Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/5.5.2
5.5.2 De regels van nationaal recht
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS576415:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Hartkamp 2007a, p. 14. Hartkamp wijst hierbij op het verschil met het oude actiënstelsel van het Romeinse recht.
Voor de bestuursrechter is dit anders, zie art. 8:69 lid 3 Awb volgens welke bepaling de rechter ambtshalve de feiten kan aanvullen.
Snijders 2008, p. 545.
Snijders 2007a, p. 88; Snijders & Wendels 2003, nr. 229 e.v.; Ras/Hammerstein 2004, nr. 16 e.v.
Asser procesrecht/Veegens, Korthals Altes & Groen (2005), nr. 163-164.
Hartkamp 2007a, p. 17-19.
Hartkamp 2007a, p. 17-18.
Snijders 2008, p. 544-545.
HvJ EG 14 december 1995, gevoegde zaken C-430 en 431/93 (Van Schijndel en Van Veen), Jur. 1995, p. 1-4705, Nj 1997, 116 m.nt. P.J. Slot en HJS onder HR 22 december 1995, NJ 1997, 118; HvJ EG 1 juni 1999, zaak C-126/97 (Eco Swiss/Benetton), Jur. 1999, p. 1-3055, Nj 2000, 339, m.nt. HJS onder HR 25 februari 2000, Nj 2000, 340; HvJ EG 7juni 2007, gevoegde zaken C-222/05 t/m C-225/05 (Van der Weerd), Jur. 2007, p. 1-4233, r.o. 28.
De burgerlijke rechter kan en moet de dwingende bepalingen van het mededingingsrecht toepassen op grond van artikel 25 Rv. Artikel 25 Rv dient in samenhang met artikel 24 Rv te worden gelezen en bepaalt dat de rechter zonodig ambtshalve de rechtsgronden dient aan te vullen. Die verplichting geldt in beginsel slechts binnen de rechtsstrijd van partijen. De eiser dient duidelijk te maken wat hij van de gedaagde vordert. Als gevolg van het feit dat de rechter zelfstandig beoordeelt of het recht de toewijzing van de vordering op basis van de door de eiser aangevoerde feiten rechtvaardigt, is het niet noodzakelijk dat de eiser duidelijk maakt op welke wettelijke grondslag de vordering steunt.1 Dit geldt ook voor het verweer van de gedaagde.
Op grond van artikel 24 Rv onderzoekt en beslist de rechter de zaak op de grondslag van hetgeen partijen aan hun vordering, verzoek of verweer ten gronde hebben gelegd. De rechter is gebonden aan de door partijen gestelde feiten en de door hen voorgedragen eisen en verweren. Het ambtshalve aanvullen van feitelijke gronden is verboden.2 Uiteraard kan de rechter wel bevorderen dat de rechtsstrijd met medewerking van partijen wordt uitgebreid. Een dergelijke uitbreiding kan bijvoorbeeld plaatsvinden door het bij comparitie, pleidooi of via een aktewisseling uitlokken van aanvullende vorderingen of verweren.3 In appel wordt de rechtsstrijd nader beperkt tot het grievenstelsel (uitgezonderd de positieve werking van de devolutieve werking en de mogelijkheid van wijziging van eis of verzoek en nieuw verweer).4 In cassatie wordt het onderzoek beperkt tot de cassatiemiddelen.5
Hartkamp deelt de ambtshalve aanvulling van rechtsgronden op in twee categorieën. Enerzijds de ambtshalve aanvulling van de vorderingsgrond, anderzijds de ambtshalve beoordeling van de geldigheid van een rechtshandeling. Naast de ambtshalve aanvulling van de vorderingsgrondslag ziet artikel 25 Rv ook op de ambtshalve beoordeling van de geldigheid van een rechtshandeling.6 Deze twee toepassingsgevallen verschillen volgens Hartkamp aanmerkelijk van elkaar.7 Bij de ambtshalve aanvulling van de vorderingsgrondslag kan artikel 25 Rv betrekking hebben op zowel dwingend recht als regelend recht. Bij de nietigheid van rechtshandelingen gaat het alleen om regels van dwingend recht.8
Bij de ambtshalve aanvullen van de vorderingsgrondslag kan de rechter de hem door artikel 25 Rv opgedragen opdracht alleen binnen de grenzen van de rechtsstrijd verwezenlijken. De rechter kan de rechtsgronden slechts aanvullen binnen het kader van de vorderingen en verweren van partijen en op de feitelijke stellingen die zij daaraan ten grondslag hebben gelegd. Bij de nietigheid van rechtshandelingen geldt deze beperking volgens Hartkamp niet. De rechter kan verplicht zijn een vordering tot nakoming af te wijzen omdat de overeenkomst nietig is, ook al valt de beslissing buiten de rechtsstrijd van partijen. Hoewel deze visie origineel is, overtuigt zij niet. Voor een dergelijk onderscheid dient een rechtvaardigingsgrond te bestaan en die is in dit geval niet te vinden. In de rechtspraak is ook geen steun te vinden voor de door Hartkamp verdedigde opvatting dat de rechter verplicht kan zijn een vordering tot nakoming af te wijzen omdat de overeenkomst nietig is, ook á valt de beslissing buiten de rechtsstrijd van partijen. Enige steun zou alleen gevonden kunnen worden in de terloopse beslissing van de Hoge Raad in r.o. 3.6 van het arrest Vreugdenhil/BVH. De Hoge Raad overweegt:
'Het hof heeft - in cassatie terecht niet bestreden - geoordeeld dat het de nietigheid van de overeenkomsten voor zover nodig ambtshalve moet vaststellen, als in de stellingen van BVH niet een voldoende duidelijk beroep op deze nietigheid ligt besloten.'
Volgens Hartkamp zou uit deze woorden zijn af te leiden dat fundamentele, onontbeerlijke en dwingende bepalingen van gemeenschapsrecht zoals (thans) artikel 81 EG, die niet van openbare orde zijn, toch ambtshalve buiten de rechtsstrijd zouden moeten worden toegepast. Het is de vraag of dat in de uitspraak van de Hoge Raad te lezen valt. Indien dat in de terloopse overweging van de Hoge Raad te lezen zou zijn, is de beslissing van de Hoge Raad zowel op grond van het nationaal procesrecht als op grond van het Europees recht (Van Schijndel en Van der Weerd) onjuist.9 Naar Nederlands recht wordt de verplichting tot ambtshalve aanvulling van rechtsgronden (in eerste aanleg en appel) alleen uitgebreid buiten de rechtsstrijd van partijen (en in appel dus ook buiten de grieven om) indien het een kwestie van openbare orde betreft. Gelet op de rechtspraak van het HvJ EG in Van Schijndel, Eco Swiss/Benetton en Van der Weerd is naar Europees recht van een verplichting om de vordering tot nakoming buiten de rechtsstrijd van partijen af te wijzen wegens nietigheid van de overeenkomst alleen sprake indien de rechtshandeling in strijd is met de openbare orde in de zin van een bepaalde regeling (zie voor het begrip openbare orde en het feit dat een bepaalde regel van openbare orde is in de zin van een andere regel § 5.5.6.6 en § 6.3.6).10