Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/8.3.2
8.3.2 Gelijkenis met een schadesituatie waartegen wel beschermd wordt
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS588639:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Beekhuis die in zijn NJ-annotatie treffend schrijft: “Men ziet het: of een bepaald voorschrift de strekking heeft een zeker belang te beschermen is niet afhankelijk van de bedoeling van de wetgever, maar kan eerst achteraf door een objectieve interpretatie van het betreffende voorschrift worden vastgesteld. Het gevolg van deze opvatting is, dat het uiterst moeilijk is van te voren te voorspellen, hoe de Schutznormtheorie door de rechter zal worden gehanteerd.”
Weinrib 2012, p. 166 heeft over het te nauwkeurig beschrijven van het beschermingsdoel van de geschonden norm geschreven: “[T]oo particular a description would legitimize indifference to the effects of action and thus fail to reflect the wrongfulness of the act.”
Net zoals bij de vaststelling van de rechtsgevolgen van een overeenkomst kunnen ‘uitleg’ en ‘aanvulling’ aan de hand van de redelijkheid en billijkheid ineenvloeien (zie bijvoorbeeld Asser/Sieburgh 6-III 2018, nr. 366.). Ook bij de vaststelling van de strekking van een geschonden wettelijke norm laten uitleg en aanvulling van deze strekking zich niet scherp scheiden.
Zie hierover § 7.3.3.
HR 25 juni 1993,NJ 1993/686 m.nt. P.A. Stein (Cijsouw/De Schelde I) en HR 2 oktober 1998,NJ 1999/683 m.nt. J.B.M. Vranken (Cijsouw/De Schelde II). Overigens is de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis in deze zaak niet een onrechtmatige daad maar een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis uit overeenkomst. Omdat De Schelde tekort geschoten is in de nakoming van een wettelijke norm, die nader wordt ingevuld door ongeschreven zorgvuldigheidsnormen, bespreek ik deze casus op deze plaats.
Zie nader § 7.3.3.
Onduidelijk is overigens was hiermee wordt bedoeld. Indien een kans van 0,1% naar 0,2% wordt verhoogd, is in absolute termen sprake van een vergroting van de kans van 0,1%-punt maar in relatieve termen sprake van een verdubbeling van de kans. Is de kans dan in aanmerkelijke mate vergroot?
De parafrasering door de Hoge Raad van het oordeel van het hof (rov. 3.5.4) dat “in elk geval” met het oog op het voorkomen van dit bekende de maatregelen genomen hadden moeten worden, maken duidelijk dat het bekende gevaar een ander gevaar is dan het gevaar van verspreiding van de legionellabacterie via de lucht. In het midden blijft of de whirlpoolhoudster met dit gevaar bekend behoorde te zijn. Hof noch Hoge Raad hebben vastgesteld dat zulks het geval is. Indien dit wel vastgesteld had kunnen worden, had de zaak eenvoudiger tot een oplossing gebracht kunnen worden. Kennelijk kon daar dus niet van uitgegaan worden.
In deze zin ook Jansen 2012, p. 372.
Zie ook nr. 382.
Anders Jansen 2012, p. 372, die meent dat aansprakelijkheid te ver gaat omdat de maatregelen een gevaar beoogden te voorkomen dat zich slechts had kunnen verwezenlijken als in de whirlpool zou zijn gebaad.
Voor de opvatting dat de ontstane gevolgen naar objectieve maatstaven redelijkerwijs te verwachten zijn bij schending van de norm, heb ik in het arrest verder geen ondersteuning kunnen vinden.
Jansen 2012, p. 372.
Jansen 2012, p. 370, 371, 372. Zie ook Jansen 2006a, p. 19 t/m 22. In nr. 359 zette ik uiteen dat minder gelukkig is het door Jansen gebruiken van deze term generaliseren om duidelijk te maken dat de laedens niet behoeft te voorzien de precieze wijze waarop de schade ontstaat.
Inleiding
390. In het nu te bespreken eerste type geval vertoont de door de normschending veroorzaakte schadesituatie een sterke mate van gelijkenis – ter zake van zowel de persoon van de gelaedeerde, het soort schade, als de wijze van ontstaan van de schade – met de schadesituaties waartegen met de geschonden norm wel beoogd werd te beschermen. Om die reden is de laedens toch voor de door de normschendende gedraging veroorzaakte schade aansprakelijk, ook al beoogde de geschonden norm niet te beschermen tegen de schade zoals geleden. Ik bespreek deze situatie eerst in het geval van de schending van een wettelijke norm en vervolgens in het geval van de schending van een norm van ongeschreven recht.
