Sfeerovergangen in de winstsfeer
Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/3.4.3.5:3.4.3.5 De waarde bij het ontbreken van een afzetmarkt
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/3.4.3.5
3.4.3.5 De waarde bij het ontbreken van een afzetmarkt
Documentgegevens:
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630410:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een vervolgvraag is hoe de waarde in het economische verkeer moet worden bepaald als er geen afzetmarkt is. De directe opbrengstwaarde valt als waarderingsmethode af, omdat directe verkoop niet mogelijk is. De indirecte opbrengstmethode, waarbij wordt uitgegaan van het toekomstige rendement, en de actuele kostprijs/vervangingswaarde, waarbij wordt uitgegaan van de prijs die is opgeofferd door de belastingplichtige voor de verkrijging van het vermogensbestanddeel, resteren dan.
Berkhout en Van der Heijden betogen dat ook als er geen verkopers en kopers zijn te onderkennen, de waarde in het economische verkeer kan worden bepaald. In dat geval moet volgens hen een taxatie plaatsvinden waarbij moet worden uitgegaan van een prijs die in een hypothetische transactie tot stand komt. De taxateur moet volgens hen (hypothetisch bezien) aannemen dat er bereidwillige kopers zijn en dat de verkoper bereidwillig is om te verkopen, ook al kan hij ze in werkelijkheid niet vinden of waarnemen wegens het ontbreken van een actieve markt. Ze betogen tevens dat bij de waardering van incourant vastgoed op de openingsbalans de vervangingswaardemethodiek niet mag worden gevolgd. Huns inziens wordt de waarde van een object bepaald door de contante waarde van de toekomstige netto-geldstromen (dcf-methode). Ze betogen dat de kosten economisch van geen betekenis zijn wanneer uitgaven eenmaal zijn gedaan. Een kandidaat-koper betaalt volgens hen niet meer dan de contante waarde van de toekomstige netto-geldstromen die hij met het actief (in engere zin, los van de “samenwerking” met andere activa) denkt te behalen bij een acceptabele rendementseis. Wat in het verleden aan het project is uitgegeven, is voor hen irrelevant; alleen de verwachte toekomstige geldstromen van het project zijn van belang. Een op basis van de vervangingswaardemethodiek vastgestelde waardering zonder deze rendementstoets is als grondslag voor waardering op de openingsbalans volgens de taxatieleer huns inziens onvolledig en onjuist uitgevoerd.1
Voor de fiscale openingsbalans dient op dit punt de taxatieleer mijns inziens echter niet zonder meer te worden gevolgd. De fiscale openingsbalans dient als grondslag voor de bepaling van de totaalwinst. Hierdoor wordt voorkomen dat resultaten uit de onbelaste periode naar de belaste periode verschuiven, of vice versa. Om te kijken welke methode het meest geschikt is, zal moeten worden beoordeeld waarom er geen afzetmarkt is. Als dit het geval is, omdat er een marktmutatie heeft plaatsgevonden, dan is het terecht om dit verlies toe te rekenen aan de periode waarin de marktmutatie is ontstaan. Bij een sfeerovergang van onbelast naar belast zal de waardedaling dan worden toegerekend aan de onbelaste periode, omdat de waardedaling op die periode betrekking heeft. Het is echter ook goed denkbaar dat er geen afzetmarkt is voor de vermogensbestanddelen, omdat ze dusdanig specifiek zijn dat het vermogensbestanddeel alleen geschikt is voor de belastingplichtige. Hierbij kan worden gedacht aan een investering van een maatschappelijke onderneming. Dergelijke ondernemingen zullen vanuit hun doelstelling moeten beschikken over specifieke vermogensbestanddelen, ook als het rendement lager is dan een zakelijk rendement. Ruiter betoogt dat als de deelnemers niet opereren in een vrije markt maar waar wordt uitgegaan van een kostendekkend model, moet worden uitgegaan van een andere invulling van het begrip ‘waarde in het economische verkeer’ dat recht doet aan het wezen en het doel van de fiscale openingsbalans.2 Zoals al uit paragraaf 3.4.2 bleek deel ik deze visie. Om recht te doen aan het totaalwinstbeginsel, moet in een dergelijke situatie niet worden uitgegaan van de indirecte opbrengstwaarde. De waarde van het vermogensbestanddeel wordt immers bepaald door de kosten, omdat als de onderneming het vermogensbestanddeel niet zou hebben toch de kosten zouden moeten worden opgeofferd om het vermogensbestanddeel te verwerven. Er behoeft geen vermogensmutatie te worden verdeeld over de onbelaste en belaste periode, maar er is sprake van kosten die moeten worden gealloceerd. Het past dan ook niet binnen de doelstelling van de fiscale openingsbalans om uit te gaan van een fictieve afzetmarkt om zo toch een waarde (en de daaruit voortvloeiende vermogensmutatie) vast te stellen. Een waarderingsmethode die dan meer recht doet aan de functie van de fiscale openingsbalans is de actuele kostprijs. In dat geval wordt gekeken naar de waarde die het vermogensbestanddeel voor de eigenaar zelf heeft.