Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/8.7.6
8.7.6 Verplichtingen van de verkrijgende verzekeraar op grond van art. 2:115 en 2:117 Wft
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS949830:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de toezichtrechtelijke aspecten van bijkantoren van verzekeraars in andere lidstaten en grensoverschrijdende dienstverlening naar andere lidstaten door verzekeraars Boshuizen en Jager 2010, p. 127-130; Boshuizen, Jager en Van Asch, in: Toezicht financiële markten, art. 2:115 tot en met 2:117 Wft ; Van den Hurk, Tijdschrift voor Financieel Recht 2019, p. 49-60; Van den Hurk 2021, p. 152-155; De Jong, in: T&C Verzekeringsrecht, art. 2:115 tot en met 2:117 Wft. Zie hierover ook Kamerstukken II 2004/05, 29708, nr. 10, p. 231-235.
Zie met name Rinkes, Het Verzekerings-Archief 2014, afl. 4, p. 223-224 en Rinkes 2023, p. 893-894. De crux is dat er geen sprake is van, zoals Rinkes het noemt, “Europees materieel verzekeringsrecht”. De regels van het internationaal privaatrecht leiden ertoe dat op door een Nederlandse verzekeraar in een andere lidstaat gesloten polissen meestal niet het Nederlands recht van toepassing is, maar het nationale recht van een andere lidstaat. Het verzekeringsrecht van die andere lidstaat zal verschillen van het Nederlands verzekeringsrecht. Dat kan niet alleen gevolgen hebben voor de polisvoorwaarden, maar ook relevant zijn voor bijvoorbeeld de berekening van de verzekeringspremies. Indien het bijvoorbeeld in een andere lidstaat voor de verzekeraar veel moeilijker zou zijn dan in Nederland om een beroep te doen op verzwijging, is de kans op het moeten doen van een uitkering groter. Dat zou relevant kunnen zijn voor de in die andere lidstaat in rekening te brengen premies. Rinkes 2023, p. 893 vat dit als volgt samen: “Een verzekeraar die grensoverschrijdend verkoopt zal zijn polissen moeten differentiëren en zijn berekeningen mede op het toepasselijke recht moeten baseren.” Voor het juridisch due diligence onderzoek betekent dit dat de verkrijgende verzekeraar er verstandig aan doet om in het geval dat er zich in een verzekeringsportefeuille in een andere lidstaat gesloten polissen bevinden tijdens het due diligence onderzoek vragen te stellen over de wijze waarop de overdragende verzekeraar zich heeft verdiept in het aldaar toepasselijke verzekeringsrecht. Het is bijvoorbeeld interessant of een lokaal advocatenkantoor is ingeschakeld en op welke wijze er rekening is gehouden met het advies van dat kantoor. Bovendien zullen juridisch adviseurs van een koper van verzekeringsportefeuilles die een “Europese strategie” wil “uitrollen” er dus ook voor moeten zorgen dat die cliënt zich er terdege van bewust is dat er geen “Europees materieel verzekeringsrecht” bestaat en moeten adviseren over de wijze waarop die cliënt daarmee rekening zou kunnen houden.
Zie over bepalingen van algemeen belang hoofdstuk 6.8.4.
Zie ook Kamerstukken II 2005/06, 29708, nr. 19, p. 380.
Boshuizen en Jager 2010, p. 111-112.
