Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/4.4.1
4.4.1 Ontwikkeling
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS947854:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Staatscommissie-Oppenheim 1914, p. 21-22.
Zie over de verschillende manieren om de kiezer meer invloed te geven: Van den Bergh 1946, p. 16-19. Hoe meer invloed de kiezer op de zetelverdeling in afwijking van de lijstvolgorde, des te sterker het stelsel zal gaan lijken op een personenstelsel.
Staatscommissie-Oppenheim 1914, p. 29.
De lijstkiesdeler behelst het aantal stemmen dat een lijst heeft moeten behalen om één zetel gevuld te krijgen en berekent men dus door het aantal op een lijst uitgebrachte stemmen te delen door het aantal aan die lijst toekomende zetels. Elzinga, Kummeling & Schipper-Spanninga 2012, p. 50-51.
Tweemaal werden een voorstel gedaan om de voorkeurdrempel te verlagen naar 25% van de lijstkiesdeler, maar zonder succes. Zie hierover Elzinga, Kummeling & Schipper-Spannniga 2012, p. 51. De Staatscommissie-Cals/Donner bepleitte in aanvulling op die verlaging ook het vervangen van de lijstkiesdeler door de algemene kiesdeler als maatstaf.
De Staatscommissie-Oppenheim wees een gesloten lijstenstelsel, waarin de kiezer slechts op de lijst als zodanig en niet op de individuele kandidaten zou kunnen stemmen, af. Zo’n stelsel zou weliswaar uitblinken in eenvoud, maar gaat ten koste van de keuzevrijheid van de kiezer, aldus de commissie.1 De kiezer moest niet geheel overgeleverd zijn aan de lijstvolgorde zoals die door de partij was vastgesteld.2 Geadviseerd werd dus om de kiezer op een individuele kandidaat te laten stemmen. Als een kandidaat genoeg stemmen had behaald om een zetel te bemachtigen, dan werden de overgebleven stemmen overgedragen aan de andere kandidaten, op volgorde van de lijst. De commissie voorspelde dan ook dat de lijstvolgorde leidend zou blijven, nu de regeling van stemmenoverdracht die volgorde immers ondersteunt. Daarnaast voorzag zij dat de meeste kiezers op de lijstaanvoerder zouden stemmen.3 In het uiteindelijk ingevoerde kiesstelsel werd het plan van de commissie overgenomen.
Bij de invoering van het stelsel in 1917 werd besloten dat zetels die kandidaten niet op eigen kracht of door stemmenoverdracht konden vullen, werden toebedeeld aan de overgebleven kandidaten met de meeste stemmen. De gevolgen van die keuze werden bij de eerstvolgende Kamerverkiezingen duidelijk. Kandidaten die onderaan de lijst stonden en noch op eigen kracht, noch door stemmenoverdracht voor een zetel in aanmerking kwamen, konden desondanks verkozen worden als zij enkele stemmen meer hadden behaald dan hun hogergeplaatste medekandidaten. Die uitkomst werd beschouwd als een miskenning van de wil van de meerderheid der kiezers, die in de praktijk inderdaad op de lijstaanvoerder stemde en zo instemde met de zorgvuldig door de partij bepaalde lijstvolgorde. De wetgever haastte zich deze onvolkomenheid te repareren door in 1921 een voorkeurdrempel in te voeren ter hoogte van 50% van de lijstkiesdeler, hetgeen het doorbreken van de lijstvolgorde praktisch onmogelijk bleek te maken. Werd de lijstvolgorde in 1918 nog acht keer doorbroken, in 1922 gebeurde dat niet één keer. 4
Dat stelsel bleef, een enkele poging het te veranderen ten spijt, tot 1989 ongewijzigd. In de periode 1945-1989 wisten slechts drie kandidaten louter op basis van voorkeurstemmen gekozen te worden. Het doorbreken van de lijstvolgorde was dus uiterst moeilijk.5 Daarbij speelde ook mee dat stemmen op niet-gelijkluidende lijsten niet bij elkaar opgeteld mochten worden. Diende een partij in verschillende kieskringen verschillende lijsten in – en de meeste partijen deden dit – dan moest een kandidaat op een afzonderlijke lijst de halve lijstkiesdeler behalen om met voorkeurstemmen gekozen te kunnen worden: een nagenoeg onmogelijke opgave.