Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/9.8.2
9.8.2 Democratische kennis en vaardighedendoelen
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977433:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Veugelers & Schuitema 2009, p. 8-9; Veugelers e.a., ’Waardevormend onderwijs en burgerschap. Een pleidooi voor kritisch-democratisch burgerschap’, Pedagogiek 2004, p. 361-375 en Veugelers 2019, p. 27.
Veugelers 2019, p. 11.
S. Valkenberg, ’Democratie is niet volmaakt. Nou én?’, Trouw 22 november 2012.
D. Boomsma, ’Waarom patriottisme belangrijk is’, CDV Winter 2017, p. 117.
Zie: A. Gescinska, ’Niet alleen snoeien, maar ook betrokkenheid kweken’, Trouw 22 november 2012.
Wet van 23 juni 2021, Stb. 2021, nr. 320; vgl. Standaert & Troch 1992, p. 37-65.
Amendement-Rog/Van Meenen over vervanging van actief burgerschap door democratisch burgerschap (Kamerstukken II 2020/21, 35352, nr. 14).
Kamerstukken II 2020/21, 35352, nr. 6.
Werkgroep DOZ 2003, p. 34-37.
Van Gent e.a. 2012, p. 6.
Ibid., p. 34.
Ibid., p. 26. Zie voor curriculum: R. Soetaert, ‘Maatschappelijke en wetenschapsfilosofische reflectie over vakinhouden’, in: Engels (red.) 1998, p. 24-25.
Zie: De Corte 1973, p. 20-23.
Lentz & Van Tuijl 1989.
F. van den Berg, ‘Wereldburgerschap. Reflecties over het doel van het onderwijs’, in: Rietdijk-Helmer (red.) 2005, p. 186-190.
Ibid., p. 187.
Zie: B.S. Bloom & D. Krathwohl, Taxonomie van een aantal in onderwijs en vorming gestelde doelen: een systematische classificatie van leerresultaten, Rotterdam: UP 1971.
Schrauwen 2013, p. 9; vgl. Oraties, ´Burgerschap´, NJB 2013, p. 1367, 'Dieselakkoord schaadt Brussel en Europese burger´, Trouw 2 november 2015.
Vgl. A. Pahladsingh, ’EU-burger heeft pas tien jaar grondrechten. Grondrechtencatalogus van de EU behoeft meer bekendheid’, M & P 2020, 6, p. 22-23.
Kessels & Smit 1991.
Olgers 2000 en Peschar e.a. (red.) 2010.
G. Dielessen e.a., ’Lessen in burgerschap: buiten school’, Trouw 16 februari 2017, p. 22.
Zie: Langeveld 1975; vgl. C. Klaassen 1976, p. 52-56, 102-104, Andeweg e.a. (red.) 1985, p. 19-20, Vis 1995, p. 5-7, Wittebrood 1995, p. 109-110, W. Veugelers, ´Democratie Leren’, PS 83, p. 156-166 en www.scholierenverkiezingen.nl.
Basisvorming in het onderwijs, Den Haag: WRR 1986, p. 132.
Burgerschapsconcepten
Voor de waardering van de burgerschapsconcepten heeft recent onderzoek van Veugelers & Schuitema de voorkeur van de middelbare scholieren laten zien voor het aanpassingsgericht (adaptation, discipline) en het individualiserend-calculerend (autonomy, weak social orientation) burgerschap boven het kritisch-democratisch (autonomy, social concern) burgerschap.1 Daarom ook acht Veugelers de waardenstimulering bij leerlingen een bruikbare methode. Ze worden tot internalisatie van de gedeelde (basis)waarden en houdingen aangezet, waardoor kritisch-democratische zin wordt gestimuleerd. Ze moeten een eigen waardenpatroon ontwikkelen.2 De uitoefening van het kritisch-democratisch burgerschap vergt een blijvende reflectie op de betekenis van de democratie en ieders plaats daarin.3
De ideaaltypische burger bezit een mentaliteit die zich uit in meer empathische persoonlijke (ver)bindingen, zoals deze gevormd zijn door de internalisatie van de gedeelde basiswaarden en -normen. Deze mentaliteit veronderstelt kennis van de sociaalculturele en politieke gemeenschap4, waartoe men behoort en waarvoor men medeverantwoordelijkheid kan en wil dragen.5
Voorkeur voor democratisch burgerschap in plaats van actief burgerschap
Het wettelijk doel van burgerschapsvorming is per 1 augustus 2021 onder meer gelegen in de bevordering van actief burgerschap en sociale cohesie.6 Actief burgerschap is een sturend begrip. Evenals de Kamerleden Rog (CDA) en Van Meenen (D66) zou ik dit door democratisch burgerschap willen vervangen.7 In de ogen van minister Slob is het democratisch burgerschap beperkter van aard dan het actief burgerschap.’ Het heeft immers betrekking op de verhouding tussen de overheid en de burgers’, stelt Slob.8 Deze benadering deel ik niet. Aangezien het doel van burgerschapsvorming mede de democratische persoonsvorming is die een vitale identiteitsbron voor de sociaalmaatschappelijke en politieke participatie vormt, kunnen de scholen het democratisch burgerschap als een levenswijze schooleigen invullen met kennis en sociale vaardigheden en de onderwijs- en leerdoelen daarop richten.
