Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden
Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/9.2.5:9.2.5 Verbod om met derden te onderhandelen, contracteerverbod en exclusiviteit
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/9.2.5
9.2.5 Verbod om met derden te onderhandelen, contracteerverbod en exclusiviteit
Documentgegevens:
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS299432:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Blei Weissmann I, aant. 91.
Vgl. Asser-Hartkamp II, nr. 161 en Rijken 1994, p. 54. Anders: De Kluiver/MacLean 1987.
Vznr. Rb. Roermond 14 maart 1983, KG 1983, 125, Hof Amsterdam 7 mei 1987, NJ 1988, 430, Vznr. Rb. 's-Gravenhage 10 december 1993, KG 1994, 28, Vznr. Rb. Breda 29 juni 1994, KG 1994, 294, Vznr. Rb. 's-Gravenhage 16 december 1994, KG 1995, 23.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het contracteren met een derde in strijd met een plicht tot dooronderhandelen, kent zijn pendant in een door de wederpartij verlangd verbod om, bijv. totdat een gerechtvaardigd breekpunt in de onderhandelingen is bereikt, met derden te contracteren of zelfs met derden te onderhandelen.1 Aldus is de facto sprake van het voortzetten van onderhandelingen op een exclusieve basis. Als uitgangspunt dient daarbij te worden genomen dat het in beginsel geoorloofd is om met meerdere partijen tegelijkertijd te onderhandelen. Dit is immers bij uitstek de manier om de kwaliteiten van de verschillende potentiële contractpartijen met elkaar te vergelijken teneinde tot een beslissing te komen over met wie men wil contracteren. Dit wordt echter anders indien men ofwel afspreekt op basis van exclusiviteit met elkaar te zullen onderhandelen (in welk geval de verplichting om zich te onthouden van onderhandelingen met derden een contractuele is), ofwel indien de onderhandelingen zich in het stadium bevinden waarin het partijen niet meer vrij staat deze eenzijdig af te breken.2 Wie zich met zijn onderhandelingspartner in dit stadium bevindt, heeft de verplichting om er met die onderhandelingspartner binnen redelijke grenzen te trachten uit te komen en heeft derhalve in beginsel geen enkel te respecteren belang bij het voeren van onderhandelingen over hetzelfde onderwerp met een derde. Vinden dergelijke onderhandelingen met een derde toch plaats, dan kan daarvan wellicht een ernstig destructieve werking uitgaan op het onderhandelingsproces tussen de oorspronkelijke onderhandelingspartners. Wat hiervan ook zij, in de praktijk wordt een vordering tot het verkrijgen van een gebod om de onderhandelingen voort te zetten, vaak gecombineerd met een vordering tot het verkrijgen van een verbod om onderhandelingen met een derde te beginnen of voort te zetten tot dat er zich wél een gerechtvaardigd breekpunt in de onderhandelingen voordoet3
Het combineren van een vordering tot dooronderhandelen met een vordering strekkende tot het verkrijgen van een verbod om gedurende een bepaalde periode met derden te onderhandelen en/of te contracteren, heeft als voordeel dat de teleurgestelde partij meer wapens in handen heeft om te voorkomen dat de partij die veroordeeld is om door te onderhandelen, aan deze verplichting en daarmee aan de toetsing door de rechter van de redelijkheid van de door hem ingenomen standpunten tracht te ontkomen door ondertussen met een derde te contracteren. Gebeurt dat toch, dan maakt dit de partij die de onderhandelingen heeft afgebroken weliswaar schadeplichtig jegens zijn oorspronkelijke onderhandelingspartner (de vordering tot dooronderhandelen vertaalt zich dan in beginsel, maar gegeven de voormelde mogelijke uitzonderingen daarop, in de vordering tot schadevergoeding), maar zoals uit het vorenstaande is gebleken, kan de partij die inmiddels met een derde heeft gecontracteerd in beginsel niet gedwongen worden om de onderhandelingen met zijn oorspronkelijke onderhandelingspartner verder voort te zetten.