Burgerschap op orde
Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/10.3.2.3:10.3.2.3 Nota naar aanleiding van het verslag
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/10.3.2.3
10.3.2.3 Nota naar aanleiding van het verslag
Documentgegevens:
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977134:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken I 2020/21, 35352, E.
Zie ook: K. Vossen, ‘Hoera! We hebben een verscherpte burgerschapswet’, M & P, 2021, 06, p. 16-17.
Kamerstukken I 2020/21, 35352, E, p. 2 en Kamerstukken II 2019/20, 35352, nr. 4, p. 5.
Ibid., p. 2.
Kamerstukken I 2020/21, 35352, E, p. 2 en Kamerstukken II 2019/20, 35352, nr. 6, p. 37.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bevoegd gezag moet basiswaarden voorleven
In de nota naar aanleiding van het verslag van 11 mei 2021 reageert de regering op de gestelde vragen.1 Eerstens wordt de noodzaak voor de verduidelijking, waardoor de burgerschapsopdracht een meer verplichtend karakter krijgt en (terughoudend) inspectietoezicht beter mogelijk wordt, nog eens onderstreept.2 Vervolgens geeft de regering de rol van het onderwijs in de versterking van de democratische rechtsstaat nogmaals aan, gerelateerd aan de bijdragen van de school aan de instandhouding en ontwikkeling ervan.3 Ook wordt onderstreept dat de school de plaats moet zijn, waar leerlingen het goede voorbeeld krijgen op het vlak van burgerschapsvorming: het bevoegd gezag moet de basiswaarden voorleven en allen die onderwijs verzorgen hiertoe bewegen.4
Het bevoegd gezag krijgt geen verantwoordingsverplichting in het schoolplan en de schoolgids, maar een zorgplicht voor een veilige schoolcultuur. Of burgerschapsvorming in voldoende mate in de vakken staatsinrichting, geschiedenis en maatschappijleer is vastgelegd, is volgens minister Slob onduidelijk. In de context van het vervolg op het in 2019 afgeronde project Curriculum.nu wordt dit nader bezien.5 De relatie tussen vrijheid van onderwijs en de schooleigen invulling, waarbij ruimte is voor de richting en/of de pedagogische autonomie van de onderwijsinstelling, komt uitvoerig aan bod. Gesteld wordt dat de vrijheid van onderwijs (artikel 23 Gw) als het onbetwiste vertrekpunt aangemerkt wordt. Dat deze vrijheid niet onaanzienlijk ingeperkt wordt, lijkt mij duidelijk: dat is ook het doel van de aanscherping.