Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/9.9
9.9 Kennisbasis in doorlopende leerlijn burgerschap
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977390:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Onderwijsraad 2012; vgl. Foqué, 2011.
Ibid., p. 7.
Ibid., p. 7.
Ibid., p. 23. De vrije ruimte voor de schooleigen invulling van burgerschapsvorming.
Ibid., p. 24-25.
Zie: P. Angelinus O.M. Cap, Wijsgerige gemeenschapsleer, dl I, Utrecht: DV 1937, p. 21, 30-31, 51; vgl. R. Bronneman & E. van Zeijl, ‘Burgerschapsvorming in het onderwijs’, in: Schnabel e.a. (red.) 2008, p. 173-205.
Zoontjens 2019, p. 15.
Wet van den 2den Mei 1863, houdende regeling van het middelbaar onderwijs, Stb. 1863, nr. 50 en mijn ´Democratische vorming en burgerparticipatie´, in: Idem, 2005, p. 47-59.
Vgl. N.A.J. Lagerwerf 1973, D. Bour e.a., ‘Waarheid en democratie in het onderwijs’, in: Consoli & Tinnevelt (red.) 2018, 3, p. 137-138.
De Onderwijsraad ziet ‘democratie en rechtsstaat’ in de tweede fase vwo/havo als een apart domein om bij een vak onder te brengen, zie: Onderwijs en burgerschap, 2003, p. 44, Wijte, ‘Staatsburgerlijke vorming in de 20e eeuw’, TEO 2000, p. 55-59 en ‘Voorstellen tot Burgerschapsvorming en Staatsburgerlijke vorming’, TEO 2003, p. 283-285; vgl. De Corte 1973.
Wijte 2003, 4, p. 283-286.
www.kennisbasis.nl; vgl. A. Buys, ‘Samen zorgen voor een nieuwe generatie. Voorbeeldige leraren’, in: Van Tongeren & Pasman-de Roo 2007, p. 61-62 en F. Haan, ‘De landelijke kennistoets voor de kennisbasis economie LKT’, TEO 2021, 3, p. 31.
Vgl. M. Vermeulen 2019, p. 9.
Zie: W. Sanderse, ‘Normen- en waardendebat heeft een nieuwe taal nodig’, CDV Lente 2017, p. 18 e.v.
Vgl. V. de Geus, ’Dit jaar doe ik het anders. Aanpassing van het programma van toetsing en afsluiting’, M & P 2020, 5, p. 24 (‘Eindcijfer maatschappijleer zegt meer over cognitieve en schrijfvaardigheden dan over sociale vaardigheden, houding en mentaliteit).
Zie: Bakx e.a. 2012.
Artikel 9 lid 5 Wpo, 13 lid 7 Wec en 2.14 Wvo 2020 en Besluit Kerndoelen WEC van 18 mei 2009, 31973-1.
Naast de positiefrechtelijke bestaat de Platoons-Aristotelisch-Thomistische natuurrechtelijke legitimiteit, op grond waarvan fundamentele mensenrechten universele gelding kennen, onafhankelijk van statelijke erkenning; vgl. Duynstee 1956, p. 23, Scheltens 1981, p. 53 en Burkens 2012, p. 183-184.
