Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/5.5.3
5.5.3 De balans
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS497236:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Deen 1993, p. 583. Zie haar in par. 5.3.2 aangehaalde citaat.
Nebbia 2007, p. 162.
Lord Bingham in DGFT/FNB [2001], r.o. 17.
Macdonald 2005, p. 39.
DGFT/FNB [2000], r.o. 30.
Vergeleken wordt wat de gebruiker mag of moet en wat de consument in eenzelfde situatie mag of moet: SLB/ Apostolakis, r.o. 49, waarover Ervine 2004, p. 130.
Lovell/Legg, no. 29: 'The adjudication ferms apply equally both to contractor and employers.'
Willett 1999, p. 85. De benadering is echter niet geheel onbekend. Een beding dat de gebruiker de mogelijkheid biedt om het contract te ontbinden 'at his or her discretion', zonder de consument hetzelfde recht te verschaffen, is evenmin bindend onder het ruim dertig jaar oude UCTA 1977-regime: Niglia 2004, p. 195.
In Munkenbeck en Marshall/Harold [2005] EWHC 356 (TCC), r.o. 12 bestond er geen wederkerig recht voor de consument op een vergoeding van de procedurekosten of op rente bij schadevergoeding. Het ontbreken van een spiegelbeeldig recht op een proceskostenvergoeding stond ook centraal in de Decision of the Leasehold Valuation Tribunal of the London Rent Assessment Panel van 30 mei 2005 (alternatieve rechtspraak), waarover in latere instantie: Canary Riverside Pte Ltd/Schilling and others [2005] EWLands LRX 65, waarover CLT 29 3 (1), 3 maart 2006.
Willett 1999, p. 85, met verwijzing naar OFT Bulletin 1997/3, p. 63. Een voorbeeld vormt de zwemlesovereenkomst van Serco Ltd tla Beckenham Leisure Centre, waarin een 'refund' in geval van annulering volledig werd ontzegd. Dit beding werd op verzoek van de OFT verwijderd: OFT Bulletin 1997/4, p. 49.
Beale 1989, p. 205, waarover Nebbia 2007, p. 150, noemt het voorbeeld van een exoneratie voor gevolgschade.
Collins 1994, p. 249; Willett 2007, p. 255.
DGFT/FNB [2000], r.o. 35; OF7'/Foxtons [2009], r.o. 90: '71w commission amounts in question are significant, and operare adversely to the dient the more time goes on. Commensurate services are not provided as time goes on.'
Collins 1994, p. 251; Willett 1999, p. 84 en Willen 2007, p. 274; Niglia 2004, p. 205. Vgl. OF7'/Foxtons [2009], r.o. 90.
St. J. Collins 1995.
OFT/Abbey National [2008], r.o. 29.
OFT Bulletin 1997/4, p. 22-23: 'We allo look of course at the rest of the contract for any qualng provision that would zend to remove the possibility of detriment in the term under suspicion, rasher than balancing it.'
Beale 1989, p. 206; Nebbia 2007, p. 150. Bij het vooropstellen van de reciprociteit en de toepassing van onder d is door de OFT de volgende kanttekening geplaatst: 'A 'balanced' solution is likely to be acceptable only where there is a roughly equal risk to each party of losing out as a result of the others cancelling. In many forms of contract, the supplier has no particular interest in being able to cancel, and therefore his agreeing to accept a severe penalty for doing so does not 'balance' fairly a term imposing a heavy penalty on the consumer for cancelling': OFT Consultation on revised Guidance, april 2007, p. 32. In gelijke zin: Nebbia 2007, p. 160.
Willett 2007, p. 51.
Willett 2007, p. 54.
Collins 1994, p. 252 (onder a van de Europese lijst bijv.).
Beale 1989, p. 206, waarover Nebbia 2007, p. 150: 'A clause should be judged unfair if, although it is compensated by a lower price, it exposes the customer to an unacceptable degree of risk' Zie ook Beale 1995, p. 243.
Beale 1995, p. 243 en 245; Beale 2004, nr. 15-049; Niglia 2004, p. 204; Willett 2007, p. 49 e.v. en p. 229.
Beale 1989, p. 201; 2005, p. 243.
Willett 2007, p. 49 e.v.
Munkenbeck/Harold, r.o. 15: 'Bul there is an imbalance, as submitted by Mr. Roberts, and it runs to the detriment of the consumer. That imbalance is not required by the requirement to protect the position of the architect.' Zie ook Bankers Insurance Company/South, waarover Willett 2007, p. 176; Canary Riverside/ Schilling, waarover CLT 29 3 (1) 3 maart 2006 (par. 5.7.2). Een spiegelbeeldig recht op proceskostenvergoeding zou de 'co-tenants' op kosten jagen en dus de belangen van derden schenden. Zie ook MBNA/Thorius, r.o. 37; Domsalla/Dyason, r.o. 92.
Bradgate 1999, p. 38, met verwijzing naar Braadwater Manor School/Davis, Worthing County Court 8 januari 1999, Current Law, mei 1999, p. 208: na een aantal omstandigheden te hebben opgesomd betreffende de onduidelijke formulering van het annuleringsbeding in een lesovereenkomst, besloot de Worthing County Court dat deze met de geest en het doel van de richtlijn strijdige omstandigheden gecompenseerd werden door de noodzaak van de school om haar economische belangen te waarborgen. Zie ook Lord Steyn in DGFT/FNB [2001], to. 38 (par. 5.5.2).