Schending van een wettelijke norm
391. Dat de schending van een wettelijke norm ook aansprakelijk kan maken voor de schade waartegen de wetgever niet beoogde te beschermen, komt naar voren in Claessens/Tijssen.1
Elektricien Swinkels werd bij werkzaamheden aan de elektriciteitsinstallatie van Claessens dodelijk getroffen door elektrische stroom. De elektriciteitsinstallatie van Claessens voldeed niet aan de veiligheidseisen zoals gesteld in het op basis van de Veiligheidswet 1934 van kracht zijnde Electrotechnisch Veiligheidsbesluit 1938. Claessen werd om die reden strafrechtelijk veroordeeld wegens overtreding van art. 10 Veiligheidswet. Tijssen, de weduwe van Swinkels, sprak Claessens op grond van onrechtmatige daad aan tot schadevergoeding. Het hof wees deze vordering toe. In cassatie klaagde Claessens dat het hof ten onrechte zijn verweer had verworpen dat uit de wetsgeschiedenis volgde dat de Veiligheidswet en het Electrotechnisch Veiligheidsbesluit strekten tot bescherming van de belangen van degenen die werkzaam zijn in het bedrijf van de onderneming die aan de eisen van de wet en het besluit dient te voldoen, dat Swinkels een werknemer was in dienst van installateur Keijsers die in opdracht van Claessens werkzaamheden aan de elektriciteitsinstallatie verrichtte en Claessens jegens Swinkels dus niet onrechtmatig had gehandeld. De Hoge Raad verwierp deze klacht, overwegende: “dat aan de Veiligheidswet en de daarop berustende besluiten ten grondslag ligt de noodzakelijkheid om de in bepaalde ondernemingen werkende arbeiders tegen het gevaar van bedrijfsongevallen te beschermen; dat echter aan het feit, dat het treffen van een wettelijke voorziening noodzakelijk is geacht met het oog op de belangen van een bepaalde groep van personen, niet de gevolgtrekking mag worden verbonden, dat de gegeven voorschriften uitsluitend dienen ter bescherming van die belangen; dat het niet naleven van de krachtens art. 10 gegeven voorschriften ook anderen dan de in de onderneming werkende arbeiders in gevaar brengt en de verwezenlijking van het gevaar niet ernstiger of minder ernstig is naar gelang van den persoon die daarvan het slachtoffer is; dat mitsdien niet aannemelijk is, dat de wetgever een onderscheid als door het middel verdedigd, heeft willen maken.”
De Hoge Raad brengt in zijn motivering fraai tot uitdrukking dat bij de wetgever kennelijk het oogmerk voorzat om anderen dan Swinkels te beschermen, maar het vanwege de gelijkenis met het gevaar voor Swinkels niet redelijk zou zijn om hem buiten het beschermingsbereik van de geschonden norm te laten vallen en dus de bedoeling van de wetgever zo ook niet begrepen dient te worden.2 De Hoge Raad verenigt op deze wijze het aannemen van aansprakelijkheid voor schade waartegen de wetgever met het opstellen van de norm niet beoogde te beschermen met de relativiteitsleer door de bedoeling van de wetgever redelijk, en daarmee ruimer dan deze in werkelijkheid was, uit te leggen. Naar mijn mening kan meer in het algemeen worden gezegd dat hier sprake is van een schadesituatie die in grote mate – zowel ter zake van de persoon van de gelaedeerde, het soort schade, als de wijze van ontstaan van de schade – overeenkomt met de schadesituaties waartegen met de geschonden norm wel beoogd is te beschermen. Ook valt erop te wijzen dat Claessens een belangrijke norm heeft geschonden waarmee werd beoogd het leven en de gezondheid van personen te beschermen. Om deze redenen wordt mijns inziens aan de geschonden norm een ruimere strekking gegeven dan de subjectieve bedoeling tot bescherming van de wetgever. Naar ik meen wijkt men zo, terecht, af van de regel dat aansprakelijkheid wordt beperkt aan de hand van de met de geschonden norm beoogde bescherming.3 Of men dit construeert door uit te gaan van een geobjectiveerde uitleg van de bedoeling van de wetgever of door op redelijkheidsgronden de strekking van de norm ruimer te nemen dan de daarmee daadwerkelijk beoogde bescherming, doet er in het geval van de schending van een wettelijke norm mijns inziens weinig toe.4
Schending van een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm: inleiding
