Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.II.C.3.f
f. Conclusie: via koop en ruil naar kavelruil
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS478600:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Zie grenspost 1, hfdst I, onderdeel E.2. Zie in dit kader tevens Asser-Scholten, tweede deel, Zakenrecht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1927, p. 184: ‘Naast den ruil. als op de vrije toestemming van partijen berustende overeenkomst, komt de ruilverkaveling te staan.’ Uiteraard dient bedacht te worden dat t.t.v. het opstellen van deze constatering de ruilverkaveling bij overeenkomst als vrijwillige vorm van ruilverkaveling nog niet in het rechtssysteem was geïntroduceerd.
Aldus M. Heyerick, Ruilverkaveling van Landeigendommen, p. 169, nt. 2.
Kamerstukken II 1936/1937, 210, nr. 6, p. 45. Zie tevens grenspost 1, hfdst. 1, onderdeel E.3.
Op grond van voorgaande civielrechtelijke verkenning kan worden geconcludeerd dat de ruil en de koop en in het kielzog daarvan de (civielrechtelijke) ruil en de kavelruil oorspronkelijk een gemeenschappelijke historie kennen, maar dat zij in de loop der jaren ieder een eigen karakter en ontwikkelingsrichting hebben gekend.
De kavelruil heeft voorts als belangrijk kenmerk dat de rechtstreekse wederkerigheid, hét handelsmerk van de civielrechtelijke ruil, niet een vereiste is en vaak ontbreekt. Kavelruil kan daardoor elementen van zowel koop als ruil bevatten en heeft daarmee een groot toepassingsbereik. De kavelruil moet daarom als ‘groter geheel’ bezien worden. Ontleding van de kavelruil in allerlei separate koop- en ruiltransacties is een onnodige exercitie: de kavelruil dient in zijn totaliteit, als ‘container’ voor allerhande transacties, samengesmolten tot een kavelruil, beschouwd te worden en is daarmee als een ruiling met uitgebreide werking te karakteriseren. Daarbij dient niet te worden vergeten dat de kavelruil uit de moederschoot van de ruilverkaveling is voortgekomen, een rechtsfiguur met een uitgebreide ruiling als kloppend hart, die reeds ver is weggedreven van de civielrechtelijke ruil.1
Bij de ruil in civilibus is het toepassingsbereik aanmerkelijk beperkter van aard: als alternatief voor de koop is deze rechtsfiguur in de loop der jaren gereduceerd tot een figurant in het BW. De ruil is op zijn retour. Dit staat in contrast tot de kavelruil, die, zoals hiervoor op diverse plaatsen beschreven, onverminderd populair blijft
Een ander verschil tussen artikel 7:49 BW en de kavelruil is gelegen in het minimumaantal deelnemers aan de ruil: waar in het BW twee deelnemers voldoende zijn, kan er pas aan kavelruil worden gedaan indien er minimaal drie deelnemende partijen aanwezig zijn. De Belgen, die, zoals hierna in grenspost 3B zal blijken, uitblinken in het verschaffen van heldere terminologische kaders ter aanduiding van hun juridische systeem, maken in dit verband onderscheid tussen bilaterale en multilaterale ruil.2 Geprojecteerd op ‘onze’ vormen van ruiling kan de artikel 7:49 ruil als bilaterale ruil worden gekenmerkt, terwijl de kavelruil het stempel multilaterale ruil krijgt.
De vraag die gesteld kan worden is waarom het minimum van drie deelnemers in de Nederlandse regelgeving überhaupt gesteld wordt. De Duitsers stellen, zoals hierna in Grenzübergangsstelle 3A, onderdeel C.3.c zal worden beschreven, hun freiwilliger Landtausch immers ook open voor twee deelnemende partijen? Zoals gezien in hoofdstuk I, onderdelen E.2, F.3 en G.6.a, alsmede in onderdeel B.l van dit hoofdstuk, is het getal drie al vanaf het prille begin van de ruilverkaveling bij overeenkomst in de wet aanwezig. Een nadere toelichting op dit minimumaantal wordt echter nergens gegeven. Wel wordt in de parlementaire geschiedenis een angst voor oneigenlijk gebruik van de (nieuwe) ruilverkaveling bij overeenkomst aangetroffen.
