Einde inhoudsopgave
Raad zonder raadgevers? (SteR nr. 42) 2018/5.3
5.3 Het rapport van de commissie Leemhuis (2004)
drs. J.W.M.M.J. Hessels, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
drs. J.W.M.M.J. Hessels
- JCDI
JCDI:ADS577943:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Leemhuis-Stout e.a. 2004, p. 7.
Kamerstukken II 2000/01, 27751, 6, p. 11. De fracties van PvdA, VVD en CDA hadden expliciet gevraagd om een evaluatie, waarna de minister deze verwerkte in een eerste Nota van Wijziging (Kamerstukken II 2000/01, 27751, 7).
Hoofdstuk 7 van de Grondwet – de artikelen 123-136 – regelt de inrichting van provincies, gemeenten, waterschappen en andere openbare lichamen.
Kamerstukken II 2000/01, 27751, 25. Het amendement werd met algemene stemmen door de Tweede Kamer aangenomen.
Leemhuis-Stout e.a. 2004.
Berenschot 2004.
Leemhuis-Stout e.a. 2004, p. 7.
Leemhuis-Stout e.a. 2004, p. 9.
Leemhuis-Stout e.a. 2004, p. 19.
Leemhuis-Stout e.a. 2004, p. 19.
Leemhuis-Stout e.a. 2004, p. 31.
Berenschot 2004, p. 43.
Berenschot 2004, p. 94.
Berenschot 2004, p. 98.
Berenschot 2004, p. 99.
Berenschot 2004, p. 100.
Uiteraard benevens de – onder de ambtelijke verantwoordelijkheid van de griffier opgestelde – raadseigen stukken en de initiatiefvoorstellen van de leden van de raad.
Berenschot 2004, p. 102.
Berenschot 2004, p. 103.
Boogers 2005.
Zie de volgende paragraaf.
Kamerstukken II 2005/06, 30008, 3, p. 8-9.
‘In artikel Xa van de Wet dualisering gemeentebestuur is het volgende bepaald: “Onze Minister zendt vóór 1 januari 2005 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk”.’1
Dit evaluatie-artikel was na de schriftelijke behandeling van het wetsvoorstel Wet dualisering gemeentebestuur op verzoek van een brede Kamermeerderheid2 in de wet terechtgekomen. Deze evaluatie zou binnen vijf jaar na inwerkingtreding van de wet worden uitgevoerd. Dit moest ertoe leiden dat de evaluatie beschikbaar was voor de tweede lezing van de voorgenomen wijziging van hoofdstuk 7 van de Grondwet,3 het sluitstuk van de dualiseringsoperatie. Bij het indienen van het wetsvoorstel Dualisering gemeentebestuur was immers de kritiek op de volgorde van de invoering van de dualisering groot. Met de Raad van State voorop werd betoogd dat eerst de Grondwet gewijzigd diende te worden – waarbij de discussie rondom het ‘hoofdschap van de raad’ evident in de Grondwet geregeld moest worden – en pas daarna de Gemeentewet.
