Einde inhoudsopgave
De integratie van fiscale gegevens in het rijksbrede toezicht (FM nr. 155) 2018/5.6.2.2
5.6.2.2 De locaties
M. Snippe, datum 20-10-2018
- Datum
20-10-2018
- Auteur
M. Snippe
- JCDI
JCDI:ADS375247:1
- Vakgebied(en)
Privacy / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Hieronder vallen gebouwen (fabriekshal, winkel, woning e.d.) en terreinen (waaronder de erfstrook ter afscheiding van een gebouw van de openbare weg).
Een ruimte dient ‘objectief’ gezien als woning te worden gekwalificeerd, zie o.a. HR 19 juni 2001, NJ 2001/574. Zie voor over het begrip ‘woning’ Vellinga-Schootstra in Handboek strafzaken 13 en het commentaar van S.S. Buisman en S.B.G. Kierkels Wetenschappelijk commentaar op de Nederlandse Grondwet, Nederland Rechtsstaat. In: Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, E.M.H. Hirsch Ballin en G. Leenknegt (red.), www.nederlandrechtsstaat.nl (webeditie 2014).
R. Brekveld, Binnentreden in onroerende zaken.de controlesfeer, niet voor de strafvorderingssfeer, Belastingblad 2001/107.
M.W.C. Feteris, Formeel belastingrecht (Fiscale Handboeken nr. 9), 2007; L.A. de Blieck cs., Algemene wet inzake rijksbelastingen, Fed fiscale studieserie 5, 2015, p. 208.
De groep ‘bewoners’ is kleiner dan de groep van personen die als ‘gebruikers’ kwalificeert. Een verhuurder van een woning is immers wel gebruiker maar geen bewoner.
Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 19 mei 1999, nr. AFZ99/ 1542M, par. 2.2 en 2.3, V-N 1999/25.21.
Kamerstukken II 1984/85, 19 073, nr. 3, p. 20; zie ook HR 4 januari 1972 NJ 1972/121 en HR (strafkamer) 19 juni 2001 LJN:AB2202.
Vgl. CRvB 11 april 2007, LJN:BA2410. Op grond van het EVRM dient sprake te zijn van het zogenaamde ‘informed consent’ (art. 8 EVRM). Dit houdt in dat de betrokkene zijn toestemming moet hebben gebaseerd op volledig en juiste informatie over reden en doel van het (huis)bezoek. De bewijslast hiervan ligt bij het overheidsorgaan
Een uitzondering geldt voor de belastingdeurwaarders en gerechtsdeurwaarders. Zij hebben geen machtiging nodig om een woning zonder toestemming binnen te kunnen treden. De staatssecretaris van Financiën heeft criteria voor het binnentreden van een belastingdeurwaarder vastgesteld (Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 19 mei 1999, nr. AFZ99/1542M, V-N 1999/25.21). Voor hen gelden wel de algemene bepalingen uit de Awbi met betrekking tot legitimatie (Kamerstukken II 1992/93, 19 073, nr. 9, p. 3; Kamerstukken II 1992/93, 19 073, nr. 13, p. 3.).
ACM, art. 77 Huisvestingswet, art. 7.19 Mediawet 2008, art. 54 Waarborgwet 1986. IlenT, art. 15 Wet voorkoming verontreiniging schepen, art. 18 Wet havenstaatcontrole, art. 50 Wet zeevarenden, art. 84 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, art. 24 Arbeidsomstandighedenwet en art. 5.13 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
CBb 8 juli 2015, ECLI:NL:CBB:2015:191.
Vertrekken voor zakelijke activiteit zijn door het Europese Hof onder het begrip ‘home’ gebracht: EHRM 30 maart 1989, NJ 1991/522 (Chapell); EHRM 16 december 1992, nr. 13710/88, NJ 1993/400 (Niemietz vs. Duitsland); EHRM 16 april 2002, nr. 37971/97 (Sociétés Colas vs. Frankrijk), NJ 2003/452, V-N 2002/47.5. AB 2002/277, waarover Tak in NJCM-Bulletin 2003, p. 37-44 en EHRM 18 april 2013, 26419/10, par. 37, EHRM 18 april 2013, EHRC 2013/130 (Saint Paul vs. Luxembourg).
HR 3 oktober 1993, LJN:ZD0189, NJ 1996/219. Anders: Th. W. van Veen onder EHRM 16 december 1992, NJ 1993/400 en E. Myjer, NJCM-bulletin 1993, p. 320-329.
EHRM 16 december 1992, nr. 13710/88 par. 31, NJ 1993/400 (Niemietz vs. Duitsland).