De leerdoelen van burgerschapsvorming zijn: (a) kennis en cognitieve vaardigheden, (b) gevoelens en interesses (politieke betrokkenheid) en (c) interactief vermogen tot samenwerking.9 Ze zijn gericht op het leren van (de beginselen van) de democratische rechtsstaat, de maatschappelijke ordening, de sociale (infra)structuur van de samenleving en de ruimte die private sferen toekomt, en op de verwerving van de vereiste kwalificaties van vaardigheden en attitudes.10 Ze vormen de operationele leerresultaten van wat leerlingen dienen te beheersen.11 Zo is bijvoorbeeld een leerdoel: ‘de leerling kan een partijprogramma begrijpen’.12
De veelheid aan leerdoelen13 dwingt tot keuzes.14 Zo stelt filosoof Van den Berg als onderwijsdoelen voor: (a) het opleiden tot democratisch wereldburger en voor de arbeidsmarkt en (b) het mogelijk maken van de persoonlijke ontplooiing door het aanbieden van cultuur en wetenschap.15 ‘Het onderwijs moet hiervan doordrongen zijn en niet alleen de docenten maatschappijleer’, betoogt hij. ‘Behalve in de context van cultuur en geschiedenis zou er op de scholen geen plaats moeten zijn voor religie: democratie en wetenschap liggen in elkaars verlengde en het aanbrengen van een ethisch-politieke grondhouding zou de essentie van het onderwijs moeten zijn’, stelt Van den Berg.16
Lineaire ordening van leerdoelen
De leerdoelen zijn lineair of voortschrijdend geordend. De cognitieve leerdoelen kennen als ordening: (1) formele kennis (bijvoorbeeld over de rechtsstaat), (2) begrip (bijvoorbeeld over normen; een voorbeeld hiervan is dat de overheid gebonden is aan de wet), (3) toepassing (bijvoorbeeld een toepassing die blijkt uit de Wegenverkeerswet), (4) analyse (bijvoorbeeld over het gedrag van een verkeersdeelnemer), (5) synthese (bijvoorbeeld de wet normeert verkeersgedrag) en (6) evaluatie (bijvoorbeeld de toepassing en hanteerbaarheid van het voorgaande).17 De affectieve leerdoelen en de vaardigheidsdoelen zijn in twee componenten te onderscheiden: (1) de werkwijzen, inhoudende het leerdoel operationaliseren in een groepsdebat, en (2) de inhoud, het concretiseren van het leerdoel in het debatteren aan de hand van stellingen over de functie van de democratie in de samenleving. Een voorbeeld hiervan is volgens Schrauwen het discours over het bevorderen van EU-burgerschap.18 Inmiddels vormen de grondrechten in het Handvest hiervoor een leidraad.19
Functionele leerdoelen
Voorts zijn de leerdoelen functioneel als een hulpmiddel voor de vastlegging van curricula, werkvormen en toetsen in een programma van toetsing en afsluiting (PTA) en als een communicatiemiddel voor docenten, curriculumontwikkelende instanties en methodenmakers.20 Deze functies zijn alle van toepassing op burgerschapsvorming.21 Hieronder vallen het leren overleggen, debatteren en reflecteren op de maatschappelijke en politieke vraagstukken.22 Ook de bevordering van de bewustwording van ieders kiesrecht en gedrag ten behoeve van de ontwikkeling en instandhouding van de democratische rechtsstaat en de inclusieve samenleving is hieronder begrepen.23 Als voorbeeld van een visie als onderwijsdoel omschrijft de WRR in Basisvorming in het onderwijs in 1986 burgerschapsvorming als een politiek enculturatieproces, waarin ‘iedere burger structuur, principes en werking van de staatsinstellingen behoort te kennen om zijn daaraan ontleende persoonlijke en democratische rechten en plichten te kunnen begrijpen en uitoefenen’.24