Gedurende de parlementaire behandeling ontstond het inzicht dat deze evaluatie te lang op zich zou laten wachten, waarna via het amendement Van der Hoeven-De Cloe4 werd bepaald dat de evaluatie nog in 2004 zou moeten plaatsvinden. Hierdoor zouden nog voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 eventuele leerpunten uit de evaluatie in de wet kunnen worden verwerkt, maar ook werd er vanuit gegaan dat rond die tijd de eerste lezing van de Grondwetswijziging zou voorliggen. De minister ondersteunde uiteindelijk het amendement, maar plaatste wel een duidelijke kanttekening:
‘De evaluatie waarin een eindoordeel wordt gegeven, kan niet vervroegd worden. Maar het is toch van belang om zeer snel zicht te krijgen op de wijze waarop men na de verkiezingen met deze nieuwe wet is omgegaan. Tot welke maatregelen heeft dat geleid? Welke problemen zijn er in de praktijk? De Kamer zou ook gediend zijn met een spoedige inventarisatie daarvan. De evaluatie die bedoeld is als een soort eindafweging, kan natuurlijk niet bespoedigd worden. Maar ik ben graag bereid om er met gezwinde spoed voor te zorgen dat de Kamer kan beschikken over een beeld van het praktische functioneren van deze wet. Dit zal de Kamer op een zodanige termijn worden toegezonden dat een en ander kan worden betrokken bij verdere afwegingen bijvoorbeeld ten aanzien van de Grondwet.’5
Het rapport van de Stuurgroep evaluatie dualisering gemeentebestuur onder voorzitterschap van VVD-politica Leemhuis-Stout (in de wandelgangen de ‘Commissie Leemhuis’ genoemd) werd op 2 december 2004 gepresenteerd met als titel ‘Aangelegd om in vrijheid samen te werken’.6 Het werd geen lijvig boekwerk. In niet meer dan 32 pagina’s gaf de stuurgroep een korte weergave van haar bevindingen. Aan dit rapport lag echter een doorwrocht evaluatierapport7 ten grondslag van bureau Berenschot. Dit rapport gaf in bijna 200 pagina’s een duidelijk kwantitatief beeld van de stand van zaken van de dualisering in de Nederlandse gemeenten.
De commissie Leemhuis beperkte zich vooral tot een kwalitatieve evaluatie, waarbij kritiek op de invoering van het dualisme tot dan toe niet werd geschuwd. Zij onderkende daarbij wel het voorlopige karakter van de vervroegde evaluatie:
‘De stuurgroep heeft haar opdracht daarom ook niet uitgevoerd alsof het een afrondende evaluatie betrof. In dit rapport wordt een tussenstand weergegeven. De stuurgroep heeft als het ware de temperatuur van het water gemeten. En zich afgevraagd of de juiste koers nog wordt aangehouden of dat er wellicht een stapje terug of opzij gezet moet worden. Belangrijke vragen daarbij zijn in hoeverre de gestelde doelen zijn bereikt en in hoeverre extra impulsen nodig zijn. Is men met de juiste dingen bezig, wat werkt er wel, wat werkt er niet en waarom dan niet, zitten er weeffouten in de wet?’8
Hierbij wordt nadrukkelijk meegewogen dat het oorspronkelijke dualiseringstraject inmiddels fors was aangepast.
‘In de loop van het wetgevingstraject is de aanvankelijk door de staatscommissie en het kabinet beoogde omvang van de over te dragen medebewindsbevoegdheden steeds meer ingeperkt’,9
schrijft de commissie en ook de wijziging van hoofdstuk 7 van de Grondwet staat op losse schroeven.
De commissie Leemhuis constateert dat veel gemeenten in die eerste jaren hebben geworsteld met een juiste interpretatie van het dualisme. ‘De stuurgroep heeft moeten vaststellen dat in veel gemeenten de raad en het college nog zoekende zijn naar hun nieuwe rol binnen het lokaal bestuur. Dit leidt tot veel misverstanden. Het gaat daarbij nog te veel over de vorm en te weinig over de inhoud van het beleid. Weliswaar kan het zo zijn dat de gemeenteraad – conform de bedoelingen van de wetgever – uit de schaduw van het college is getreden, maar als deze nieuwe verhoudingen niet leiden tot nieuw gedrag dan kan dat leiden tot gepolariseerde verhoudingen. Hier en daar mondt dan ‘duaal’ uit in ‘duel’. Bovendien ziet de stuurgroep heel dikwijls ‘de raad in actie’, hetgeen betekent dat raadsleden of -commissies allerlei procedurele en inhoudelijke werkzaamheden verrichten, die niet alleen bij het college thuishoren (beleidsvoorbereiding) maar bovendien het politieke debat eerder doen verstommen dan opleven. Immers, daarbij zijn niet zozeer de politieke fracties aan het werk, maar worden raadsnota’s met raadsopvattingen tot stand gebracht door raadscommissies en vlijtige griffies.’10
Er bestaan grote verschillen tussen gemeenten, waarbij de eigen cultuur vaak bepalend is geweest voor de implementatie van het dualisme. Gemeenten ervaren het duale bestel als door ‘Den Haag’ opgelegd en niet een eigen, logische keuze.