In art. 8 EVRM gaat het in essentie om de begrippen ‘home’ en ‘domicile’. Die zijn ruimer ruimer dan het begrip ‘woning’ en kunnen ook ‘bedrijfsruimten’ omvatten (EHRM 16 december 1992, NJ 1993/400 (Niemetz); EHRM 16 april 2002, nr. 37971/97 (Sociétés Colas vs. Frankrijk), NJ 2003/452, V-N 2002/47.5. AB 2002/277); HR 3 oktober 1995, NJ 1996/219; HR 23 april 1996, NJ 1996/548). Ook kantoorruimte kan volgens het EHRM onder de term ‘home’ vallen (zie ook EHRM 7 november 2002, NJB 2003/4, p. 185 (Veeber vs. Estland)).
Volgens vaste jurisprudentie (onder meer EHRM 16 april 2002, nr. 37971/97 (Sociétés Colas vs. Frankrijk), NJ 2003/452, V-N 2002/47.5, AB 2002/277) kunnen ook ondernemingen zich op dit recht op privacy beroepen. Het HvJ EU volgt deze lijn van het EHRM (HvJ EU 22 oktober 2002,C-94/00 (Roquette Frères vs. Europese Commissie)).
‘Bij de toetsing van de noodzaak dient te worden onderzocht of het noodzakelijk is om tegen de wil van de belanghebbende een huisbezoek af te leggen en of dat huisbezoek proportioneel is, mede in aanmerking genomen de vraag of voorzien is in voldoende waarborgen tegen willekeur en misbruik. Daarbij dient tevens te zijn voldaan aan het vereiste van subsidiariteit in die zin dat aan het bestuursorgaan geen andere passende, minder ingrijpende middelen ter beschikking staan om de rechtmatigheid van de bijstand te onderzoeken.’ CRvB, 11 april 2007, LJN:BA2410.
EHRM 16 december 1992, nr. 13710/88 par. 37, NJ 1993/400 (Niemietz vs. Duitsland); EHRM 25 februari 2003, EHRC 2003/36 (Roemen en Schmit vs. Luxemburg); EHRM 15 juli 2003, EHRC 2003/76 (Ernst e.a. vs. België); EHRM 16 oktober 2007, EHRC 2008/3 (Wieser en Bicos Beteiligungen GmbH vs. Oostenrijk); EHRM 4 december 2015, nr. 47143/06, NJB 2016/402, EHRC 2016/87 (Roman Zakharov vs. Rusland); EHRM 12 januari 2016, 37138/14, NJB 2016/641; EHRC 2016/92 (Szabó en Vissy vs. Hongarije).
EHRM, 2 oktober 2014, nr. 97/11 (Delta PekÆrny vs. Tsjechische Republiek).
EHRM, 2 oktober 2014, nr. 97/11 (Delta PekÆrny vs. Tsjechische Republiek); zie ook conclusie A-G WahI, 12 februari 2015, zaaknr. C-583/13P (Deutsche Bahn) en J.I. Kohlen en G.J. van Midden, Europees/ Economisch recht, JutD, 30 april 2015, nr. 9, p. 10-12.
Het verplicht verlenen van toegang aan de inspecteur strekt zich uit tot een gebouw of terrein (dat in gebruik is) voor zover dat (redelijkerwijs) noodzakelijk is voor zijn onderzoek. De toezichthouder is bevoegd elke plaats te betreden (mits noodzakelijk). Het gaat om ruimten die van de publieke omgeving zijn afgescheiden. Voor het betreden van de openbare ruimte is immers geen speciale bevoegdheid nodig.1
De reikwijdte voor het betreden is afhankelijk van de kwalificatie van de plaats: voor het binnentreden van een woning – zonder toestemming van de bewoner – gelden de algemene waarborgen zoals die zijn opgenomen in de Awbi.2 Die staan los de AWR of Awb verplichtingen.
