Einde inhoudsopgave
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/4.3.4
4.3.4 Schikkingen
mr. drs. D.F.H. Stein, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. drs. D.F.H. Stein
- JCDI
JCDI:ADS931099:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie J.S. Kortmann 2010 voor deze terminologie.
Zie HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2034, NJ 2020/43(Kwalificatie overeenkomst), r.o. 3.2.3; HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746, NJ 2021/116, m.nt. E. Verhulp (X/Gemeente Amsterdam), r.o. 3.2.3.
Vgl. Zimmermann 1996, p. 508 en 685-686.
Zie Van Boom 1999, p. 53 e.v.; Van Kessel 2013, p. 94 e.v.; Van Boom 2016a, p. 65 e.v.
Vgl. HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:837, NJ 2015/255 m.nt. P. van Schilfgaarde; JOR 2015/191, m.nt. N.E.D. Faber & N.S.G.J. Vermunt (Bia Beheer). Uit de uitspraak blijkt niet of het bedrag dat daar werd betaald (€ 25.000) de oorspronkelijke schuld betrof, of de nakoming van een andere, uit de dadingsovereenkomst voortvloeiende verplichting.
Anders: Van Boom 1999, p. 53-55; en Van Boom 2016a, p. 65-67.
Zie art. 1325 e.v. (oud BW); Parl. Gesch. Boek 6 BW 1981, p. 103 (TM); Schoordijk 1979, p. 86; Van Boom 1999, p. 52-53; Van Boom 2016a, p. 64-65; Van Oostrum 2019a/5.4.3 (p. 208-209); Spierings 2019/33.
Vgl. HR 31 januari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0492, NJ 1992/686, m.nt. P. van Schilfgaarde (Van der Hoeven/Comtu), r.o. 3.2.
Zie Spierings 2019/3, met verdere verwijzingen.
Zie Richtlijn 2014/104/EU, art. 19 lid 1 en 2 en considerans, nr. 51-52; Kamerstukken II 2015/16, 34490, 3, p. 16-17; Van Boom 2016a, p. 204-206; Boekraad 2017/2.4 (p. 83-85); Beenders, Polkerman & De Pree 2019/3.5 (p. 86-88). Het gaat hier om dwingend recht, zodat afwijking bij overeenkomst in beginsel niet mogelijk is.
In de andere taalversies van Richtlijn 2014/104/EU wordt gesproken van “consensual settlement”, “règlement consensuel”, “Vergleich”, “transazione consensuale” en “acuerdo extrajudicial”. Zie over deze bepaling nader par. 3.2.4.3.4.
Vgl. echter HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:837, NJ 2015/255 m.nt. P. van Schilfgaarde; JOR 2015/191, m.nt. N.E.D. Faber & N.S.G.J. Vermunt (Bia Beheer), r.o. 3.6.2, waarover nader hierna, nr. 162.
De reden daarvoor kan bijvoorbeeld zijn dat de schikkende schuldenaar bang is dat een erkenning van aansprakelijkheid een ‘aanzuigende werking’ zal hebben. Ook beletten de verzekeringsvoorwaarden de schikkende schuldenaar geregeld aansprakelijkheid te erkennen (vgl. art. 7:953 BW).
Dit is mede van belang voor de daaraan toekomende rechtsgevolgen in de verhouding tussen hoofdelijk schuldenaren. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Den Haag 8 juni 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:6309 (Vestia) en Rechtbank Den Haag 21 september 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:11305 (CDC/Shell c.s.).
Zie HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:649, NJ 2019/438, m.nt. F.M.J. Verstijlen; JOR 2019/173, m.nt. N.E.D. Faber (UWV/X), r.o. 3.4.4, hiervoor besproken in nr. 109.
Zie par. 4.3.2.
HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1315, NJ 2022/224, m.nt. J.L. Smeehuijzen; JOR 2020/227, m.nt. D.F.H. Stein, r.o. 3.3.2 en 3.3.3.
Vgl. art. 160 Fw en HR 31 januari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0492, NJ 1992/686, m.nt. P. van Schilfgaarde (Van der Hoeven/Comtu), r.o. 3.2.