‘Binnen gemeenten zijn er verschillende partijen die het dualisme naar zich toe trekken. Dit kan leiden tot een gebrek aan centrale regie, hetgeen het duidelijkst naar voren komt in gemeenten waar het dualisme tot een soort vechtcultuur tussen raad en college heeft geleid. Binnen veel gemeenten is niet voldoende eigen kracht aanwezig om deze zaken soepel bij te sturen. Er is heel veel verwacht van de verandercapaciteit van gemeenten. Daarnaast heeft de wetgever een te optimistisch beeld gehad van het vermogen van de individuele raadsleden om aan deze verandering vorm te geven. In de praktijk blijkt dat raadsleden worstelen met de invulling van hun nieuwe rol. Dit is geen kritiek op de individuele kwaliteiten van de raadsleden, maar een nuchtere vaststelling dat dergelijke cultuuromslagen veel vragen van mensen en organisaties. De wet is vanuit Den Haag over het land verspreid. De cultuurverandering moest als het ware op lokaal niveau vanzelf tot stand komen. Dit is tot op zekere hoogte ook wel gelukt, maar er is ook heel wat bestuurlijk leed ontstaan door lokale variaties op dualisme die te ver van de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever zijn afgeraakt.’11
Over de ambtelijke ondersteuning van de raad en de raadsleden is het rapport van de commissie Leemhuis uiterst summier. Enkel de rol van de griffier wordt onder de loep genomen, waarbij de commissie een duidelijk standpunt inneemt over de rol van de griffier ten opzichte van de reguliere ambtelijke organisatie.
‘De griffier moet in staat zijn de rol van vraagbaak en klankbord te spelen voor de raadsleden bij de ontwikkeling van hun rol in het gedualiseerde systeem. Een onafhankelijke positie is daarbij van essentieel belang, zowel in rechtspositionele als in politieke zin. Dit houdt in dat de griffier geen ambtelijke nevenfunctie dient te vervullen in dezelfde gemeente en zich niet in politiek inhoudelijk vaarwater moet begeven. In kleinere gemeenten die zich geen fulltime griffier kunnen veroorloven is het heel goed denkbaar om de griffier te “delen” met een andere gemeente.’12
Voor het overige bevat het rapport van de commissie Leemhuis geen woord over ambtelijke bijstand of fractieondersteuning. Dat is vreemd omdat het onderliggende onderzoek van bureau Berenschot juist wel uitgebreid stil staat bij de veranderde positie van de ambtelijke organisatie. Dat Berenschot bij een aantal constateringen blijk geeft van een gebrekkig inzicht in juist de veranderingen in de positie van het ambtelijk apparaat vanwege de invoering van het dualisme versterkt de indruk dat deze positie binnen en buiten de gemeenten nog in het geheel niet duidelijk is.