De fiscale term ‘gebouwen en gronden’ maakt volgens de parlementaire geschiedenis onderdeel uit van het bredere begrip in de Awb ‘plaatsen’: ‘niet alleen erven en andere terreinen worden hieronder begrepen, maar ook gebouwen en woningen.’3 Hoewel hier een onderscheid wordt gemaakt, wordt onder ‘gebouw’ ook de woning verstaan.4 Anders geformuleerd, ook gebouwen met een ‘woonbestemming’ behoren hiertoe.5 Alleen voor die gebouwen, en naar ik mag aannemen ook de direct daartoe behorende percelen, is toestemming vereist van de ‘bewoner’.6 Dit is grondwettelijke bepaald (art. 12 Gw). De staatssecretaris geeft de volgende toelichting bij het begrip ‘woning’: ‘Het grondrecht van de onschendbaarheid van de woning beschermt de huisvrede, dat wil zeggen het ongestoord verblijf in een ruimte die ingericht en bestemd is tot exclusief verblijf voor een persoon of voor een beperkt aantal in een gemeenschappelijke huishouding levende personen.’7 Deze omschrijving sluit aan op het begrip woning volgens de Algemene wet op het binnentreden.8
In de Awbi is bepaald dat degene die toegang wenst tot een woning, de bewoner daarom moet vragen. Toestemming is vereist.9 Wanneer de bewoner die niet geeft, is binnentreden alleen mogelijk met een machtiging van een functionaris die daartoe bevoegd is, zoals een (hulp)officier van justitie of de burgemeester.10 Een dergelijke machtiging kan alleen worden verkregen ingeval de wet de bevoegdheid tot het binnentreden zonder toestemming ook expliciet bepaalt (art. 4 Awbi).
Dat is niet het geval voor de toezichthouder op grond van de Awb. Voor hem geldt dat hij alleen woningen kan betreden mits daarvoor toestemming is verkregen van de bewoner.11 De toezichthouder heeft dan ook een algemene bevoegdheid tot het betreden van een woning, maar alleen met toestemming. De wetgever acht het voor het bestuursrecht niet noodzakelijk toegang tot woningen te verbieden tenzij dat wettelijk is bepaald.12
De Awbi regeling beperkt zich, overeenkomstig artikel 12 lid 1, van de Grondwet, tot het binnentreden zonder toestemming van de bewoner.13 Verscheidene toezichthouders beschikken echter over dergelijke uitzonderlijke bevoegdheden.14
Uit de Awb (art 5:15 Awb) volgt niet dat (ook) voor het betreden van bedrijfsruimten toestemming benodigd is.15 Deze bevoegdheid maakt betreding zonder toestemming mogelijk anders is het dwangmiddel immers niet nodig. Volgens art. 8 EVRM is hier echter ook sprake van een beschermde ruimte (aangeduid als ‘home’): die kwalificatie is namelijk ruimer dan het Nederlandse begrip ‘woning’.16 De daaruit vloeiende algemene waarborgen – voor het daadwerkelijk inmengen in de persoonlijke levenssfeer – gelden echter niet voor alle ruimten die onder het EVRM- begrip ‘home’ vallen, maar alleen voor hetgeen onder het Nederlandse begrip ‘woning’ valt.17 Het verschil in de beide begrippen is van invloed op de waarborgen bij het betreden van de ruimten.
Voor een dergelijke inbreuk op de fundamentele rechten moet een beoordeling plaatsvinden volgens het algemene stappenplan van het EHRM (zie ook par. 2.4.2.2).18 Dit ziet niet alleen op het verkrijgen van toegang tot ‘woningen’ zonder toestemming.19 Ook andere inbreuken van de persoonlijke leefomgeving zoals het betreden van bedrijfsruimten vallen daaronder.
Deze beperking is niet alleen van toepassing op natuurlijke personen. Ook rechtspersonen hebben immers recht op ‘privacy’.20 Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan alleen voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is.21 Die noodzaak is cruciaal voor het bepalen van de grens voor het verkrijgen van toegang tot plaatsen (en gegevens).22 De proportionaliteit is een van de toetsstenen.23 Bij een inspectie ter plaatse van die ruimten gelden tevens de waarborgen van gerechtelijke toetsing van zowel rechtmatigheid als noodzakelijkheid.24 Bedrijfsbezoeken kunnen onaangekondigd plaatsvinden en er is geen toestemming vereist zoals bij woningen dan wel – bij het ontbreken van die toestemming – een machtiging daartoe. Het EHRM oordeelt dat een machtiging bij een (on)aangekondigd bezoek niet noodzakelijk is. Een beoordeling vooraf is – hoewel het de voorkeur geniet van het Hof – niet vereist, maar een gerechtelijke toetsing op rechtmatigheid én noodzakelijkheid achteraf dient wel tot de waarborgen te behoren (zie 5.3.2).25
De inspecteur heeft toegang tot een gebouw of terrein (dat in gebruik is) voor zover dat nodig is voor een onderzoek. De toezichthouder is bevoegd elke plaats te betreden. Beiden kunnen een woning alleen betreden met toestemming van de bewoner tenzij voor een toezichthouder in een bijzondere wet anders is bepaald. Wanneer de bewoner die toestemming niet geeft, is binnentreden alleen mogelijk met een machtiging van een functionaris die daartoe bevoegd is, zoals een (hulp) officier van justitie of de burgemeester. De inbreuk is ‘te’ fundamenteel om in algemene bevoegdheden onderscheid te maken.