Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/4.4.3.3
4.4.3.3 Ontwerp, (ver)bouw, onderhoud en financiering (en exploitatie)
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291691:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
D.J.L. van Ee, ‘Contractvormen in de bouw’, Vastgoed Fiscaal & Civiel 2011/3, p. 11 en S. van den Boogaart en L.F. Dröge, ‘Back-to-back contracteren bij DBFM(O)-projecten’, TBR 2015/97, p. 571. Bij Publiek-Private Samenwerking (PPS) werkt de (rijks)overheid samen met één of meer bedrijven, met name op het gebied van infrastructuur en (rijks)huisvesting.
DBFM-overeenkomst Rijkswaterstaat (versie 5.0) van 18 juni 2018 en Rijksbrede modelovereenkomst DBFMO huisvesting rijksvastgoed (versie 5.0) van juni 2018. Vgl. A.A. van Velten, Privaatrechtelijke aspecten van onroerend goed (Ars Notariatus nr. 120), Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 297-298.
J.H.W. Koster e.a., DBFM-Handboek, ‘een verkenning van contractonderdelen’, Den Haag: Ministerie van Financiën 2008, p. 9.
Art. 5.6 en art. 6.1 Rijksbrede modelovereenkomst DBFMO huisvesting rijksvastgoed (versie 5.0) van juni 2018.
J.H.W. Koster e.a., DBFM-Handboek, ‘een verkenning van contractonderdelen’, Den Haag: Ministerie van Financiën 2008, p. 7.
J.H.W. Koster e.a., DBFM-Handboek, ‘een verkenning van contractonderdelen’, Den Haag: Ministerie van Financiën 2008, p. 146.
J.H.W. Koster e.a., DBFM-Handboek, ‘een verkenning van contractonderdelen’, Den Haag: Ministerie van Financiën 2008, p. 10 en O. Laan, ‘Publiek-private samenwerking: DBFM(O)’, VGR 2013/1, p. 40.
F.M. van Cassel-van Zeeland, ‘Opzegging van de DBFMO-overeenkomst’, Contracteren 2013/4, p. 151.
In gelijke zin: Van Zadelhoff, noot bij HR 23 november 2012, nr. 11/03325, BNB 2013/43.
Vgl. HvJ EU 19 juli 2012, zaak C-44/11, V-N 2012/42.15, r.o. 23-28 (Deutsche Bank AG).
Vgl. D.J. Prinsen en F.J. Manzoni-van de Kuilen, ‘Fiscale aspecten van publiek-private samenwerking op basis van DBFMO-contracten’, Vastgoed Fiscaal & Civiel 2005/5, p. 10 en J.H.W. Koster e.a., DBFM-Handboek, ‘een verkenning van contractonderdelen’, Den Haag: Ministerie van Financiën 2008, p. 145.
De opdrachtgever blijft gedurende de looptijd van het contract eigenaar van de grond en wordt zij - tenzij een opstalrecht is gevestigd ten behoeve van de opdrachtnemer - door natrekking eigenaar van het daarop door de opdrachtnemer gerealiseerde gebouw.
D.J. Prinsen en F.J. Manzoni-van de Kuilen, ‘Fiscale aspecten van publiek-private samenwerking op basis van DBFMO-contracten’, Vastgoed Fiscaal & Civiel 2005/5, p. 11 en J.H.W. Koster e.a., DBFM-Handboek, ‘een verkenning van contractonderdelen’, Den Haag: Ministerie van Financiën 2008, p. 146. Anders: bijlage bij Kamerstukken II, 2004/05, 28 753, nr. 7 waarin de Staatssecretaris van Financiën de mogelijkheid openlaat dat sprake is van verhuur.
Bijlage bij Kamerstukken II, 2004/05, 28 753, nr. 7 en J.H.W. Koster e.a., DBFM-Handboek, ‘een verkenning van contractonderdelen’, Den Haag: Ministerie van Financiën 2008, p. 148. Bijkomend voordeel van de kwalificatie als een handeling sui generis is dat een lastig te maken splitsing van de periodieke beschikbaarheidsvergoeding in een ‘opleveringcomponent’ en een ‘dienstencomponent’ niet aan de orde is, terwijl ter zake van de leveringcomponent, de oplevering van de oplevering van het gebouw, ook het probleem van de voorfinanciering van de btw over de gebruikersvergoeding zich niet voordoet. Zie nader over deze problemen: D.J. Prinsen en F.J. Manzoni-van de Kuilen, ‘Fiscale aspecten van publiek-private samenwerking op basis van DBFMO-contracten’, Vastgoed Fiscaal & Civiel 2005/5, p. 11, J.H.W. Koster e.a., DBFM-Handboek, ‘een verkenning van contractonderdelen’, Den Haag: Ministerie van Financiën 2008, p. 148, D.J.L. van Ee en F.J. Manzoni-van de Kuilen, ‘PPS is here to stay’, Vastgoed Fiscaal & Civiel 2010/6, p. 25.