392. Ook de schending van een norm van ongeschreven recht kan aansprakelijk maken voor schade waartegen met die norm niet beoogd werd te beschermen. Ook dit gebeurt wanneer de door de normschending veroorzaakte schadesituatie een grote mate van gelijkenis vertoont met de schadesituaties waartegen met de geschonden norm wel beoogd wordt te beschermen. Het is in deze situaties echter niet goed mogelijk om, zoals in Claessens/Tijssen gebeurde, aan de bedoeling van de wetgever met de geschonden norm een geobjectiveerde uitleg te geven. In het geval van ongeschreven normen volgt namelijk het beschermingsdoel van de norm meer dwingend uit het wettelijk systeem: het gaat om het beschermen tegen het voorzienbare gevaar met het oog waarop men zich van een bepaalde gedraging had dienen te onthouden of maatregelen had dienen te nemen.5 In het navolgende bespreek ik een tweetal zaken waarbij aansprakelijkheid vanwege de schending van een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm niet aan de hand van het doel van die norm werd begrensd.
Schending van een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm: Cijsouw/De Schelde I
393. De eerste te bespreken zaak is Cijsouw/De Schelde I.6
In deze zaak sprak werknemer Cijsouw zijn werkgever De Schelde aan tot schadevergoeding op de grond dat De Schelde gedurende een periode van bijna twee decennia halverwege de twintigste eeuw onvoldoende veiligheidsmaatregelen had genomen om blootstelling van Cijsouw aan asbest te voorkomen, ten gevolge waarvan Cijsouw de ziekte mesothelioom had opgelopen. Uitgangspunt in de procedure werd dat reeds vóór de Tweede Wereldoorlog bekend was dat de blootstelling aan asbest tot de ziekte asbestose kon leiden, dat in de jaren vijftig van de twintigste eeuw ook het verband tussen de blootstelling aan asbest en longkanker was gelegd, maar dat niet vóór 1960 bekend was dat de blootstelling aan asbest tot de ziekte mesothelioom kon leiden. Dit voerde de rechtbank (in hoger beroep) tot het oordeel dat De Schelde niet op grond van art. 7A:1638x (oud) BW aansprakelijk was voor de schade van Cijsouw. In de periode vóór 1960 kon namelijk De Schelde niet verweten worden geen veiligheidsmaatregelen te hebben genomen tegen het gevaar van asbeststof in relatie tot mesothelioom. Ná 1960 schoot De Schelde tekort door het niet nemen van deze veiligheidsmaatregelen ook in relatie tot dit gevaar. Omdat Cijsouw echter niet kon aantonen dat hij niet ziek zou zijn geworden als De Schelde na 1960 deze maatregelen wel zou hebben getroffen, oordeelde de rechtbank De Schelde niet aansprakelijk. De Hoge Raad vernietigde het vonnis en oordeelde: “Indien (…) De Schelde (…) te kort is geschoten in haar verplichting om al die veiligheidsmaatregelen te nemen welke waren vereist met het oog op de haar bekende gevaren van het werken met asbest en dit verzuim de kans dat Cijsouw een tot een mesothelioom leidend asbestkristal zou binnenkrijgen, in aanmerkelijke mate heeft verhoogd, is De Schelde ingevolge art. 1638x voor de daaruit voorvloeiende schade aansprakelijk, ook al heeft die nalatigheid geleid tot de verwezenlijking van een haar toen niet bekend gevaar (mesolthelioom).” (rov. 3.6)
De door De Schelde geschonden norm beoogde te beschermen tegen het in abstracto voorzienbare gevaar met het oog waarop zij maatregelen had dienen te nemen. Dit gevaar laat zich nader specificeren aan de hand van de personen die hieraan bloot staan, het soort van schade dat zou kunnen ontstaan en het mechanisme waarmee die schade teweeg zou kunnen worden gebracht.7 Zoals ook de rechtbank oordeelde en de Hoge Raad tot uitgangspunt lijkt te nemen, beoogde de door De Schelde geschonden norm vóór 1960 slechts te beschermen tegen schade die het gevolg is van asbestose en longkanker en niet tegen schade die het gevolg is van mesothelioom. Tegelijkertijd springt in het oog dat de schadesituatie die zich heeft voorgedaan in grote mate – qua persoon, soort schade en wijze van ontstaan van de schade – overeenkomt met de schadesituaties waartegen met de geschonden norm wel beoogd werd te beschermen. Om deze reden ligt het mijns inziens voor de hand om te oordelen dat het niet redelijk zou zijn om de gelaedeerde een aanspraak op schadevergoeding te ontzeggen en de laedens van aansprakelijkheid te bevrijden op de grond dat de schade zoals geleden net op andere wijze is veroorzaakt dan waartegen de norm beoogde te beschermen. Dit nog te meer omdat sprake was van een wezenlijke norm die beoogde het leven en de gezondheid van personen te beschermen en De Schelde die norm over een lange periode heeft geschonden.
