Einde inhoudsopgave
De Europese Executoriale Titel (BPP nr. III) 2005/3.11
3.11 Toetsing van de bevoegdheid
Mr. M. Zilinsky, datum 02-03-2005
- Datum
02-03-2005
- Auteur
Mr. M. Zilinsky
- JCDI
JCDI:ADS379478:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kropholler (2002), p. 527.
Nederland heeft geen bilateraal verdrag met een derde land gesloten dat op deze materie van toepassing is. De overeenkomst met Suriname (Trb. 1976, 144) regelt slechts de erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen tussen (het Europese deel van) het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname.
COM (1999) 348 def., p. 25. Aan de overweging om de toetsing van de bevoegdheidsregeling in arbeidszaken niet in te voeren liggen ook rechtspolitieke overwegingen ten grondslag. Zie P. Vlas, 'EER-Verordening (Brussel I) vastgesteld', Ondernemingsrecht 2001, p. 95-97.
Zie M. Zilinsky, Ondernemingsrecht 2000, p. 157-158.
Zie paragraaf 3.2.1.
Burgerlijke Rechtsvordering, Vlas, Verdragen & Verordeningen, EEX-Verordening, Art. 35, aant. 6.
De exequaturrechter mag in beginsel niet de bevoegdheid van de rechter van de lidstaat die de te erkennen beslissing heeft gewezen, toetsen. Dit hangt samen het beginsel van vertrouwen in elkaars rechtspraak. Doordat de verordening een regeling betreffende de rechterlijke bevoegdheid bevat, is het niet noodzakelijk dat de bevoegdheid ook door de exequaturrechter wordt getoetst. Er wordt verondersteld dat de eerste rechter de verordening correct heeft toegepast. Gezien het feit dat de uitleg van de bepalingen van de verordening in alle lidstaten gelijk behoort te zijn, hetgeen ook door de uitleggingsbevoegdheid van het HvJ EG wordt gewaarborgd, dienen de rechters in alle lidstaten de verordening op gelijke manier toe te passen.
Ingevolge art. 35 lid 1 EEX-Vo moet de op basis van het rechtsmiddel aangezochte rechter toetsen of de bevoegdheidsbepalingen van de afdelingen 3, 4 en 6 van Hoofdstuk II van de EEX-Verordening niet zijn geschonden. Ook kan in de fase van het rechtsmiddel een beroep worden gedaan op de art. 72 EEX-Vo. Ingevolge deze bepaling worden de krachtens art. 59 EEX-Verdrag gesloten overeenkomsten geëerbiedigd. Hierbij kan een lidstaat zich ten aanzien van een derde land verbinden om een beslissing gewezen in een lidstaat tegen verweerders met een woon- en/of vestigingsplaats in dat derde land niet te erkennen, indien de rechter van deze lidstaat zijn bevoegdheid op een exorbitante bevoegdheid heeft gebaseerd, ofschoon de beslissing ingevolge de verordening erkend zou moeten worden. Binnen de Europese Unie blijkt alleen het Verenigd Koninkrijk een dergelijke overeenkomst met een niet-lidstaat, namelijk Canada, heeft gesloten.1 Mijns inziens zal deze weigeringsgrond zich in Nederland niet kunnen voordoen, nu Nederland niet een dergelijke overeenkomst met een derde land heeft gesloten.2 Eveneens rijst de vraag of een dergelijk lot een Nederlandse beslissing kan treffen. De in art. 3 lid 2 EEX-Verdrag - waarnaar door art. 72 EEX-Vo wordt verwezen - opgesomde exorbitante fora doen zich door de inwerkingtreding per 1 januari 2002 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet meer voor.