Indien een levensverzekeraar met die “verhuisde” verzekeringnemer een nieuwe levensverzekeringsovereenkomst sluit, is er wél sprake van grensoverschrijdende dienstverrichting door de in Nederland gevestigde verzekeraar. Om die reden is er in de verzekeringswereld jarenlang een discussie gevoerd over de vraag of bij het uitvoeren van een lijfrente- of pensioenclausule in een lijfrenteverzekering of pensioenverzekering sprake is van het aangaan van een nieuwe verzekeringsovereenkomst of van het “omzetten” van de ene verzekeringsovereenkomst in een andere verzekeringsovereenkomst. Deze vraag rijst indien een klant op de lijfrente-ingangsdatum of de pensioeningangsdatum in een andere lidstaat woont (hij is na het sluiten van de oorspronkelijke verzekeringsovereenkomst “geëmigreerd”). Het uitvoeren van een lijfrente- of pensioenclausule houdt in dat een pensioen- of lijfrentekapitaal uitgekeerd gaat worden in de vorm van een direct ingaande periodieke uitkering. Indien er sprake zou zijn van het sluiten van een nieuwe verzekering kan de levensverzekeraar aan die geëmigreerde klant alleen een direct ingaande lijfrente of een direct ingaand pensioen aanbieden als de verzekeraar de notificatieprocedure doorloopt met betrekking tot het land waarin die klant zich heeft gevestigd. De Nederlandse verzekeraar zal daartoe vaak niet bereid zijn. Hij zal zich dan immers met betrekking tot die enkele “nieuwe” verzekering opeens aan de “bepalingen van algemeen belang” van de desbetreffende andere lidstaat moeten gaan houden. Een overdracht van het kapitaal naar een pensioenuitvoerder in de desbetreffende lidstaat wordt in beginsel fiscaal als een belaste afkoop beschouwd. De geëmigreerde klant zit dan “klem”.DNB, het Ministerie van Financiën, de belastingdienst en het Verbond van Verzekeraars hebben afspraken gemaakt over de gevallen waarin er geacht kan worden sprake te zijn van “omzetten” (en waarin de Nederlandse verzekeraar dus geen notificatieprocedure hoeft te doorlopen om de klant op de lijfrente-ingangsdatum of pensioeningangsdatum te bedienen) en waarin er sprake is van het sluiten van een nieuwe verzekering (en waarin de Nederlandse verzekeraar dus wel een notificatieprocedure zou moeten doorlopen indien hij die verzekering zou willen sluiten).Zie over deze problematiek Kappelle, Weekblad Fiscaal Recht 2012/218; Kappelle, Tijdschrift voor Pensioenvraagstukken 2018/13 en circulaires van het Verbond van Verzekeraars hierover uit 2018 en 2022 (https://www.verzekeraars.nl/publicaties/actueel/oplossing-voor-geëmigreerde-klanten en https://www.verzekeraars.nl/publicaties/actueel/regeling-lijfrente-buitenland-verruimd).
DNB Toelichting 2019, p. 12.
Zie mijn opmerkingen in dit hoofdstuk 8.7.6 over deze definitie.
Inleiding
De verkrijgende verzekeraar is echter toezichtrechtelijk nog niet “klaar” nadat hij in kaart heeft gebracht of hij vergunningen voor extra “branches” moet aanvragen. Hij zal zich ook moeten afvragen of het overdragen van de verzekeringsportefeuille tot gevolg heeft dat hij (voorafgaand aan de portefeuilleoverdracht) aan verplichtingen op grond van art. 2:115 en 2:117 Wft moet voldoen. Op grond van deze wetsartikelen heeft een verzekeraar met zetel in Nederland de instemming van DNB nodig voor de hierna omschreven verzekeringsactiviteiten in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte. 1 Ik raad de verkrijgende verzekeraar daarom aan om al tijdens het juridisch due diligence onderzoek de benodigde informatie in te winnen om aan eventuele verplichtingen op grond van art. 2:115 en 2:117 Wft te voldoen, onder meer door te vragen naar de door de overdragende verzekeraar zelf in het verleden in verband met de verzekeringsportefeuille op grond van deze wetsartikelen verrichte notificaties. Overigens behoeft ook de civielrechtelijke kant van in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte gesloten verzekeringen tijdens het juridisch due diligence ter voorbereiding op een portefeuilleoverdracht zeker aandacht,2 maar het gaat het bereik van dit onderzoek te buiten om ook daarop hier in te gaan.