Op zichzelf is overigens denkbaar om het relativiteitsprobleem te ontlopen door te betogen dat de geschonden norm tot doel heeft om het ziek worden van werknemers te voorkomen en helder is dat werknemer Cijsouw ziek is geworden. Op deze wijze generaliseert men het doel van de geschonden norm enigszins, althans geeft men een beschrijving van dit doel in meer algemene termen. Het gebruik van deze methode verdient geen aanbeveling. Op deze manier laat elk relativiteitsprobleem zich wegtoveren: in het uiterste geval kan men vrijwel steeds zeggen dat met de norm beoogd is te beschermen tegen schade. De schade zoals geleden zal dan beantwoorden aan het doel van de norm: beoogd was immers juist om tegen schade te beschermen. Hieruit blijkt dat het niet toelaatbaar is om zomaar een willekeurige generalisatie of algemene beschrijving van het doel van de norm te kiezen en aan de hand daarvan te toetsen of de schade zoals geleden daaraan beantwoordt. Als men het doel generaliseert of in meer algemene termen beschrijft, is het noodzakelijk om te motiveren waarom juist die generalisatie respectievelijk meer algemene beschrijving van het doel toelaatbaar is. Aldus moet men dus toch uitleggen waarom zo’n generalisatie of algemenere beschrijving door de redelijkheid wordt gevergd. Het probleem met deze generaliseringsmethode is dat het geven van die motivering, zeker waar subtiel wordt gegeneraliseerd, er gemakkelijk bij inschiet. Beter is om gewoon uit te leggen waarom de redelijkheid vergt dat aansprakelijkheid bestaat voor de door een normschendende gedraging veroorzaakte schade ook al beoogde de geschonden norm niet daartegen te beschermen.
De Hoge Raad was kennelijk van oordeel dat het begrenzen van aansprakelijkheid aan de hand van de met de norm beoogde bescherming, zoals de rechtbank had gedaan, tot een onredelijke uitkomst leidde. In zijn motivering lijkt hij enigszins te worstelen met het bereiken van de conclusie dat De Schelde toch aansprakelijk is. Impliciet neemt hij als uitgangspunt dat de geschonden norm niet beoogde te beschermen tegen de schade zoals geleden. Vervolgens noemt hij enkele omstandigheden die in zijn opvatting kennelijk maken dat De Schelde niettemin aansprakelijk is voor de ten gevolge van de normschending door Cijsouw geleden schade. Met name lijkt de Hoge Raad in dit verband van belang te achten dat sprake was van het ten onrechte niet nemen van veiligheidsmaatregelen terwijl dit de kans op mesothelioom “in aanmerkelijke mate” heeft verhoogd.