Om te beginnen heeft Berenschot gekeken naar de implementatie van het derde lid van artikel 33 van de Gemeentewet – de plicht om het recht op ambtelijke bijstand en fractieondersteuning in een verordening vast te leggen. Deze verordening zou maximaal één jaar na inwerkingtreding van de wet ingevoerd moeten zijn. Dit blijkt niet helemaal gelukt te zijn:
‘Uit onze gegevens blijkt dat 94% van de gemeenten inmiddels een dergelijke verordening hebben ingevoerd, dat in 3% de verordening in procedure is en in nog eens 3% van de gemeenten nog aan de verordening moet worden begonnen.’13
Berenschot heeft op basis van een uitgebreide enquête onder alle soorten actoren in de gemeenten een beeld opgesteld van de stand van zaken in 2004. Over de ondersteuning van de raad zegt het rapport:
‘Er zijn verschillende (groepen van) mensen die kunnen worden ingeschakeld voor de ondersteuning van de raad. Het betreft dan de griffier, eventueel met eigen griffie, de ambtelijke organisatie en de fractieassistentie. (...) De vraag die wij de raadsleden stelden was “Wie biedt de meeste ambtelijke ondersteuning bij ...?”. Uit de antwoorden (...) blijkt dat de functionaris die wordt ingeschakeld in sterke mate afhankelijk is van de activiteit. Rode lijn is dat de griffier steeds betrokken is bij de ondersteuning. Voor de meer eenvoudige instrumenten zoals mondelinge en schriftelijke vragen wordt in veel gevallen ook de fractieassistentie ingeschakeld. Bij de meer ingewikkelde instrumenten zoals initiatieven, moties en amendementen speelt de griffier de belangrijkste rol. En bij het verzamelen van informatie over voorgenomen en bestaand beleid speelt naast de griffier logischerwijze ook de ambtelijke organisatie, die daar immers het meest van weet, een belangrijke rol. De gemeentegrootte speelt hier ook een rol. In algemene zin geldt dat de fractieondersteuning in grotere gemeenten meer massa heeft dan in de kleinere en dit is terug te zien in de taakverdeling. Zo wordt uit de enquêteresultaten duidelijk dat naarmate de gemeente groter wordt de rol van de fractieondersteuning bij bijvoorbeeld amendementen, moties, het verzamelen van informatie over beleid en het formuleren van schriftelijke vragen groter wordt, terwijl de rol van de griffie en de ambtelijke organisatie minder wordt. Verzoeken om ambtelijke ondersteuning (...) worden volgens 82% van de griffiers via de griffier richting de ambtelijke organisatie gecommuniceerd. (...) Ook 73% van de gemeentesecretarissen geeft aan dat de griffiers hierin inderdaad een rol hebben, dus deze beelden komen overeen.’14
Opmerkelijk is de zinsnede dat de ambtelijke organisatie ‘logischerwijze’ een belangrijke rol speelt. Berenschot houdt geen rekening met de gewijzigde positie van deze ambtelijke organisatie. Immers, de ambtelijke organisatie staat niet langer ten dienste van de raad.
Dit beeld wordt verderop in het rapport versterkt in een overzicht van de verschillende rollen, die de ambtelijke organisatie vervult:
Contact ambtelijke organisatie en raad. De ambtelijke organisatie blijft ook in de gedualiseerde situatie een belangrijke rol spelen in de ondersteuning van de raad. De schakelfunctie tussen organisatie en raad wordt echter vervuld door de griffier. De verwachting is dan ook dat de contacten tussen raad en organisatie minder rechtstreeks en minder intensief zullen zijn.
Ondersteuning raad door ambtelijke organisatie. De raad heeft in de gedualiseerde situatie meer mogelijkheden om zijn kaderstellende en controlerende rol uit te oefenen. Deze situatie stelt andere eisen aan de ondersteuning – en de stukkenstroom – vanuit de ambtelijke organisatie.
Samenwerking tussen ambtelijke organisatie en griffie(r). De ambtelijke organisatie zal in de ondersteuning van de raad een zekere mate van concurrentie ondervinden met de griffie(r). De verwachting is dat het zowel voor de organisatie als voor de griffie(r) een zoekproces zal zijn naar de meest effectieve en efficiënte taak- en rolverdeling.’15
Alle drie de bullets geven een verkeerd beeld van de nieuwe positie van de ambtelijke organisatie, waarbij de derde bullet de kroon spant als gesproken wordt over concurrentie tussen griffier en ambtelijke organisatie in het ondersteunen van de gemeenteraad. Ook de tweede bullet gaat uit van een rechtstreekse relatie tussen raad en ambtelijke organisatie.
