstukken wordt vooralsnog geworsteld met de vraag in hoeverre een rechtshandeling of betaling kan worden gerechtvaardigd wanneer daarmee beoogd wordt een reddingspoging te faciliteren. Zo speelt het in het kader van de actio pauliana de vraag of het faillissement en een tekort daarin met een redelijke mate van waarschijnlijkheid zijn te voorzien, wanneer de gewraakte rechtshandeling verband houdt met een bona fide reddingspoging.37 In het kader van selectieve betalingen is wel betoogd dat vanwege het feit dat de betaling bijdroeg aan een mogelijke redding, er geen sprake kan zijn van een ‘onvermijdelijk faillissement’ en het peilmoment voor onrechtmatig handelen nog niet is aangebroken. Ook is er lagere rechtspraak waarin het feit dat betalingen geschieden in het kader van een reddingspoging als rechtvaardigingsgrond voor de selectieve betaling werd aangemerkt.38 De ontwarring c.q. het doorhakken van deze gordiaanse knopen valt buiten het bestek van dit onderzoek.39