Mijns inziens is het juist dat de Hoge Raad het niet begrenzen van aansprakelijkheid aan de hand van het doel van de geschonden norm, zoals hij lijkt te willen doen, met aanvullende omstandigheden motiveert. Maar deze door hem genoemde omstandigheden kunnen mijns inziens de bereikte conclusie niet dragen. In andere gevallen waarin een veiligheidsnorm is geschonden wordt aansprakelijkheid van de laedens namelijk gewoon begrensd aan de hand van de met die norm beoogde bescherming, ook als de onrechtmatige daad de kans op het gevaar zoals zich dat heeft verwezenlijkt in aanmerkelijke mate heeft verhoogd.8 Niet alleen zijn deze omstandigheden op zichzelf onvoldoende, naar ik meen zijn deze omstandigheden bovendien ook niet nodig om te kunnen concluderen dat ook aansprakelijkheid bestaat voor de schade waartegen met de geschonden norm niet beoogd werd te beschermen. Ook als de kans op mesothelioom niet “in aanmerkelijk mate”9 zou zijn verhoogd, zie ik niet goed in waarom De Schelde niet tegenover Cijsouw aansprakelijk zou zijn geweest voor de veroorzaakte schade: evengoed had De Schelde dan tegenover Cijsouw een belangrijke norm gedurende lange tijd geschonden, had Cijsouw ten gevolge daarvan ernstig ziek kunnen worden en heeft de normschending feitelijk mesothelioom veroorzaakt. Mijns inziens zou het inzichtelijker zijn geweest wanneer de Hoge Raad, net zoals in Claessens/Tijssen, zijn beslissing ermee had gemotiveerd dat het vanwege de grote gelijkenis met de schadesituaties waartegen met de geschonden norm wel beoogd is te beschermen, het niet redelijk zou zijn om voor de veroorzaakte schade geen aansprakelijkheid aan te nemen.
Schending van een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm: Legionella
394. Dezelfde problematiek speelde in de Legionella-zaak.10
Diverse slachtoffers van de legionellabesmetting tijdens de Westfriese Flora in 1999 te Bovenkarspel spraken de houdster aan van de whirlpool die de bron van de besmetting was geweest. In de whirlpool hadden legionellabacteriën zich kunnen vermenigvuldigen door de verwarming van het daarin aanwezige, stilstaande water. Door middel van zeer kleine in de lucht zwevende waterdruppeltjes en stofdeeltjes (aerosolen) zijn deze bacteriën vanuit de whirlpool via de lucht terechtgekomen in de luchtwegen van bezoekers. Ten gevolge daarvan zijn tientallen bezoekers overleden en honderden bezoekers (ernstig) ziek geraakt. Het hof oordeelde dat de whirlpoolhoudster in elk geval met het oog op bekende gezondheidsgevaren gehouden was om maatregelen te nemen (ontsmetten met chloor en gebruik van de wel geïnstalleerde ozongenerator) ter voorkoming van bacteriegroei in de whirlpool. In handleidingen van whirlpools werden deze maatregelen namelijk voorgeschreven voor het veilig gebruik en met name het veilig baden. Het hof oordeelde daarbij dat de whirlpoolhoudster deze veiligheidsnorm ook had behoren na te leven als zij niet (specifiek) bekend was met het gevaar van groei van de haar niet-bekende legionellabacterie en de haar onbekende weg van verspreiding via aerosolen onder bezoekers van de expositieruimte. Wat die bekende gezondheidsgevaren zijn, daarover laat het hof zich niet uit. Het lijkt erop dat het hof andere gevaren dan verspreiding van de legionellabacterie via de lucht op het oog had,11 zoals gevaren die zich zouden kunnen verwezenlijken bij het baden in een niet-ontsmette whirlpool.12 In cassatie klaagde de whirlpoolhoudster in essentie dat het hof met deze oordelen de relativiteitsleer miskende. De Hoge Raad verwierp deze klacht met een lange en voor mij weinig heldere motivering (rov. 3.6.1 t/m 3.6.5). De Hoge Raad weegt hierbij mee dat sprake is van een veiligheidsnorm die dient te worden nageleefd met het oog op het voorkomen van ernstig algemeen gevaar voor de gezondheid van mensen, dat de gevolgen die zich hebben voorgedaan naar objectieve maatstaven redelijkerwijs te verwachten zijn bij de schending van deze norm (maar kennelijk zonder dat ook de whirlpoolhoudster het gevaar behoorde te verwachten) en dat bovendien de veiligheidsmaatregelen weinig kostbaar waren en daarmee een ernstig gevaar voorkomen had kunnen worden.
Ook hier is de discrepantie tussen de met de geschonden norm beoogde bescherming en de schade zoals geleden tamelijk duidelijk: kennelijk hadden door de whirlpoolhoudster maatregelen genomen moeten worden ter voorkoming van de bacteriegroei in de whirlpool, maar moesten deze maatregen beschermen tegen het gevaar dat personen bij het baden in de whirlpool ziek zouden worden.
