Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/5.4.3
5.4.3 Veranderlijkheid van regels in de tijd
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS412613:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Popelier 1997, p. 321, Popelier 1999a, p. 185 en voor het EU-recht Heukels 1990, p. 170. Fisch 1997, p. 1101 beschrijft dat burgers moeten worden beschermd indien een regel die in ‘a state of stable equilibrium’ verkeert, wordt aangepast.
Vgl. o.a. HvJ EG 16 mei 1979, nr. 84/78 (Tomadini), ECR 1979, p. 1801, ro. 22 en het Gerecht van Eerste aanleg 15 december 1994, nr. T-489/93 (Unifruit Hellas Epe), ECR 1994, p. II-1201, ro. 67.
Notitie TWK, p. 5.
HR 7 oktober 1992, nr. 26 974, BNB 1993/4 (concl. A-G Moltmaker; m.nt. Van Leijenhorst).
Vgl. Schuver-Bravenboer 2006b, p. 75-76.
Zie m.b.t. aanpassingen in de subjectieve belastingplicht ook Lubbers 2004, p. 13, m.b.t. aanpassingen in vrijstellingen HR 7 oktober 1992, nr. 26 974, BNB 1993/4 (concl. Moltmaker; m.nt. Van Leijenhorst).
Vanaf het moment dat een wetswijziging op grond van het in par. 5.6 te bespreken voorzienbaarheidscriterium voorzienbaar wordt, wordt deze status doorbroken.
Vgl. Popelier 1997, p. 325 en Lubbers 2004, p. 13.
Zie ook HR 7 mei 1997, nr. 31 920, BNB 1997/211 (m.nt. Van Leijenhorst) en Hof Arnhem 16 maart 2004, nr. 02/03496, V-N 2004/30.29 inzake heffingen van lagere overheden en Kamerstukken II 1996/97, 24 761, nr. 7, p. 13 inzake de verhoging van het ab-tarief.
Van een regel die reeds lange tijd bestaat, zonder dat daarin noemenswaardige wijzigingen zijn aangebracht, zal men niet snel verwachten dat hij wordt gewijzigd.1 Dit is anders ten aanzien van regels die regelmatig of wellicht zelf jaarlijks aan verandering onderhevig zijn. Indien het doel van een bepaalde regel is dat hij voortdurend wordt aangepast aan economische of maatschappelijke ontwikkelingen, kan zeker niet worden gesteld dat een verandering niet werd verwacht.2 Een gelijke redenering gaat op ten aanzien van stimulerings- en ontmoedigingsregels (par. 5.3) die hun oorsprong vinden in beleidsdoelstellingen. Doordat beleidsdoelstellingen regelmatig worden bijgesteld en aangepast naarmate er verschuivingen optreden in de politiek, worden stimulerings- en ontmoedigingsregels gekenmerkt door een grotere mate van veranderlijkheid. Volgens de Notitie TWK moet op bepaalde onderdelen van het belastingrecht zelfs voortdurend rekening worden gehouden met een verandering van de regelgeving zonder eerbiedigende werking. Als voorbeeld worden conjuncturele en budgettaire regelingen genoemd.3 Het is mij niet volledig duidelijk op welke fiscale regels men hierbij het oog heeft gehad. Gelet op de voorbeelden die worden genoemd – de afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk en de regeling voor willekeurige afschrijving – vermoed ik dat men het oog heeft gehad op stimuleringsmaatregelen.
Ook de Hoge Raad acht het onderscheid tussen regels wat betreft hun veranderlijkheid van belang. In HR 7 oktober 1992, nr. 26 974, oordeelt hij:4
‘Het afschaffen van een vrijstelling verschilt in dit opzicht van bij voorbeeld het tot stand brengen van een tariefsverhoging dan wel het invoeren van een nieuwe heffing: bij de invoering van de vrijstelling heeft de wetgever een uitdrukkelijk standpunt ingenomen ten aanzien waarvan degenen voor wie de vrijstelling geldt niet doorlopend erop bedacht behoeven te zijn dat het zou kunnen worden gewijzigd.’
Om inzichtelijk te maken welke regels juist wel of juist niet aan verandering onderhevig zijn, onderscheid ik acht elementen van belastingwetgeving.5 Aan deze elementen ken ik vervolgens een veranderlijkheidsfactor toe. Hiermee wil ik aangeven of de regels die behoren tot een bepaalde categorie niet of nauwelijks (veranderlijkheidsfactor = 0), af en toe (veranderlijkheidsfactor = 1) of regelmatig (veranderlijkheidsfactor = 2) worden veranderd. Het is slechts mijn bedoeling om langs deze weg een rangorde aan te brengen. De opzet is niet om de factoren in een formule te stoppen. Belangrijk is dat het slechts gaat om ervaringsregels uit het verleden met betrekking tot de veranderlijkheid van een regel; er wordt geabstraheerd van andere signalen die van invloed kunnen zijn op de vraag of gerechtvaardigde verwachtingen zijn ontstaan.
Elementen van belastingwetgeving
Veranderlijkheidsfactor
- heffingssubject
0
- bronvoorwaarden
- heffingssysteem
- bestaande overgangsmaatregelen
- inkomensbegrip (m.u.v. aftrekbare kosten)
- op inkomsten drukkende kosten
1
- aftrekposten (bijv. buitengewone uitgaven)
2
- tarief
- heffingskortingen
Wetswijzigingen op het terrein van het heffingssubject, de bronvoorwaarden, het heffingssysteem, bestaande overgangsmaatregelen en het inkomensbegrip (excl. aftrekbare kosten) doen zich zelden voor.6 Dit rechtvaardigt een veranderlijkheidsfactor van nihil. Op grond van het criterium ‘Verwachtingen ontleend aan de rechtsregel’ behoeven belastingplichtigen derhalve niet op hun hoede te zijn voor wijzigingen in regels die behoren tot één van deze elementen van belastingwetgeving.7
In de mate waarin de kosten die worden gemaakt ter verwerving, inning en behoud van inkomsten alsmede uitgaven in de winstsfeer in aanmerking kunnen worden genomen, worden af en toe aanpassingen aangebracht. Om die reden heb ik aan dit element van belastingwetgeving een veranderlijkheidsfactor van één toegekend. Het criterium ‘verwachtingen ontleend aan de rechtsregel’ veronderstelt dat belastingplichtigen er niet op rekenen dat de aftrekbaarheid van op inkomsten drukkende kosten immer ongewijzigd zullen voortbestaan. Men hoeft evenwel niet steeds bedacht te zijn op een wetswijziging.
In aftrekposten, tarieven en heffingskortingen worden met enige regelmaat aanpassingen aangebracht. De regels die vormgeven aan de mogelijkheid tot het in aanmerking nemen van aftrekposten (niet zijnde zogenoemde verwervingskosten) en heffingskortingen vinden vaak hun oorsprong in de instrumentele functie van belastingheffing. Hierdoor zijn zij sterk afhankelijk van de beleidsdoelstellingen die een regering heeft en zijn zij in hogere mate aan verandering onderhevig.8 Bij gebruikmaking van dit soort regels moet de belastingplichtige zich dus altijd realiseren dat de regeling in de toekomst kan worden afgeschaft. Ook met geringe tariefaanpassingen moet de belastingplichtige altijd rekening houden. Belastingtarieven worden immers regelmatig aangepast, zodat op grond van het criterium van ‘verwachtingen ontleend aan de rechtsregel’ er geen aanleiding is verwachtingen van belastingplichtigen te beschermen ingeval er een tariefsverhoging plaatsvindt die de gebruikelijke tariefsaanpassing niet overschrijdt.9