Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/8.3.1
8.3.1 Inleiding
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS588638:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover ook § 7.2.3. Het verschijnsel dat zich hier voordoet zullen wij ook zien bij de grenzen II t/m IV: ook al valt de schadesituatie buiten deze grenzen, het gegeven dat de schadesituatie zozeer lijkt op de schadesituaties waartegen met de geschonden norm wel beoogd is te beschermen, maakt dat het toch niet redelijk zou zijn om de laedens te laten wegkomen zonder de schade te vergoeden en de gelaedeerde vergoeding te onthouden (zie § 9.3.4, 10.3 respectievelijk 11.3).
Lankhorst 1992a, p. 119 t/m 121 wijst wel op de ‘generalisatietechniek’ bij de uitleg van de geschonden norm. Du Perron 1999, nr. 138 wijst erop dat bij de verplichting tot vergoeding van verplaatste zaakschade aan een contractueel belanghebbende, het relativiteitsvereiste gedeeltelijk wordt geschrapt.
387. Omdat in de literatuur sinds lange tijd algemeen aanvaard is dat aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad dient te worden begrensd indien met de geschonden norm niet beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden, zal ik hier geen verdere gevallen bespreken waarin deze regel wordt toegepast. Van aanzienlijk groter belang is inzicht te verkrijgen in de situaties waarin deze regel buiten toepassing wordt gelaten. Dit is van belang omdat dit in de rechtspraak mijns inziens nogal eens gebeurt en dan vrijwel steeds op een min of meer verhulde wijze. Het gevolg daarvan is dat onduidelijk wordt wanneer en hoe aansprakelijkheid wordt begrensd aan de hand van het doel van de geschonden norm.
388. Naar mijn mening kan in twee typen gevallen toch aansprakelijkheid bestaan voor de door een normschending veroorzaakte schade die niet beantwoordt aan het doel van de geschonden norm. In de eerste plaats kan de door een normschending veroorzaakte schadesituatie een dermate grote gelijkenis vertonen met de schadesituaties waartegen met de norm wel beoogd is te beschermen, dat het onredelijk zou zijn wanneer de laedens de veroorzaakte schade niet zou behoeven te vergoeden.1 In de tweede plaats kan het zo zijn dat de schade zoals veroorzaakt niet meer in het algemeen op eenzelfde wijze rechtmatig kan ontstaan. De rechtvaardiging voor het begrenzen van aansprakelijkheid aan de hand van het doel van de geschonden norm doet dan geen opgeld. Het zou dan onredelijk zijn de laedens niet ook de veroorzaakte schade te laten vergoeden. In de literatuur worden deze uitzonderingen niet duidelijk onderkend.2 Ik bespreek deze beide uitzonderingen nader in § 8.3.2 respectievelijk § 8.3.3.
389. In onze literatuur wordt sinds lange tijd wel algemeen onderkend dat het toepassen van de relativiteitsleer tot een te scherpe begrenzing van aansprakelijkheid kan leiden en het dan nodig is daarvoor te corrigeren. Naar de heersende opvatting gebeurt dat door middel van de correctie-Langemeijer: de gelaedeerde tegen wiens schade met de geschonden wettelijke norm niet beoogd werd te beschermen, wordt dan toch een aanspraak gegeven door middel van een aanvullende zorgvuldigheidsnorm van ongeschreven recht.3 Het bijzondere hierbij is dat de geschonden wettelijke norm waarmee niet beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden, wel beslissend kan bijdragen aan het aannemen van een zorgvuldigheidsnorm die wel een dergelijke bescherming biedt. De correctie-Langemeijer behandel ik in § 8.3.4. Ik zal betogen dat het beter is haar niet te beschouwen als correctie op het begrenzen van aansprakelijkheid aan de hand van de met de wettelijke norm beoogde bescherming.