Zo sprak de wetgever in 1936 als volgt:
“Op de eerste plaats zal, zooals de Commissie terecht opmerkt, dienen te worden voorkomen, dat men ter ontduiking van zegel of registratierecht een ruiling giet in den vorm van een ruilverkaveling. Dit is echter niet de voornaamste reden, waarom de Regeering haar sanctie aan het beding zal moeten geven. Die reden ligt hierin, dat het beding de Overheid bindt; hierdoor wordt deze partij en dient de geldigheid van dit onderdeel mede van hare toestemming afhankelijk te worden gesteld.”3
Wellicht dat de eis van minimaal drie deelnemers, indachtig het voorgaande citaat, is opgenomen om de ruilverkaveling bij overeenkomst effectief te kunnen afgrenzen ten opzichte van de ‘normale’ ruiling uit het BW. Indien deze redenering juist is, vormt deze eis echter een dubbele veiligheidsklep op de kavelruil: door de (eveneens aangehaalde) toestemming van overheidswege ontstaat er reeds een ‘filter’ voor oneigenlijk gebruik. In de vorm van een ruilverkaveling gegoten civielrechtelijke ruilingen zullen door de overheid niet worden goedgekeurd, zodat bestrijding van dergelijke ‘constructies’ ook zonder de minimumeis van drie deelnemers op afdoende wijze is vormgegeven.
Een andere mogelijke verklaring voor de eis van drie deelnemers kan zijn dat een ruilverkaveling bij overeenkomst tussen 2 deelnemers mogelijkerwijs leidt tot fiscale complicaties: doordat een ruilverkaveling bij overeenkomst fiscaal gefaciliteerd wordt zouden, door een vrijwillige ruilverkaveling tussen twee partijen toe te laten, een ‘gewone ruiling’ en een koop ook kunnen profiteren van de fiscale faciliteiten, hetgeen uiteraard niet de bedoeling is. Een minimum van drie deelnemende partijen werpt op deze wijze een barrière op tegen dergelijk misbruik van de fiscale faciliteiten.
Voorts kan gewezen worden op enkele bijzondere rechtsgevolgen van de kavelruil, zoals opgenomen in de artikelen 86 en 87 WILG. Deze bijzondere bepalingen ontbreken binnen de kaders van de civielrechtelijke ruil.
Naast de verschillen, kunnen tussen ruil en kavelruil tevens enkele ‘gemene delers’ worden geconstateerd. Naast de voor de hand liggende constatering dat beide overeenkomsten consensuele overeenkomsten zijn, waarop de bepalingen van het algemeen verbintenissenrecht van toepassing zijn, bestaan er parallellen op het terrein van de verplichtingen van de ruilers: zo is artikel 7:15 BW op alle partijen, ongeacht of zij zich in een civielrechtelijke ruil of een kavelruil bevinden, van (overeenkomstige) toepassing. Ook wordt in beide rechtsfiguren (dikwijls) gewerkt met betaling van toegiften. Los van de civielrechtelijke kavelruil wordt in artikel 5:74 lid 3 BW een ‘kavelruil-achtige’ rechtsfiguur ontdekt, in de vorm van de rechterlijke grensbepaling.
Al met al is duidelijk dat het begrip ‘ruil’ binnen de kavelruil enige gemeenschappelijke ‘roots’ met de civielrechtelijke ruil deelt. Het DNA van beide rechtsfiguren komt derhalve op onderdelen overeen. Het eigen rechtskarakter van beide vormen van ruil maken echter dat de verschillen domineren boven de overeenkomsten. De ‘eigen rechtssfeer’ van de kavelruil en, in een breder perspectief, de ruilverkaveling hebben als het ware een ruiling sui generisgecreëerd, die vrijwel alle banden met de ‘moeder’ uit artikel 7:49 BW heeft doorgesneden.