De achterliggende gedachte van art. 35 lid 1 EEX-Vo is dat 'zwakkere' partijen, zoals consumenten en de verzekeringnemers, beschermd dienen te worden. Ook is het karakter van de bevoegdheidsregeling van art. 22 EEX-Vo zodanig dat in het kader van de exequaturverlening de aangezochte rechter mag toetsen of deze bepaling niet is geschonden. Uit art. 35 lid 1 blijkt echter dat de te erkennen beslissing niet aan de bevoegdheidsregeling van de afdeling 5 van Hoofdstuk II (bevoegdheidsregeling inzake de arbeidsovereenkomst) getoetst mag worden. De afdelingen 3 (bevoegdheid in verzekeringszaken), 4 (bevoegdheid in consumentenzaken) en 5 hebben tot doel de 'zwakkere' partij - de consument, de verzekeringnemer en de werknemer te beschermen. Uit de summiere toelichting bij het voorstel blijkt dat de toetsing van de bevoegdheid in arbeidszaken alleen ten nadele van de eiser, in de meeste gevallen de werknemer, zou uitvallen.3 Deze uitsluiting van de toetsing aan afdeling 5 is mijns inziens systematisch onjuist. Een werknemer is net als een consument of een particulier verzekeringnemer een zwakke partij ten opzichte van zijn wederpartij. De uitsluiting is blijkbaar gebaseerd op de premisse dat in de meeste gevallen de werknemer bij zijn eigen rechter tegen zijn werkgever procedeert. Wordt door de rechter van de woonplaats van de werknemer een beslissing in het voordeel van de werknemer gewezen, dan moet ingevolge de EEX-Verordening deze beslissing in alle lidstaten worden erkend, ofschoon deze rechter zijn rechtsmacht niet aan een bepaling van de verordening heeft kunnen ontlenen. Art. 35 lid 1 EEX-Vo heeft ook tot gevolg dat indien een werkgever bij zijn eigen rechter een ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzoekt, deze beslissing in een andere lidstaat erkend moet worden, ook al is de rechter overeenkomstig de verordening niet bevoegd geweest. In dit geval komt het ontbreken van de toetsing van de bevoegdheid in arbeidszaken echter ten nadele van de werknemer.
Uit art. 35 lid 3 blijkt dat de bevoegdheidsregels niet van openbare orde zijn. De weigeringsgrond 'openbare orde' dient slechts in uitzonderlijke situaties te worden gebruikt. Zo kan zich dus in de praktijk niet het geval voordoen dat de exequatur-rechter een beslissing van een rechter uit een andere lidstaat weigert omdat deze laatste zijn bevoegdheid - bewust of bij wege van een vergissing - op een exorbitant forum heeft gebaseerd. Dit betekent dat een beslissing gewezen tegen een in een niet-lidstaat woonachtige verweerder waarbij de eerste rechter zijn bevoegdheid op een exorbitante bevoegdheid heeft gebaseerd, volgens de regels van de verordening erkend dient te worden, behoudens het in art. 72 EEX-Vo bepaalde.
Naar aanleiding van het Mietz-arrest kan de vraag rijzen of het Hof in dat arrest het verbod van de toetsing van de bevoegdheid niet heeft geschonden.4 Het HvJ EG heeft immers overwogen dat indien de rechter van de lidstaat van herkomst bij het gelasten van een voorlopige maatregel zijn bevoegdheid op art. 24 EEX-Verdrag heeft gebaseerd, de beslissing inhoudende een voorlopige maatregel onder de EEX-regeling slechts erkend kan worden, indien aan de voorwaarden van het Van Uden-arrest is voldaan. Het was echter in dit voorliggende geval noodzakelijk om deze toetsing te verrichten, teneinde vast te stellen of sprake is van een beslissing in de zin van de EEX-regeling.5
Ingevolge art. 35 lid 2 is de exequaturrechter gebonden aan de feitelijke overwegingen die aan het bepalen van de bevoegdheid van de eerste rechter ten grondslag hebben gelegen. De toetsing van deze feiten zou tot een indirecte toetsing kunnen leiden van de grond waarop de bevoegdheid is gebaseerd, hetgeen door art. 35 lid 3 verboden is. Hij is echter niet gebonden aan de juridische consequenties die deze vaststellingen kunnen hebben.6