Nergens in het rapport wordt gewag gemaakt van de nieuwe verhoudingen en de daarop toegespitste procedures, die veelal vastgelegd zijn in de verordening op de ambtelijke bijstand. Op de mogelijke gevolgen van deze verwarring over de (nieuwe) positionering van de gemeentelijke ambtenaren zal hierna worden ingegaan in de paragraaf ‘De ambtenaar in spagaat’ en bij de beschrijving van de enquête-uitkomsten over het onderwerp ‘ambtelijke bijstand’.
Het rapport van bureau Berenschot gaat daarna wel in op de tijdens het wetgevingsproces geuite vrees voor een loyaliteitsconflict bij gemeenteambtenaren.
‘Naast de angst voor een overbelasting voor de ambtelijke organisatie werd in de commentaren op het wetsontwerp ook aangegeven dat voor de ambtenaren die de raad van ondersteuning zouden moeten voorzien een loyaliteitsconflict zou kunnen ontstaan. De gemeentesecretarissen geven inderdaad aan dat dit voor de ambtelijke organisatie in het begin verwarrend was. Vragen als “naar wie moeten we luisteren; de wethouder of de raad?” kwamen inderdaad naar boven. Inmiddels kristalliseert dit zich al wat meer uit. Technische vragen leveren geen probleem meer op, bij inhoudelijke vragen wordt een beroep gedaan op de politiek-bestuurlijke antenne van de ambtenaar.’16
Een vergelijkbare houding dus met die van minister en Kamerleden tijdens een wetsbehandeling in de Tweede Kamer: de praktijk zal dit wel oplossen.
Vervolgens gaat het rapport verder op de eerder ingeslagen weg door de ambtelijke organisatie in dienst van de gemeenteraad te stellen:
‘De ondersteuning van de kaderstellende rol kan verder vorm krijgen doordat in ambtelijke stukken alternatieve voorstellen worden weergegeven waardoor de raad de mogelijkheid heeft een keuze te maken. In het onderzoek hebben we aan alle respondenten gevraagd aan te geven in hoeveel procent van de gevallen er op basis van alternatieve voorstellen is gediscussieerd. Dat cijfer varieert tussen de 9% volgens wethouders en 16% volgens raadsleden. Hieruit blijkt dat de ambtelijke organisatie er nog niet in slaagt de raad via dit middel in positie te brengen. Overigens kan ook de opstelling van het college hierin een rol spelen.’17
Het is klaarblijkelijk nog niet tot de onderzoekers van bureau Berenschot doorgedrongen dat de gemeenteraad in de regel slechts stukken bespreekt,18 die onder verantwoordelijkheid van het college van burgemeester en wethouders zijn ingebracht. Het is dus zeker niet aan de ambtelijke organisatie om ‘de raad (...) in positie te brengen’.
Ook in de conclusies van Berenschot is weer sprake van deze misinterpretatie van de rol van de ambtelijke organisatie:
‘Ondersteuning raad door ambtelijke organisatie: De kwaliteit van de voorstellen die worden gemaakt in de organisatie kunnen de raad en het college in de juiste duale positie brengen. Onze onderzoeksresultaten laten zien dat de voorstellen op dit moment nog niet voldoende zijn afgestemd op de duale situatie; ze bieden de raad weinig input om haar controlerende en kaderstellende rol beter in te vullen. De analyse van kaderstellende notities bevestigt dit beeld. In veel gevallen is er in de stukkenstroom tussen organisatie, college en raad weinig tot niets veranderd. Uit de groepsgesprekken en de regiobijeenkomsten met raadsleden blijkt dat zij inderdaad behoefte hebben aan een andere en betere voorbereiding van stukken.’19
Deze laatste opmerking toont aan dat er inderdaad een behoefte is bij de raadsleden aan gedegen ondersteuning vanuit het ambtelijk apparaat. Dat zal in een duaal bestel echter niet kunnen plaatsvinden door een andere redactie van de aan de raad voorgelegde beleidsstukken – die komen immers van het college van burgemeester en wethouders. Een juiste inzet van het recht op ambtelijke bijstand kan hier in voorkomende gevallen wel een belangrijke ondersteunende rol spelen.
