Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/3.4.2
3.4.2 Goed koopmansgebruik en waardering van een activum boven de historische kostprijs
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS344308:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Hof 's-Gravenhage 7 december 1976, nr. 119/ 1976 M I, BNB 1978/159.
J.J.H. Jacobs, Losbladig fiscaal weekblad FED, IB '64: Art. 9: 212.
HR 14 juni 1978, nr. 18 405, met conclusie A-G Van Soest, BNB 1979/181 met noot van G. Slot.
Ta.p., blz. 134.
Noot onder HR 23 september 1992, nr. 28 155, FED 1992/ 861, punt 4 onder b.
Naschrift bij het artikel van E. Bos, Afschrijven of waarderen op lagere bedrijfswaarde?, Weekblad 1986/5714, blz, 136.
HR 14 juni 1978, nr. 18 405, BNB 1979/181.
H.M.N. Schonis, Recente ontwikkelingen in de belastingheffing van ondernemingen, FED, Deventer, 1985, blz. 93. Dit boek werd op vrijdag 20 september 1985 aan de Katholieke Hogeschool Tilburg als proefschrift verdedigd.
G.J.M.E. de Bont, Herwaarderen op hogere bedrijfswaarde, indien compensabele verliezen dreigen te verdampen, Weekblad 1994/6091, blz. 238-246.
HR 10 maart 1993, nr. 28 138, BNB 1993/196 met noot van P. den Boer.
In gelijke zin het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 1 maart 1996, nr. 563DGM5, BNB 1996/198, V-N 1996, blz. 1457-1458.
Hof 's-Gravenhage wijst op 7 december 19761 het stelsel van waardering uitsluitend op bedrijfswaarde af als zijnde in strijd met goed koopmansgebruik en overweegt: 1...) kan medebrengen, dat winst wordt verantwoord lang voordat deze is gerealiseerd; dat zulks zozeer in strijd is met de voorzichtigheid die goed koopmansgebruik kenmerkt, dat waardering van bedrijfsmiddelen op bedrijfswaarde, ook indien deze hoger is dan de kostprijs c.q. kostprijs minus afschrijvingen, niet als goed koopmansgebruik kan worden bestempeld'.
In casu ging het om een ondernemer die een glastuinbedrijf exploiteerde. Hij wenste zijn tuinland permanent op bedrijfswaarde te waarderen (de historische kostprijs geheel te verlaten) ook indien de bedrijfswaarde boven de historische kostprijs zou zijn gestegen. Belanghebbende wilde zijn tuinland met f 47 010 per ha opwaarderen (hogere bedrijfswaarde); de daardoor ontstane winst viel onder de landbouwvrijstelling. Doordat daardoor het ondernemingsvermogen was gestegen (vóór de opwaardering was het ondernemingsvermogen negatief) was een dotatie aan de fiscale oudedagsreserve mogelijk.
Volgens het Hof is dit stelsel van winstberekening in strijd met goed koopmansgebruik omdat het niet eenvoudig en praktisch hanteerbaar is en tevens strijdig is met het beginsel van de voorzichtigheid.
Dat een op zichzelf eenvoudige procedure toch nog tot allerlei bespiegelingen aanleiding kan geven, blijkt uit de annotatie van Jacobs2 onder de uitspraak. Hij brengt een drietal gezichtspunten voor het voetlicht:
Indien men ervan uitgaat dat een soepel toegepast afschrijvingsstelsel het waarderen van bedrijfsmiddelen naar bedrijfswaarde overbodig maakt, dan kan men de conclusie van het Hof onderschrijven;
Als men waarderen op bedrijfswaarde ziet als een aanvulling op (c.q. een onderdeel van) het toegepaste afschrijvingsstelsel dan kan er alleen maar sprake zijn van waarderen naar lagere bedrijfswaarde dan de kostprijs minus afschrijvingen;
Gaat men er vanuit dat sommige bedrijfsmiddelen (in het bijzonder de zogenaamde niet-slijtende bedrijfsmiddelen en de bedrijfsmiddelen met een 'gemengd' karakter) voorwerp van een waarderingsstelsel kunnen zijn, dan is de bedrijfswaarde een geoorloofde grondslag.
Bedrijfsmiddelen die aan een natuurlijk groeiproces zijn onderworpen, vormen geen aanleiding om een uitzondering te maken op de onder a tot en met c opgesomde regels.
Was het oordeel van Hof 's-Gravenhage inmiddels min of meer gemeen goed geworden, zo heeft in 1978 de Hoge Raad3 opwaardering van een actief boven de historische kostprijs wel toegestaan. Het arrest ging om een verzekeringsmaatschappij die een deelneming ultimo 1970 opwaardeerde van f 16 200 (historische kostprijs) tot f 336 000 zijnde de intrinsieke waarde. Gevolg hiervan: de opwaardering valt onder de deelnemingsvrijstelling en is derhalve onbelast. Vervolgens stelt deze opwaardering belanghebbende in staat om een dotatie aan de egalisatiereserve (overeenkomstig het Besluit reserves verzekeraars) door te voeren. Ons hoogste rechtscollege oordeelde in casu dat goed koopmansgebruik zich er geenszins tegen verzet de deelneming boven de kostprijs te waarderen. Een waarlijk 'geruchtmakend' arrest omdat met de door de Hoge Raad gesanctioneerde handelwijze grote financiële belangen waren gemoeid.