Schooleigen invullingen burgerschap
In 2012 komt de Onderwijsraad na zijn advies over burgerschap uit 2003 met het vervolgadvies Verder met burgerschap in het onderwijs. De raad had daarvoor al vastgesteld dat in het burgerschapsonderwijs weinig ontwikkeling is waar te nemen.1 Hij steunt de opvatting dat de regie hierover zoveel mogelijk bij de scholen behoort te liggen. Deze keuze past goed binnen artikel 23 Gw.2 De raad adviseert om ‘de algemeen gedeelde kern van burgerschapsonderwijs beter te omschrijven en tot uitdrukking te brengen in de wet- en regelgeving’.3 Bovendien kan de overheid een meer actieve rol vervullen.4 Hiervoor beveelt hij aan om (a) de grote waarde van burgerschapsvorming meer uit te dragen (burgerschapsontwikkeling is een kerntaak die de school deelt met het gezin en de andere socialiserende milieus) en (b) een landelijk ondersteuningsaanbod voor scholen beschikbaar stellen (de implementatie van het burgerschapsonderwijs vraagt namelijk de nodige tijd en inspanning).5
Het accent van het advies van de Onderwijsraad ligt op het bijbrengen van kennis van de democratische rechtsstaat, de burgerrechten en -plichten, en de mensen- en kinderrechten, de politiek-maatschappelijke participatie-vormen en de structuur en (sub)cultuur van de samenleving. Houdingen, als burgerschapszin en gevoeligheid voor de publieke zaak vragen om een toegesneden burgerschapsvorming.6 Hierdoor rijst de vraag wat de (staats) burger als kiezer nodig heeft om te kunnen stemmen en hoe hij als democratisch (staats)burger in de samenleving participeert. Dat vergt ten minste, volgens Zoontjens, ‘een solide kennisbasis’.7 Deze kennisbasis dient mijns inziens te bestaan uit: de kernwaarden van de democratische rechtsstaat, burgerrechten en -plichten, de regels omtrent rechtsbescherming en mensen- en kinderrechten. Daarnaast is het bijbrengen van inzicht en participatieve vaardigheden vereist.
Dit betekent het uitwerken van de volgende aspecten:
De Grondwet, kernwaarden en beginselen van de democratische rechtsstaat (inclusief rechtsbescherming en fundamentele mensenrechten);
Democratie, spelregels en democratische besluitvorming(smethoden);
Sociale/economische structuur en cultuur van de plurale samenleving;
Structuur van Europa en werking van Europese wet- en regelgeving;
Informatieve en instrumentele vaardigheden (luisteren en debatteren);
Houdingen van goed burgerschap (nationaal, Europees en mondiaal).
Voor het realiseren van burgerschapsvorming met een kennisbasis in een doorlopende leerlijn richt mijn focus zich op de vervanging van de vakken staatsinrichting8 en maatschappijleer door het verplichte vak burgerschap9, en het keuzevak rechtswetenschap.10 In de vhmo-tijd (1863-1968), maar ook onder vigeur van de Wvo tot 1990, zijn voor staatsinrichting staatsrechtelijke leerboeken in gebruik. Daarna is het accent in het curriculum verlegd naar de politieke kringloop van Easton. Eerst vormden de beginselen van het publiek organisatierecht de belangrijkste onderdelen van het curriculum, maar deze verschoven - ten onrechte - na 1990 naar de achtergrond. Een evenwichtig samengestelde kennisbasis is evenwel noodzakelijk. Hierbij moet in ogenschouw worden genomen dat de leerlingen de functie en werking van de staatsorganen moeten leren om later gebruik te kunnen maken van hun kiesrecht, om rechten uit te oefenen en burgerplichten te vervullen.
Onder de noemer van burgerschapsvorming schaart zich een brede waaier van kennisgebieden (Wpo/ Wec) en vakken (Wvo), maar een kennisbasis met democratische kennis, inzicht en communicatieve vaardigheden ontbreekt anno 2024 nog.11 Deze bevat immers de vastlegging van de vereiste kennis, vaardigheden en (afgrensbare) minima moralia.12 Een kennisbasis zou een hiërarchisch gelaagd systeem van concepten en contexten van de burgerschapstaal moeten zijn.13 Deze dient een onderdeel van ieders democratische kwalificatiestructuur te zijn.14 De kennisbasis vormt de grondslag van het programma van toetsing en afsluiting15, vormt hiermee een referentiekader voor de invoering van doelgerichte en samenhangende burgerschapsvorming16 en is het vertrekpunt voor de codificatievoorstellen I en II - volgend na par. 12.1 en 2 - van: (a) de algemene doelbepaling17, kerndoelen18 en examenprogramma's, (b) thema's in andere vakken en (c) het kennisgebied en vak burgerschap.19
9.9.1 Kerndoelen: democratie niet in primair, wel in voortgezet onderwijs9.9.2 Aard en vormgeving van de burgerschapsopdracht