Wordt naast de functies ontwerp, uitvoering en onderhoud ook de functie van de financiering geïntegreerd dan is sprake van een Design Build Finance Maintain-contract (DBFM). Is ook de exploitatie van het vastgoed geïntegreerd dan is sprake van een Design Build Finance Maintain Operate-contract (DBFMO). DBFM(O)-contracten worden in Nederland met name gebruikt bij grote PPS-projecten.1 DBFM-contracten worden in Nederland met name gebruikt voor belangrijke infrastructurele werken, zoals rijkswegen, aquaducten, tunnels en spoorwegen, terwijl DBFMO-contracten in Nederland met name worden gebruikt voor rijkshuisvestingprojecten, zoals de huisvesting van de Hoge Raad in Den Haag.2 Het financieringselement van DBFM(O)-contracten houdt in dat de opdrachtnemer de verplichting heeft tot het verkrijgen van de financiering voor de ontwerp- en uitvoeringsfase. De opdrachtnemer sluit zelf een financieringsovereenkomst met één of meerdere financiers.3 Het exploitatie-element van een DBFMO-contract houdt in dat de opdrachtnemer zorgdraagt voor de tijdige aansluiting en levering van gas en elektriciteit en de in het Uitvoeringsplan Diensten omschreven (facilitaire) diensten verricht.4 De looptijd van DBFM(O)-contracten bedraagt meestal tussen de 15 en 30 jaar vanaf de beschikbaarheidsdatum en is gekoppeld aan de economische levensduur van het gerealiseerde object.5 De opdrachtgever betaalt geen vergoeding voor de verschillende elementen van het DBFM(O)-contract, maar betaalt vanaf de beschikbaarheidsdatum een periodieke (beschikbaarheids)vergoeding. Omdat de opdrachtgever normaliter eigenaar is (en blijft) van de grond waarop het gebouw door de opdrachtnemer wordt gerealiseerd wordt hij door natrekking eigenaar van dit gebouw.6
Over de civielrechtelijke kwalificatie van deze contracten bestaat in Nederland geen communis opinio. Zowel een kwalificatie als een overeenkomst met een geheel eigen karakter (een overeenkomst sui generis)7 als een gemengde overeenkomst8 worden verdedigd. Wat beide opvattingen gemeen hebben is dat aan het element uitvoering geen overheersende betekenis wordt toegekend. Dat lijkt mij niet alleen civielrechtelijk, maar ook voor de btw juist, omdat de kern van een DBFM(O)-contract wordt gevormd door de beschikbaarheid van het gebouw voor de opdrachtgever. Per DBFM(O)-contract zal daarom beoordeeld moeten worden of er voor de btw sprake is van een handeling sui generis dan wel een oplevering van een gebouw in combinatie met dienstverlening.9 Omdat het de afnemer bij een DBFM(O)-contract niet gaat om de verschillende ‘losse’ elementen van het contract, maar om de combinatie van deze elementen is naar mijn mening in beginsel sprake van een handeling sui generis.10 Dat één geïntegreerd contract wordt gesloten en op grond van dit contract gedurende de looptijd van de overeenkomst een (periodieke) vergoeding voor het ‘totaalpakket’ wordt betaald wijst daarop.11 Een kwalificatie als (meeromvattende) handeling sui generis sluit naar mijn mening uit dat deze handeling op grond van art. 14 lid 3 Btw-richtlijn geheel of deels kan kwalificeren als de (minder omvattende) oplevering van een werk in onroerende staat. De oplevering van een gebouw is immers slechts een element van deze handeling sui generis. Omdat het totaalpakket, de handeling sui generis, niet kwalificeert als een (op)levering, is op grond van art. 24 lid 1 Btw-richtlijn sprake van een dienst. Deze dienst kan naar mijn mening niet worden aangemerkt worden als (in beginsel vrijgestelde) verhuur, omdat de opdrachtnemer aan de opdrachtgever geen gebruiksrecht verleent12, maar slechts zorgdraagt voor de beschikbaarheid van het gebouw (zie paragraaf 7.3).13 Dit betekent naar mijn mening dat sprake is van een belaste dienst sui generis14 die niet kwalificeert als een vastgoedtransactie als bedoeld in dit onderzoek.