Art. 2:115 Wft inzake een “bijkantoor”
In art. 2:115 lid 1 Wft is geregeld dat een levensverzekeraar en een schadeverzekeraar de instemming van DNB nodig hebben voor het hebben van een bijkantoor in een andere lidstaat:
“Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, met zetel in Nederland die een vergunning als bedoeld in artikel 2:27 heeft en voornemens is vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor het bedrijf van levensverzekeraar onderscheidenlijk schadeverzekeraar uit te oefenen, gaat daartoe slechts over nadat de Nederlandsche Bank met het voornemen heeft ingestemd.”
Om de strekking van deze bepaling goed te kunnen doorgronden, zijn de definities in art. 1:1 Wft van belang. Een bijkantoor van een verzekeraar is gedefinieerd als: “duurzaam in een andere staat dan de staat van de zetel aanwezige onderdelen zonder rechtspersoonlijkheid van een verzekeraar alsmede elke andere duurzame aanwezigheid van een verzekeraar, beheerd door eigen personeel van de verzekeraar of door een zelfstandig persoon die is gemachtigd duurzaam voor de verzekeraar op te treden”. Een levensverzekeraar is “degene die zijn bedrijf maakt van het sluiten van levensverzekeringen voor eigen rekening en het afwikkelen van die levensverzekeringen”, een schadeverzekeraar is “degene die zijn bedrijf maakt van het sluiten van schadeverzekeringen voor eigen rekening en het afwikkelen van die schadeverzekeringen”, zo vermeldde ik al in hoofdstuk 8.7.2. Dat betekent dat indien de overdragende verzekeraar een bijkantoor heeft in een andere lidstaat, en de overnemende verzekeraar besluit om daar alleen de al lopende levensverzekeringen of schadeverzekeringen af te wikkelen, en daar dus geen nieuwe verzekeringen te sluiten, er nog steeds sprake is van het uitoefenen van het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar vanuit een bijkantoor. De verkrijgende verzekeraar moet DNB dus om instemming, zoals omschreven in art. 2:115 Wft, verzoeken.
De gegevens die bij de aanvraag van instemming moeten worden verstrekt staan opgesomd in art. 2:115 lid 2 Wft juncto art. 47 van het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft. Het gaat onder meer om een programma van werkzaamheden. Art. 2:116 lid 1 Wft bepaalt dat DNB instemt met het voornemen, tenzij, gelet op het voornemen van de verzekeraar, zijn bedrijfsvoering of financiële positie niet toereikend is, of de geschiktheid of betrouwbaarheid van een persoon die het dagelijks beleid bepaalt of van de vertegenwoordiger van de verzekeraar niet buiten twijfel staat. In art. 2:116 lid 2 Wft is bepaald dat DNB een besluit neemt binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag. Daarna stuurt DNB een mededeling aan de toezichthouder in die lidstaat. Art. 2:116 lid 3 Wft bepaalt dat DNB binnen een werkdag na het nemen van het besluit daarvan mededeling doet aan de toezichthoudende instantie in de lidstaat waar de verzekeraar voornemens is door middel van een bijkantoor zijn bedrijf uit te oefenen. DNB deelt binnen twee maanden na die mededeling de verzekeraar de voorwaarden mede die de toezichthoudende instantie van die andere lidstaat heeft verbonden aan het uitvoeren van de werkzaamheden in de betrokken lidstaat (art. 2:116 lid 5 Wft). De toezichthouder van de “host state” kan namelijk om redenen van algemeen belang voorwaarden stellen aan het uitoefenen van het bedrijf in het bijkantoor.3
Art. 2:117 Wft inzake het “verrichten van diensten” naar een andere lidstaat
Art. 2:117 lid 1 Wft regelt dat een levensverzekeraar of schadeverzekeraar ook voor het “verrichten van diensten” naar een andere lidstaat de instemming van DNB behoeft:
“Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, met zetel in Nederland die een vergunning als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, heeft en voornemens is vanuit een vestiging in een lidstaat voor de eerste maal door middel van het verrichten van diensten naar een andere lidstaat zijn bedrijf uit te oefenen, gaat daartoe slechts over nadat de Nederlandsche Bank overeenkomstig artikel 2:116, eerste lid, met het voornemen heeft ingestemd.”