122. Wat is een schikking? Komt een schuldeiser met één van de hoofdelijk schuldenaren een schikking overeen (een ‘individuele schikking’)1, dan zal hierin soms een afstand in de zin van art. 6:9 of art. 6:14 BW besloten liggen, zoals hiervoor (par. 4.3.3) besproken. Of dit het geval is, is een kwestie van uitleg. Waar de praktische strekking doorgaans zal zijn dat de (mogelijke) schuldenaar niet met succes kan worden aangesproken door de (beweerdelijk) schuldeiser, is de juridische strekking vaak een stuk lastiger te duiden. Het is, met andere woorden, geregeld onduidelijk hoe een dergelijke afspraak – na uitleg daarvan2 – moet worden gekwalificeerd. Denkbaar is dat het gaat om een afstand ‘om baat’, maar ook kan worden gedacht aan tal van andere rechtsgevolgen, zoals schuldvernieuwing, inbetalinggeving, cessie, ‘ontslag uit de hoofdelijkheid’, het omzetten van een civiele verbintenis in een natuurlijke verbintenis, of het op zich nemen door de schuldeiser van de verplichting om de schikkende schuldenaar niet aan te spreken (een ‘pactum de non petendo’).3 Deze verschillende kwalificaties kunnen leiden tot zeer verschillende rechtsgevolgen, en kwalificatie is daarmee van groot praktisch belang.4
Stel dat B, C en D hoofdelijk gehouden zijn € 500.000 aan A te betalen. Wat te denken van de afspraak tussen A en B dat B vanaf de schikkingsdatum niet langer door A zal kunnen worden aangesproken, tegen betaling door B van € 150.000? Hier is zonder meer sprake van een betaling door B, maar is die betaling ook een ‘nakoming’ in de zin van art. 6:7 lid 2 BW? Zo ja, dan zou men hier kunnen aannemen dat de schuld van B gedeeltelijk – namelijk tot een beloop van € 150.000 – teniet is gegaan door betaling, en voor het overige door afstand. In dat geval profiteren C en D in beginsel wél van de betaling (art. 6:7 lid 2 BW), maar niet van de afstand (art. 6:14, tweede volzin BW);5 zij zijn dan nog hoofdelijk verbonden jegens A tot betaling van € 350.000. Ook zou deze afspraak echter mogelijk kunnen worden gezien als schuldvernieuwing: uit de afspraak vloeit immers voort B vanaf de schikkingsdatum niet langer gehouden is tot betaling van € 500.000, maar slechts tot betaling van € 150.000. Verdedigbaar is dat hier sprake is van “een andere prestatie dan de verschuldigde” zodat het gaat om inbetalinggeving (art. 6:45 BW). In dit geval profiteren ook de andere schuldenaren, aldus uitdrukkelijk art. 6:7 lid 2 BW,6 zodat ook C en D na de schikking nog slechts gehouden zouden zijn om € 150.000 aan A te voldoen. Wéér een andere benadering is dat A en B voor ogen hebben gehad om B te ‘ontslaan’ uit de hoofdelijke verbondenheid, dat wil zeggen: om hem ook extern nog slechts aansprakelijk te laten zijn voor het gedeelte van de schuld dat hem aangaat.7 Hebben A en B voor ogen gehad om slechts de afdwingbaarheid te ontnemen aan de (mogelijke) verbintenis van B jegens A, dan heeft dit als zodanig geen gevolg voor de aansprakelijkheid van andere schuldenaren, omdat de schuld door een dergelijke schikking niet afneemt.8 Weer een andere kwalificatie is dat de gemaakte afspraken niets met hoofdelijkheid van doen hebben, maar er simpelweg op neerkomen dat A zich jegens hoofdelijk schuldenaar B verbindt om hem niet aan te spreken (een ‘pactum de non petendo’),9 waarvoor B een vergoeding ter grootte van € 150.000 betaalt. Spreekt A in weerwil van de gemaakte afspraken B aan tot betaling, dan is A uit wanprestatie (art. 6:74 e.v. BW) – en mogelijk ook hoofde van de gemaakte afspraken – aansprakelijk jegens B tot vergoeding van zijn schade.
Slechts in een enkel geval is de civielrechtelijke kwalificatie van een schikking niét van belang voor de daaraan toekomende rechtsgevolgen. Bij schikkingen ten aanzien van schadevergoedingsvorderingen wegens een inbreuk op het mededingingsrecht vindt een reductie van de aansprakelijkheid van de resterende schuldenaren van rechtswege plaats (art. 6:193o BW).10 Deze bepaling dient ter implementatie van art. 19 uit Richtlijn 2014/104/EU, dat spreekt van ‘schikkingsovereenkomst’ of ‘schikking’, zonder dat die begrippen nader worden gedefinieerd.11 Hier speelt kwalificatie slechts een rol om te bepalen of een rechtsverhouding tussen een schuldeiser en een hoofdelijk schuldenaar kwalificeert als een door hen aangegane ‘schikking’ in de zin van art. 6:193o BW (uitgelegd in overeenstemming met het Unierecht).
Waar de Hoge Raad in 1988 in het arrest Bron/Bink een oordeel gaf dat moeilijk te verenigen is met de wettekst van art. 1476 BW (oud), vooruitlopend op het huidige art. 6:14 BW, sluit de regel van art. 6:193o BW beter aan bij de tekst van art. 1476 BW (oud). Het verschil is echter wel dat partijen op grond van art. 6:193o BW geen afwijkende regeling kunnen treffen.