Ter afsluiting van dit onderwerp constateert Berenschot:
‘Op basis van het bovenstaande kunnen we concluderen dat er dus nog verbeteringen mogelijk zijn bij het functioneren van de ambtelijke organisatie in het gedualiseerde systeem. Opvallend is echter dat de ambtelijke organisatie door onze respondenten wordt gezien als de actor die het minste effect ondervindt van de dualisering. Dit kan duiden op een te lage inschatting van het belang van de ambtelijke organisatie in de dualiseringsoperatie, of op een ambtelijke organisatie die zich nog te weinig aan de dualisering heeft aangepast.’20
De reden waarom de commissie Leemhuis geen enkele aandacht besteedt aan de kritische opmerkingen van bureau Berenschot over de rol van de ambtelijke organisatie in het duale bestel valt ruim tien jaar na dato moeilijk te achterhalen. Het is een feit dat de onderzoekers van Berenschot geen goed beeld hadden van de (nieuwe) rol van de ambtelijke organisatie, die onder de verantwoordelijkheid van het college was komen te vallen. De gemaakte opmerkingen konden voor de commissie Leemhuis echter een goede basis bieden om de onduidelijkheid in de positionering van de gemeenteambtenaar te benoemen en daarmee een betere en juridisch houdbare regeling voor het verlenen van ambtelijke bijstand te kunnen aanbevelen.
De reactie van het kabinet op het rapport van de commissie Leemhuis is kort en zakelijk en gaat vooral op de zeventien aanbevelingen van de stuurgroep in. Het kabinet stelt vast dat het inderdaad een goede zet is geweest om de evaluatie naar voren te halen.
‘Het is goed dat de evaluatie nu is uitgevoerd en niet pas over enkele jaren. Het verschaft de gelegenheid om met een aantal flinke inspanningen de dualisering verder in de goede richting te sturen.’21
De stuurgroep doet zoals gezegd in totaal 17 aanbevelingen die zijn verdeeld in drie categorieën: structuurwijzigingen, cultuurwijzigingen en het bewerkstelligen van een doorstart.
Van belang is de aanbeveling om nadrukkelijk vast te stellen dat de beleidsvoorbereiding een taak is van het college van burgemeester en wethouders.
‘De aanbeveling om het college de beleidsvoorbereiding te laten doen is relevant. In een aantal gemeenten is de kaderstellende rol van de raad namelijk dusdanig vergaand geïnterpreteerd dat raadsleden met hulp van de griffier zelf beleidsstukken zijn gaan schrijven. Het kabinet ondersteunt daarom de oproep van de stuurgroep aan de raadsleden om de verleiding te weerstaan om de beleidsvoorbereidende taak van het college over te nemen.’22
Hiermee zet het kabinet de lijn door om de duale verhoudingen tussen college en raad duidelijk functioneel te scheiden.
Ook hier is er niet of nauwelijks aandacht voor de positie van de ambtelijke organisatie. In aanbeveling 14 is wel aandacht voor de positie van de griffier. Deze moet nadrukkelijk de ‘onafhankelijke vraagbaak van de raadsleden’ worden. Het kabinet reageert hierop als volgt:
‘Het kabinet onderschrijft aanbeveling 14 over de griffier. Een ambtelijke nevenfunctie in dezelfde gemeente is niet goed voor de onafhankelijke positie van de griffier. Ook moet de griffie niet te groot worden omdat ze anders eerder een wig dan een scharnier tussen college en raad zal vormen. Het kabinet ziet echter geen reden om de twee bovenstaande punten wettelijk vast te leggen, omdat het de opvatting van de VNG et al. onderschrijft dat de gemeenteraad zelf zijn keuzes maakt over de kwaliteit en kwantiteit van zijn ondersteuning. Het belang van een eenduidige aansturing van de griffier wil het kabinet hier nog eens benadrukken.’23
Dit was een mooi aanknopingspunt om ook iets te zeggen over de ambtelijke bijstand of de fractieondersteuning, maar daarover – ook hier – geen woord.
