Beleidsbepaling en aansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Beleidsbepaling en aansprakelijkheid (VDHI nr. 170) 2021/3.6.1:3.6.1 Instructies aan het bestuur
Beleidsbepaling en aansprakelijkheid (VDHI nr. 170) 2021/3.6.1
3.6.1 Instructies aan het bestuur
Documentgegevens:
mr. J.E. van Nuland, datum 21-09-2020
- Datum
21-09-2020
- Auteur
mr. J.E. van Nuland
- JCDI
JCDI:ADS254462:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ingevolge het huidige artikel 2:239 lid 4 BW kunnen de statuten bepalen dat het bestuur zich dient te gedragen naar de aanwijzingen van een ander orgaan van de vennootschap. Het bestuur is gehouden de aanwijzingen op te volgen, tenzij deze in strijd zijn met het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. De bepaling staat op gespannen voet met de vennootschappelijke structuur, waarin aan het bestuur van de vennootschap een bepaalde mate van zelfstandigheid is toebedeeld. De verschillende organen hebben eigen taken en bevoegdheden. Als uitgangspunt heeft te gelden dat vennootschapsorganen de door de wet en statuten aangegeven grenzen van die bevoegdheden niet mogen overschrijden. Een duidelijke ‘hoogste macht’ in de vennootschap kan, gezien ieders autonomie voor wat betreft de eigen taken en bevoegdheden, niet worden aangewezen. De mogelijkheid om in de statuten een instructiebevoegdheid op te nemen, impliceert dat een ander orgaan van de vennootschap inbreuk kan maken op de zelfstandigheid van het bestuur. Inherent daaraan is mijns inziens dat dit orgaan dan zelf de mogelijkheid heeft om zich in te laten met juist dat terrein dat uitdrukkelijk tot de bestuurstaak behoort: het besturen van de vennootschap. De aanwijzingen die aan het bestuur van een BV gegeven kunnen worden zijn onbeperkt in reikwijdte en kunnen zowel van algemene aard zijn, als (zeer) concreet en gedetailleerd. Wanneer de statuten bijvoorbeeld een instructiebevoegdheid voor de algemene vergadering bevatten, mag zij zich rechtens begeven op het terrein van het bestuur en als zodanig instructies geven met betrekking tot het beleid en de strategie van de vennootschap, alsook ten aanzien van de dagelijkse leiding over de vennootschap. Onduidelijk is echter hoe ver deze instructiebevoegdheid reikt en dus waar de grenzen van deze bevoegdheid liggen.
Dat het bestuur op grond van artikel 2:239 lid 4 BW gehouden kan zijn om aanwijzingen van een ander orgaan van de vennootschap op te volgen, impliceert toch enige hiërarchie: het bestuur heeft als het ware naar de pijpen van de instructiegever te dansen en verzet is slechts mogelijk voor zover het vennootschappelijk belang dat vereist. Wordt de instructiegever belichaamd door de algemene vergadering, dan heeft deze vaak nog een andere mogelijkheid om het bestuur te beïnvloeden: de algemene vergadering kan het bestuur in de regel schorsen of ontslaan. De bevoegdheid tot schorsing en ontslag leidt tot een feitelijke machtspositie of instructiemacht, die van de instructiebevoegdheid moet worden onderscheiden. Het bestuur zal zich in de regel moeilijk kunnen onttrekken aan aanwijzingen van het orgaan dat tot schorsing en ontslag bevoegd is.1 Tegelijkertijd geeft deze instructiemacht het tot ontslag bevoegde orgaan geen directe mogelijkheid om bepaald bestuurshandelen af te dwingen; er zal een nieuw bestuur moeten worden benoemd dat op zijn beurt zal moeten beslissen of de instructie kan worden uitgevoerd. De statutaire instructiebevoegdheid gaat verder dan de feitelijke macht die van de dreiging van schorsing en ontslag uitgaat. Het bestuur is in beginsel immers verplicht aan de instructie gehoor te geven. Artikel 2:239 lid 4 BW maakt dan ook op een geheel andere wijze inbreuk op de bestuursautonomie: er is sprake van een wettelijke grondslag die een rechtstreekse inbreuk op de bestuurszelfstandigheid toestaat en andere organen van de vennootschap de gelegenheid geeft om zich op een terrein te begeven dat op de voet van het eerste lid van artikel 2:239 BW slechts door het bestuur wordt betreden.
Hierna zal ik ingaan op de reikwijdte van de instructiebevoegdheid, alsmede de rol van de instructiegever en de geïnstrueerde (het bestuur). Eerst besteed ik evenwel aandacht aan de ontwikkeling van deze bevoegdheid door de jaren heen. Daartoe beschrijf ik in onderling verband de (wettelijke) voorgangers van het huidige artikel 2:239 lid 4 BW en de benadering van het instructievraagstuk in de literatuur en rechtspraak. Ten slotte komt de parlementaire geschiedenis van de huidige bepaling aan bod. Vervolgens bespreek ik ook de ontwikkelingen na de invoering van de huidige bepaling ter gelegenheid van de inwerkintreding van de Wet Flex-BV. De reikwijdte duid ik aan het slot van deze paragraaf.