123. Kwalificatie. In mijn ogen kan geen algemene regel worden gegeven voor de kwalificatie van een tussen schuldeiser en één van de hoofdelijk schuldenaren overeengekomen schikking. De inhoud van een dergelijke overeenkomst dient te worden bepaald door uitleg van de overeenkomst volgens de daarvoor geldende normen, waarbij in een juridische procedure daarover veel zal afhangen van het partijdebat. Wel meen ik dat het in ieder geval in buitencontractuele gevallen doorgaans niet voor de hand zal liggen dat de schikking moet worden gezien als een gedeeltelijke betaling (voor het gedeelte van de schuld dat correspondeert met de draagplicht van de schikkende schuldenaar) en afstand (voor het overige).12 Dit geldt met name indien het een schikking betreft waarin niet wordt erkend dat er enige schuld bestaat, zoals doorgaans het geval zal zijn in schikkingen bij (vermeende) buitencontractuele aansprakelijkheid.13 Het ligt dan mijns inziens niet voor de hand om de betaling te zien als nakoming van een schuld waarvoor de schikkende schuldenaar hoofdelijk verbonden was, omdat het bestaan van een dergelijke schuld tussen partijen nu juist punt van geschil was.14
Deze opvatting brengt mee dat de schuldeiser die zijn zaakjes goed voor zichzelf regelt, door eerst met een van zijn schuldenaren een schikking te treffen zónder dat de andere schuldenaren daardoor worden bevrijd, zich vervolgens voor het volle pond kan wenden tot de overige schuldenaren, die zich mogelijk onverkort kunnen verhalen op de schikkende schuldenaar. Mijns inziens ligt het op de weg van de schikkende schuldenaar om – al dan niet zekerheidshalve – een 6:14-clausule te bedingen, waarmee ‘double dipping’ door de schuldeiser op eenvoudige wijze kan worden voorkomen en het regresrisico voor de schikkende schuldenaar kan worden gemitigeerd. Daarnaast acht ik het denkbaar dat een dergelijk rechtsgevolg in bijzondere gevallen voortvloeit uit de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 1id 1 en art. 6:248 lid 1 BW).
124. Afstand en schikking (personenvennootschappen). Hiervoor besprak ik dat bij hoofdelijke aansprakelijkheid van vennoten voor de schulden van een vof (art. 18 WvK), de vof zelf niet behoort tot de kring van hoofdelijk schuldenaren.15 Dit heeft onder meer implicaties voor een ‘met de vof’ getroffen schikking. Indien bij die schikking ook de vennoten in privé betrokken zijn, in die zin dat de (beweerdelijk) schuldeiser zowel aan de vof als aan de individuele vennoten kwijting verleend, zullen zowel de vof als de vennoten van hun verplichtingen zijn bevrijd. Indien men een schikking treft die niet ook betrekking heeft op de schulden van de vennoten in privé, bestaat mogelijk het risico dat de schikking weliswaar de schuld van de vof doet afnemen, maar de op de vennoten in privé rustende verbintenissen onverlet laat. Het gaat immers om zelfstandige verbintenissen.16 Wat is rechtens als de schuldeiser die schikte met de vof, zich vervolgens wendt tot de vennoten in privé, met de stelling dat hij hen niet van hun verbintenissen heeft bevrijd? In ieder geval is van belang dat art. 6:9 BW en art. 6:14 BW niet van toepassing zijn ‘op de vof’, omdat de hoofdelijk verbondenheid slechts bestaat tussen de vennoten in privé, en dus zonder de vof (of, preciezer gezegd: de gezamenlijke vennoten).
Indien de schikking heeft te gelden als een afstand door de schuldeiser van zijn vordering op de vof, zou ik echter menen dat de vennoten in privé daardoor ook worden bevrijd. De vraag of een rechtshandeling ‘met de vof’ ook is gericht tot, en betrekking heeft op de vennoten in privé is weliswaar een kwestie van uitleg van die rechtshandeling,17 maar omdat de aansprakelijkheid van de vennoten in privé is afgeleid van de aansprakelijkheid van de vof, meen ik dat indien jegens de vof afstand is gedaan van een vorderingsrecht, daarmee ook de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vennoten in privé van tafel is. Art. 18 WvK bepaalt immers dat de vennoten hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verbintenissen van de vof, maar als van een dergelijke verbintenis door de schuldeiser afstand is gedaan, is voor hoofdelijke aansprakelijkheid van de vennoten in privé geen grond meer.
Het ligt ingewikkelder indien de schikking met de vof geen afstand betreft, maar een andersoortige schikking, bijvoorbeeld de omzetting van een civiele verbintenis in een natuurlijke verbintenis (art. 6:3 BW). In dat geval is er immers nog wel een verbintenis van de vof, maar is die niet langer afdwingbaar. Ook hier zou ik echter menen dat het afgeleide karakter van de aanspraken op de vennoten in privé het lot van de verbintenis(sen) van de vof deelt. Het verschil met de schikking met een hoofdelijk schuldenaar is dat de vof zelf geen hoofdelijk schuldenaar is. Zou dit anders zijn, bijvoorbeeld indien de voorgestelde wettelijke regeling inzake het personenvennootschapsrecht kracht van wet zou krijgen (het voorgestelde art. 7:810 lid 1 BW), dan is de uitkomst in mijn ogen ook anders, omdat een schikking met een hoofdelijk schuldenaar die erin bestaat dat diens verbintenis wordt omgezet in een natuurlijke verbintenis, mijns inziens in beginsel geen gevolgen heeft voor niet-schikkende schuldenaren.18