Opvallend is hoe het hof het relativiteitsprobleem probeert te omzeilen door te overwegen dat de veiligheidsmaatregelen steeds, ongeacht of de whirlpoolhoudster bekend was of behoorde te zijn met het gevaar dat zich heeft verwezenlijkt, behoorden te worden genomen. Daarmee verwerpt het hof op een niet-begrijpelijke manier het verweer dat geen schadevergoedingsverplichting bestaat omdat de geschonden norm niet strekte tot bescherming tegen de schade zoals geleden: het verweer houdt immers in dat, daargelaten of de maatregelen genomen dienden te worden, daarmee niet werd beoogd te beschermen tegen de schade zoals veroorzaakt. Wel maakt deze overweging van het hof duidelijk dat het gegeven dat de norm is geschonden, als het ware meer gewicht heeft dan de omstandigheid dat de norm niet strekte tot bescherming tegen de schade zoals geleden.13 Uit de uitvoerige motivering die de Hoge Raad geeft, kan mijns inziens worden afgeleid dat de Hoge Raad het arrest van het hof niet zodanig meende te kunnen lezen dat de whirlpoolhoudster het gevaar van de verspreiding van de legionellabacterie via de lucht behoorde te kennen en (ook) op die grond veiligheidsmaatregelen had behoren te nemen. Indien de Hoge Raad namelijk een dergelijk oordeel wel in ‘s hofs arrest zou hebben gelezen, dan was een uitvoerige motivering van de verwerping van de klacht over miskenning van het relativiteitsvereiste door het hof overbodig geweest.
Is redelijk om de whirlpoolhoudster aansprakelijk te houden tegenover de gelaedeerden? De gelijkenis tussen de schadesituatie zoals deze zich heeft voorgedaan en de schadesituaties waartegen de norm (kennelijk) beoogde te beschermen is hier minder sprekend dan in Cijsouw/De Schelde I: het in contact komen met het in de whirlpool aanwezige water en het op die wijze ziek worden is mijns inziens behoorlijk anders dan het via de lucht inademen van bacteriën. Ook de laakbaarheid van de normschending ligt in deze zaak minder duidelijk. De Schelde had gedurende een periode van bijna twee decennia ten onrechte geen veiligheidsmaatregelen genomen ter voorkoming van ernstige gezondheidsschade bij haar werknemers. Tijdens de Westfriese Flora werd wellicht niet in de whirlpool gebaad en kwamen bezoekers mogelijk ook niet in contact met het in de whirlpool stilstaande water. Het schenden van de norm lijkt dan minder ernstig te zijn en was wellicht zelfs juist door deze omstandigheden ingegeven. Naar ik meen, maakt de combinatie van het gegeven dat niet duidelijk was dat de in de handleidingen van de whirlpool voorgeschreven maatregelen voor veilig gebruik uitsluitend zagen op personen die in de whirlpool zouden gaan baden, terwijl zich ook niet liet uitsluiten dat personen met het water in contact zouden komen, dat zich nog net laat rechtvaardigen om aansprakelijkheid voor de veroorzaakte schade te laten bestaan.14
De Hoge Raad heeft als gezegd enkele bijzondere omstandigheden naar voren gebracht die kennelijk naar zijn oordeel eraan bijdroegen dat, ondanks de discrepantie tussen de met de geschonden norm beoogde bescherming en de schade zoals geleden, de whirlpoolhoudster aansprakelijk diende te zijn. Hij wees op de omstandigheid dat sprake is van de schending van een veiligheidsnorm die ernstig algemeen gevaar voor de gezondheid van mensen moest voorkomen, de gevolgen naar objectieve maatstaven redelijkerwijs te verwachten zijn bij schending van deze norm15 en bovendien de veiligheidsmaatregelen weinig kostbaar waren. Om dezelfde reden als bij de in Cijsouw/De Schelde I gegeven aanvullende voorwaarden acht ik aan twijfel onderhevig of dit de werkelijke redenen zijn die maken dat het redelijk is om de whirlpoolhoudster aansprakelijk te houden.
Slotsom: hoe te beoordelen of nuancering op haar plaats is?