Waar ligt nu de waarheid? Bestaat er zoiets als een objectieve fiscale rechtvaardiging voor de opwaardering van een activum? Om een scherp beeld te krijgen van deze problematiek passeren hierna enkele denkbeelden uit de doctrine de revue.
Zo is Bos4 van mening dat waardering van een actief boven de kostprijs alleen mogelijk is als de daaruit ontstane winst onder een objectvrijstelling valt, dat wil zeggen in de vpb-sfeer kan de deelneming op intrinsieke waarde worden gewaardeerd (gezien de toepasselijkheid van de deelnemingsvrijstelling), daarentegen is in de IB-sfeer een dergelijke opwaardering niet mogelijk.
Vervolgens zien we dat Usselmuiden5 aan de overweging van de Hoge Raad refereert dat waardering van een meerderheidsbelang op intrinsieke waarde in overeenstemming is met goed koopmansgebruik: 'reeds in verband met de vrijstelling welke in art. 13 Wet op de vennootschapsbelasting is vervat'. De tussen aanhalingstekens geplaatste woorden zou hij het liefst als niet geschreven beschouwen. Of waarderingsverschillen onder de deelnemingsvrijstelling vallen, mist volgens IJsselmuiden betekenis voor de waardering van de deelneming aangezien die waardering uitsluitend wordt beheerst door goed koopmansgebruik.
Het derde standpunt komt van Van Sonderen6 die meent dat een herwaardering niet afhankelijk is van het bestaan van een objectvrijstelling gezien het feit dat onder het Besluit Vennootschapsbelasting 1942 herwaardering van een deelneming belast was terwijl het toch in overeenstemming met goed koopmansgebruik werd geacht. Ook wijst hij op de discrepantie in de beide hiervoor aangehaalde voorbeelden uit de jurisprudentie.
Van Soest concludeert in zijn uitgebreide conclusie bij HR 14 juni 19787 dat waardering van een meerderheidsdeelneming op — boven de kostprijs liggende — intrinsieke waarde in overeenstemming is met goed koopmansgebruik. Hij staat uitgebreid stil bij de historie van het begrip bedrijfswaarde en bij de hiervoor aangehaalde uitspraak van het Hof 's-Gravenhage. Naar zijn mening is bij het opstellen van de fiscale balans alleen en uitsluitend het effect voor de winstbepaling beslissend voor de vraag of een bepaald stelsel van waardering in overeenstemming is met goed koopmansgebruik. Nevenfuncties van de fiscale balans zoals bijvoorbeeld de maximering van de fiscale oudedagsreserve zijn daarbij niet van belang. Hij is ervan overtuigd dat in het algemeen ten aanzien van bedrijfsmiddelen waardering op bedrijfswaarde door goed koopmansgebruik niet verboden wordt. Wat echter de meerderheidsdeelnemingen betreft stelt hij dat de bezwaren van Hof 's-Gravenhage (strijd met voorzichtigheidsbeginsel, beginsel van eenvoud en slechte controleerbaarheid) zich in casu niet voordoen. Alleen dan is waardering op intrinsieke waarde voor meerderheidsdeelnemingen niet aan de orde indien deze waarde lager is dan de kostprijs en tevens (duidelijk) lager dan de bedrijfswaarde.
Ook Schonis8 heeft aandacht besteed aan bovengenoemd arrest en het als volgt becommentarieerd:
`Binnen goed koopmansgebruik is waardering op, de hogere, bedrijfswaarde in het algemeen niet toegelaten, zie BNB 1978/159 (Hof 's-Gravenhage 7 december 1976). Uitzonderingen betreffen de bedrijfsmiddelen, die qua substantie autonoom een verandering ondergaan zoals opgroeiend vee en in casu deelnemingen. Voorts activa waarvan de realisatie van meerwaarden spoedig is te verwachten of activa waarover afspraken met derden bestaan omtrent de in aanmerking te nemen meerwaarden (herwaardering bij het aangaan van een vennootschap onder firma)'
Indien compensabele verliezen dreigen te verdampen oordeelt De Bont9 dat een stelsel waarin op hogere bedrijfswaarde wordt gewaardeerd (kennelijk ook boven kostprijs minus afschrijvingen/GM), in overeenstemming is met de eisen van goed koopmansgebruik. Volgens hem zou de ondernemer vrij moeten zijn de voorzichtigheid als onderdeel van goed koopmansgebruik al dan niet in acht te nemen. Hij verwijst daarbij naar BNB 1993/19610 waarin de Hoge Raad erkend heeft dat een belastingplichtige binnen (nationaal) concernverband, zonder in strijd te komen met doel en strekking van de wet, mag streven naar het compenseren van verliezen.
Het waarderen van een activum op bedrijfswaarde in een situatie waarbij deze uitstijgt boven de historische kostprijs dient te worden bezien onafhankelijk van de vraag of er al dan niet een objectvrijstelling van toepassing is op de daaruit ontstane herwaarderingswinst. Een dergelijke herwaardering dient wegens strijd met goed koopmansgebruik te worden afgewezen11 omdat daarmee winst wordt verantwoord die niet is gerealiseerd. Het realisatiebeginsel gebiedt geen winstneming in deze. Dit is overigens iets geheel anders dan het hierna onder paragraaf 3.4.3 opgenomen item van opwaardering van een bedrijfsmiddel bij stijging van de bedrijfswaarde. Hierbij gaat het om het ongedaan maken van een in het verleden in aanmerking genomen afwaardering. Dit strookt volledig met het realiteitsbeginsel, een beroep op het voorzichtigheidsbeginsel is hier niet opportuun.