Voor de uitleg van deze bepaling is de definitie van het “verrichten van diensten” zoals opgenomen in art. 1:1 Wft van belang.4 Het verrichten van diensten door een levensverzekeraar is gedefinieerd als “het door een levensverzekeraar sluiten van een levensverzekering vanuit een vestiging, gelegen in een andere staat dan die waar de verzekeringnemer zijn gewone verblijfplaats heeft, of waar zich, indien de verzekeringnemer een rechtspersoon is, de vestiging van deze rechtspersoon bevindt waarop de verzekering betrekking heeft”. Het verrichten van diensten door een schadeverzekeraar is gedefinieerd als “het door een schadeverzekeraar sluiten van een schadeverzekering betreffende een risico dat is gelegen in een andere staat dan de vestiging van waaruit de verzekering wordt gesloten”. Een belangrijk element van beide definities is dat het moet gaan om het “sluiten” van een verzekering. Indien een levensverzekeraar of schadeverzekeraar zich dus alleen maar bezig houdt met werkzaamheden ten behoeve van al gesloten verzekeringen, anders gezegd: hij houdt zich alleen bezig met het afwikkelen van verzekeringen, dan is er naar mijn mening geen sprake van “het verrichten van diensten” in de zin van art. 2:117 Wft.
De gegevens die bij de aanvraag van instemming moeten worden verstrekt staan opgesomd in art. 2:117 lid 3 Wft juncto art. 50 van het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft. Art. 2:119 lid 1 Wft bepaalt dat DNB instemt met het voornemen, tenzij, gelet op het voornemen van de verzekeraar, zijn bedrijfsvoering of financiële positie niet toereikend is. In art. 2:119 lid 2 Wft is bepaald dat DNB een besluit neemt binnen een maand na ontvangst van de aanvraag. Ook in dit geval stuurt DNB een mededeling aan de toezichthouder in de desbetreffende lidstaat. Art. 2:119 lid 3 Wft bepaalt dat DNB binnen een werkdag na het nemen van het besluit daarvan mededeling doet aan de toezichthoudende instantie van de lidstaat waarnaar de verzekeraar voornemens is diensten te verrichten.
Wat valt hieruit af te leiden bij een portefeuilleoverdracht?
Ik beschrijf hierna mijn conclusies met betrekking tot de toepassing van art. 2:115 en 2:117 Wft bij de overdracht van een verzekeringsportefeuille. Daarbij is mijn uitgangspunt dat art. 2:1 Wft (“Vergunningen en ontheffingen, verleend ingevolge deze wet, zijn persoonlijk en niet overdraagbaar.”) ook geldt voor instemming die DNB op grond van art. 2:115 en 2:117 Wft heeft verleend aan de overdragende verzekeraar om een “bijkantoor” in een andere lidstaat te hebben of voor het grensoverschrijdend “verrichten van diensten”. Dit lijkt mij een juiste veronderstelling gelet op de ratio van art. 2:1 Wft. De achtergrond is immers dat DNB op basis van specifieke eisen toetst of de instemming kan worden verleend.5 Bij specifieke eisen past dat de instemming persoonsgebonden is.6 DNB gaat zelf blijkens de toelichting bij de aanvraagformulieren ook van deze opvatting uit (zie de hierna geciteerde tekst). Instemming die op grond van art. 2:115 en 2:117 Wft is verleend aan de overdragende verzekeraar is dus niet overdraagbaar aan de verkrijgende verzekeraar.
1. Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar die een verzekeringsportefeuille verwerft, waarvoor het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar (ook) zal worden uitgeoefend vanuit een bijkantoor in een andere lidstaat moet DNB op grond van art. 2:115 Wft om instemming vragen voor deze werkzaamheden. Het is irrelevant of het bijkantoor na de portefeuilleoverdracht alleen de al lopende levensverzekeringen of schadeverzekeringen zal afwikkelen of ook nieuwe verzekeringen zal sluiten.
2. Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar die een verzekeringsportefeuille verwerft waarin zich levensverzekeringen of schadeverzekeringen bevinden die door dienstverrichting naar een andere lidstaat zijn gesloten, en die van plan is om na de overdracht door te gaan met het sluiten van levensverzekeringen of schadeverzekeringen in een andere lidstaat, moet DNB op grond van art. 2:117 Wft om instemming vragen voor deze werkzaamheden.
3. Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar die een verzekeringsportefeuille verwerft waarin zich levensverzekeringen of schadeverzekeringen bevinden die door dienstverrichting naar een andere lidstaat zijn gesloten, maar die niet van plan is om nieuwe verzekeringen te sluiten in die lidstaat, hoeft DNB naar mijn mening niet om instemming te vragen om werkzaamheden te verrichten met betrekking tot die verzekeringen. Er is dan immers “toezichtrechtelijk” geen sprake van het “verrichten van diensten” naar een andere lidstaat (art. 2:117 juncto art. 1:1 Wft).
4. Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met een verzekeringsportefeuille waarin zich levensverzekeringen of schadeverzekeringen bevinden met verzekeringnemers die na het sluiten van de verzekering zijn verhuisd naar een andere lidstaat, hoeft DNB niet om instemming te vragen om in die andere lidstaat werkzaamheden te verrichten in verband met de verzekeringen van die “verhuisde” verzekeringnemers. Hij verricht met betrekking tot die verzekeringen immers geen dienst in de zin van de Wft naar een andere lidstaat.7 Er is geen sprake van het sluiten van een verzekering in de lidstaat waar die verzekeringnemer naartoe is verhuisd.8 De overdragende verzekeraar hoefde DNB hiervoor geen instemming te vragen en de verkrijgende verzekeraar hoeft dat ook niet te doen.
Het vorenstaande is eigenlijk ook wel logisch: anders zou iedere verhuizing van een verzekeringnemer naar een andere lidstaat tot gevolg hebben dat de levensverzekeraar of schadeverzekeraar opeens DNB om instemming moet gaan vragen om de verzekering van die klant te behandelen.
De conclusie is derhalve ook dat voor de verkrijgende verzekeraar niet relevant is te weten of er zich verzekeringnemers in de verzekeringsportefeuille bevinden die na het sluiten van die verzekering naar een andere lidstaat zijn verhuisd.
5. Een verzekeraar die vanuit een bijkantoor in een andere lidstaat zijn bedrijf wil uitoefenen, moet in die lidstaat een vertegenwoordiger aanstellen.9 Deze vertegenwoordiger wordt aangeduid als de “wettelijk vertegenwoordiger”. De overdragende verzekeraar die een “bijkantoor” had in een andere lidstaat moet op zijn actielijst zetten om de juridische relatie met de door hem aangestelde wettelijk vertegenwoordiger af te wikkelen. De verkrijgende verzekeraar moet een wettelijk vertegenwoordiger aanstellen.
Tekst over ‘EER-paspoorten’ in de DNB Toelichting 2019
DNB heeft in de toelichting bij het aanvraagformulier voor instemming met een overdracht onder de kop “Vergunning en EER-paspoort verkrijgende verzekeraar” de volgende tekst opgenomen;10
“(…) Indien de over te dragen verzekeringsportefeuille schadeverzekeringen bevat die risico’s verzekeren die in andere EER-lidstaten zijn gelegen, of levensverzekeringen die zijn afgesloten met polishouders in andere EER-lidstaten, dan heeft de verkrijgende verzekeraar een EER-paspoort nodig voor dienstverrichting naar de betreffende lidstaten dan wel dient deze verzekeraar over een bijkantoor te beschikken in deze lidstaten. (…).”
DNB zal hier met het woord “dienstverrichting” het “verrichten van diensten” zoals gedefinieerd in art.1:1 Wft bedoelen. Het zou de duidelijkheid van deze alinea ten goede zijn gekomen indien de inhoud van deze definitie zou zijn toegevoegd.11