395. Geconstateerd kan worden dat het onredelijk kan zijn om aansprakelijkheid te begrenzen aan de hand van het doel van de geschonden norm indien de schade zoals geleden in voldoende mate, qua persoon van de gelaedeerde, het soort schade en de wijze waarop de schade is ontstaan, lijkt op de schade waartegen met de geschonden norm wel beoogd is te beschermen. De categorische regel die de wet in art. 6:163 BW geeft (“Geen verplichting tot schadevergoeding bestaat, wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden.”) kan gemakkelijk tot de verkeerde conclusie leiden dat aansprakelijkheid wel steeds begrensd is tot hetgeen met de norm is beoogd. Men kan ondanks de regel van art. 6:163 BW in de in het voorgaande besproken gevallen een redelijk uitkomst bereiken door de strekking van de geschonden norm, op redelijkheidsgronden, enigszins ruimer uit te leggen dan de met die norm beoogde bescherming.
Wanneer eenmaal erkend is dat het onredelijk kan zijn om aansprakelijkheid aan de hand van het doel van de geschonden norm te begrenzen, kan in openheid gedebatteerd worden over het antwoord op de vraag of het in de concrete omstandigheden redelijk is om ook aansprakelijkheid te laten bestaan voor de schade zoals geleden terwijl niet beoogd was om daartegen te beschermen. Het komt bij de beantwoording van deze vraag mijns inziens vooral aan op de gelijkenis tussen de schadesituaties waartegen met de geschonden norm beoogd is te beschermen en de veroorzaakte schadesituatie. Voorts lijkt mij van belang de ernst van het gevaar waartegen de geschonden norm beoogde te beschermen en de duur van de normschending. Naarmate het schenden van de norm vanwege de ernst van het daardoor in het leven geroepen gevaar of vanwege de duur ervan meer laakbaar is, spreekt mijns inziens minder aan om de laedens weg te laten komen op de grond dat zich net een ander gevaar heeft verwezenlijkt. Ook van belang lijkt mij of de schade waartegen met de geschonden norm beoogd werd te beschermen in de concrete omstandigheden daadwerkelijk had kunnen intreden. In het algemeen lijkt mij niet van belang te zijn de objectieve kans op het gevaar dat zich heeft verwezenlijkt, maar waartegen met de geschonden norm niet beoogd werd te beschermen. Zowel bij een grote als bij een geringe objectieve kans zijn het doorgaans de overige omstandigheden van het geval die maken dat het al dan niet redelijk zou zijn om de laedens ook voor de veroorzaakte schade aansprakelijk te houden.
Ook Jansen acht waar deze problematiek speelt in het geval van ongeschreven zorgvuldigheidsnormen, mijns inziens terecht, van belang dat het risico dat de laedens voorzag of behoorde te voorzien en het onvoorzienbare risico dat zich heeft verwezenlijkt “gezien hun aard en ernst” in voldoende mate “van gelijke orde zijn”.16 Volgens hem wordt in het kader van het kennisvereiste bij gevaarzetting, naast geobjectiveerd, ook gegeneraliseerd om zo een gewenste uitkomst te bereiken.17 De plaatsing van het in deze paragraaf besproken verschijnsel in het kennisvereiste is echter minder gelukkig. Objectivering in het kader van het kennisvereiste vindt plaats om de laedens ook te kunnen houden aan normen waarmee beoogd wordt te beschermen tegen een gevaar dat de laedens niet voorzag, maar dat de relevante maatman-laedens wel had behoren te voorzien. Anders dan bij objectivering van kennis het geval is, gaat het bij deze generalisering niet om de vraag of de laedens zich wel of niet aan een zorgvuldigheidsnorm had te houden: de zorgvuldigheidsnorm geldt, ook als men de kennis van de laedens niet generaliseert. Het probleem dat zich hier voordoet is of het wel redelijk is de laedens die een gedragsnorm schendt aansprakelijk te houden voor de schade die ontstaat doordat als gevolg van die normschending zich een gevaar heeft verwezenlijkt dat de laedens niet had voorzien en ook niet behoefde te voorzien. Hier ligt dus niet een vraag naar het bestaan van de gedragsnorm voor, maar de vraag of het normatieve verband tussen de normschendende gedraging en de schade toereikend is om de laedens voor de schade aansprakelijk te houden. Dezelfde problematiek speelt bovendien, zoals wij in nr. 392 zagen, ook in het geval van wettelijke normen waar het kennisvereiste niet geldt en dus ook niet kan worden gebruikt om aansprakelijkheid te verruimen. Om deze redenen is de plaatsing van dit verschijnsel in het kennisvereiste niet gelukkig.