Het kabinet eindigt met de vaststelling: ‘Het kabinet voelt de urgentie om een extra inspanning te plegen voor de dualisering.’24 Die ‘extra inspanning’ in reactie op het rapport van de commissie Leemhuis leidt primair tot een algemeen overleg in de Tweede Kamer25 dat plaatsvindt op 28 april 2005. Het is een korte commissievergadering, die niet uitmondt in een plenaire afronding met moties.
De ‘minister voor bestuurlijke vernieuwing’ komt een jaar later wel nog een toezegging na, die hij tijdens de commissievergadering aan de Kamer heeft gedaan. De Kamer had hem gevraagd om bij het begin van de tweede bestuursperiode onder een dualistisch regime een ‘eindevaluatie’ te maken en deze aan de Kamer te doen toekomen. Bij brief van 24 april 200626 stuurt minister Pechtold deze evaluatie aan de Kamer, zij het in de vorm van een eindbalans van de eerste dualistische raadsperiode.27
De minister baseert zich op een publicatie in Binnenlands Bestuur van 22 april 200528 (dus nog voorafgaand aan het Algemeen Overleg, waarin hij de toezegging deed tot het uitvoeren van een eindevaluatie) over een enquête, uitgevoerd door de Universiteit van Tilburg, als hij stelt dat
‘de einddoelen van de Wet dualisering gemeentebestuur – herstel van de positie van de gemeenteraad als het belangrijkste lokale politieke forum, herstel van de volksvertegenwoordigende functie van de gemeenteraad en versterking van de herkenbaarheid van het lokale bestuur voor de burgers – (overigens niet overal in gelijke mate) dichterbij zijn gekomen.’29
De minister gaat verder vooral in op de uitkomsten van het rapport van de commissie Leemhuis en het vierde (en laatste) jaarbericht van de Begeleidingscommissie van de Vernieuwingsimpuls,30 dat
‘concludeert dat bestuurskracht in grote mate is verweven met tradities en lopende ontwikkelingen in gemeenten en dat de invloed van dualisering op de bestuurscultuur in gemeenten redelijk beperkt is.’31
De minister verbindt hier de conclusie aan ‘dat er geen behoefte meer is aan landelijk beleid, maar dat er ruimte moet komen voor ondersteuning op maat.’32
Een opmerkelijke conclusie. Feitelijk zegt de minister dat niet het duale systeem, maar de lokale tradities de bestuursvorm – en vooral de interpretaties daarvan – in een gemeente bepalen.
Wat ook opvalt, is de plotselinge aandacht van de minister voor de fractieondersteuning.
‘In sommige gemeenten hebben zich problemen voorgedaan naar aanleiding van de wijze waarop de beschikbaar gestelde middelen werden besteed. Op dit moment bestaat een VNG-modelverordening waarin de besteding van de fractieondersteuning nader wordt genormeerd. In het kader van de discussie over de integriteit van politieke ambtsdragers en ter voorkoming van negatieve beeldvorming over het openbaar bestuur, acht ik het van belang de normering wettelijk te verankeren. Het voornemen is om de bestedingsdoelen eenduidig te regelen, bijvoorbeeld in een algemene maatregel van bestuur krachtens de Gemeentewet. De Kamer ontvangt hierover op korte termijn een voorstel.’33
Dat voorstel bereikt de Kamer op 11 december 2006 en is ondertekend door de demissionaire minister Remkes van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het zal tot april 2009 duren vooraleer een wetswijziging van kracht wordt. Een verbeterde verankering en/of normering van de bestedingsdoelen binnen de regeling voor de fractieondersteuning zal echter geen deel uitmaken van de uiteindelijke wettekst.
In § 5.7 zal dit wetgevingstraject verder worden toegelicht.