304. De verstoringstoets wordt in Engeland opgevat als het opmaken van een contractuele balans.1 Dit laatste is opmerkelijk want `assessing one party's obligations in relation to the other's is not an operation which is commonly undertaken in common-law reasoning'.2 De eerder aangehaalde overweging van Lord Bingham in de DGFT/FNB-uitspraak (par. 5.5.1) gaat als volgt verder:
`whether a given term is or is not to be so regarded depends on whether it causes a significant imbalance in the parties' rights and obligations under the contract. This involves looking at the contract as a whole.'3
Een integrale weging van alle rechten en plichten van de partijen bij de overeenkomst (met een ruime vergelijking van de contractuele posities van partijen) vormt een 'complex and time-consuming task' en komt in de praktijk niet voor.4 Bij de toetsing aan het verstoringscriterium wordt de nadruk gelegd op de symmetrie tussen rechten en plichten of het bestaan van een tegenprestatie.
`A term which gives a significant advantage to the seller or supplier without a countervailing benefit to the consumer (such as a price reduction) might fail to satisfy this part of the test of an unfair term.'5
305. Het opmaken van de balans houdt in dat wordt nagegaan of sprake is van symmetrie.6 Wanneer een beding beide partijen (gebruiker en consument) dezelfde rechten verschaft of plichten oplegt, dan wordt de verstoring uitgesloten.7 De aan- of afwezigheid van een spiegelbeeldig recht/plicht is bepalend voor het aannemen van de verstoring. Hoewel de vaststelling dat een spiegelbeeldig recht (` mirror image') ontbreekt, een benadering is, die vreemd is aan het Engelse recht,8 vindt zij in de rechtspraak soms plaats.9 Omdat de formulering van verschillende definities uit de Europese lijst (onder d, f, 1 en o bijvoorbeeld) is gebaseerd op het idee van de symmetrie, maakt ook de OFT hiervan gebruik om bedingen opnieuw door gebruikers te laten formuleren.10 Een spiegelbeeldig recht is echter niet altijd denkbaar.11
Naast de symmetrie is daarom ook het bestaan van een `countervailing benefit' van groot belang. Het contractuele evenwicht hangt af van het bestaan van een compensatie voor een nadelig beding (lagere prijs of een ander voor de consument gunstig beding).12 Het wel of niet bestaan van een tegenprestatie is dan bijvoorbeeld bepalend voor de vraag of sprake is van een verstoring.13 Het prijsargument wordt in Engeland voorts breed aanvaard.14 Het nadeel kan een `fair price' hebben.15 De uitsluiting van kernbedingen van de toepassingssfeer van de Regulations neemt niet weg dat rekening wordt gehouden met de prijs bij het opmaken van de balans.16
Is van een tegenprestatie geen sprake, dan kan de aanwezigheid van een contractuele bepaling die bedoeld is, of als effect heeft, om het nadelige effect van het beding tegen te gaan dan wel af te zwakken, alsnog de doorslag geven. Een voorbeeld is een recht op ontbinding bij een prijstoename waarbij de consument ook wordt gecompenseerd voor de mogelijke nadelige gevolgen van een dergelijke ontbinding. De OFT heeft oog voor dergelijke bepalingen.17
306. In de literatuur maar ook door de OFT is regelmatig opgemerkt dat de zoektocht naar een contractuele rechtvaardiging verder dient te gaan dan een simpele en abstracte wegstreepexercitie.18 Een consument heeft niet altijd belang bij een bepaald recht dat als compensatie dient of die compensatie is simpelweg niet te realiseren. Bij iedere vorm van compensatie moet daarom worden nagegaan of deze reëel is; dan pas is er sprake van 'overall substantive faimess' .19Andersom kan een spiegelbeeldig recht of een tegenprestatie onevenredig belastend zijn voor de gebruiker of voor derden. Deze kritiek komt erop neer dat de verstoring niet te abstract moet worden opgevat en dat de goede trouw het uiteindelijke evenwicht tussen rechten en plichten bepaalt. Er is, vanuit de noodzaak van een concrete toetsing in het licht van de goede trouw, ook kritiek op het prijsargument. Willett beargumenteert dat een lagere prijs geen compensatie kan vormen wanneer een directe compensatie voor de nadelige gevolgen van het beding mogelijk was geweest. Een prijs doet een consument niet aan deze gevolgen ontsnappen 20 Verder worden sommige bedingen te onredelijk geacht om door een lagere prijs te worden gerechtvaardigd.21 Ook in geval van een lagere prijs zou de toetsende instantie te allen tijde moeten nagaan of het risico eerlijk is verdeeld.22
307. Bij de vaststelling van de `substantive faimess' draait het in beginsel om de afweging van de `intererts of the parties' .23 De verstoring van het contractsevenwicht betreft volgens Beale niet de rechten en plichten van de partijen, doch de partijen zelf en hun belangen. Voor de vaststelling van de aanzienlijke verstoring van het contractsevenwicht stelt hij de 'interest balancing' voorop.24 Willett noemt een aantal inhoudelijke gezichtspunten die bij de 'overall substantive unfairness'-toets een rol kunnen spelen.25 Van belang zijn bijvoorbeeld de verzekerbaarheid van het risico, de vraag wie dit risico dient te dragen en de legitieme belangen van de gebruiker zoals het recht op betaling en de bescherming tegen onredelijk verlies. Een dergelijke afweging van belangen en risico's in het licht van de goede trouw ziet men ook terug in de rechtspraak.26 In deze belangenafweging worden de belangen van de consument niet altijd evenveel gewicht toegekend, waardoor de toetsing soms in het voordeel van de gebruiker uitvalt 27