Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.II.C.3.a
a. Algemeen
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS476146:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen II 2005/2006, nr. 101, p. 6226 (2e kolom).
Handelingen II 2005/2006, nr. 101, p. 6240 (Ie kolom).
Zie ook B.F. Preller, ‘De perikelen rond de definitie van kavelruil’, p. 637 e.v.
Zie B.F. Preller, ‘Commentaar op het wetsvoorstel Wet inrichting landelijk gebied (Wilg) met betrekking tot kavelruil’, p. 501.
Aldus L. Oomens, ‘Ruilverkaveling’, p. 576.
Zo vermeldt Asser-Mijnssen, De Haan & Van Dam, 3-1 Algemeen goederenrecht, nr. 300 dat het bij kavelruil om een ‘veelzijdige ruil op planbasis’ gaat. Een nadere toelichting op deze (enigszins) mysterieuze woorden ontbreekt echter.
A.A. van Velten, Privaatrechtelijke aspecten van onroerend goed, § 3.25, p. 227.
Zoals hiervoor in onderdeel B.l van dit hoofdstuk aangeduid, heeft de wetgever het begrip ‘ruil’ noch in de WILG of haar voorgangers, noch tijdens de parlementaire geschiedenis, nader toegelicht. Dit ondanks sterk aandringen van Kamerlid Slob op een dergelijke verduidelijking:
“Ik denk dat het goed is om een aantal termen in de wet te omschrijven die bij kavelruil gebruikt worden. Ik noem het begrip “ruil of koop”. In het Burgerlijk Wetboek worden die begrippen tot in de puntjes uitgelegd en gedefinieerd. Die kunnen echter niet zomaar toegepast worden op kavelruil. Dat vergt een wat andere uitleg. Een aantal begrippen die bij kavelruil horen moeten dan ook gedefinieerd worden. Die kunnen een plek in de wet krijgen.” (onderstreping door mij.JR)1
De minister van (destijds) LNV is echter niet te vermurwen:
“Er zijn diverse vragen gesteld met betrekking tot kavelruil. Kavelruil is een privaatrechtelijk contract waartoe drie of meer eigenaren kunnen overgaan. (…) De civiele gevolgen liggen in de WILG vast. (,..)Eris geen behoefte aan allerlei verdere preciseringen van het begrip “kavelruilovereenkomst” als zodanig. (…) Rechtszelœrheid met betrekking tot de wettelijke criteria is dus niet in het geding. Kavelruil omvat iedere overeenkomst die voldoet aan artikel 85.(…)."2
De civielrechtelijke uitgangspunten en gevolgen van de kavelruil zijn volgens de minister derhalve voldoende duidelijk. Dat deze stelling nuancering behoeft, blijkt reeds bij een nadere beschouwing van het begrip ‘ruil’. Zoals reeds aangegeven wijkt dit begrip in kavelruilsferen af van de ‘ruil’ uit artikel 7:49 BW, waarbij partijen zich verbinden elkaar over en weer een zaak in plaats van de andere te geven.3 Een rechtstreekse wederkerigheid, hét kenmerk van een ‘boek 7-ruil’, is bij kavelruil niet vereist en hiervan zal in veel transacties binnen een kavelruil vaak ook geen sprake zijn.4 Daarnaast is de eis van minimaal drie partijen uit artikel 85 lid 1 WILG uiteraard niet van belang voor de civielrechtelijke ruil, die zeer vaak tussen twee partijen tot stand zal komen.5
De literatuur laat het bij bovenstaande opmerkingen inzake het ‘eigen karakter’ van het ruilbegrip binnen de kavelruil.6 Een verdere uitwerking van de implicaties van deze constatering wordt nergens aangetroffen. Ten aanzien van de civielrechtelijke ruil bestaat eenzelfde beeld, getuige de navolgende opmerking van Van Velten:
“Ruil wordt in alle handboeken erg summier behandeld en er zijn geen afzonderlijke publicaties van enige omvang over dit onderwerp”7
Een betere rechtvaardiging voor een nader onderzoek naar de civielrechtelijke dimensies van de ‘ruil’ en het belang daarvan voor de kavelruil is in mijn optiek niet te bedenken. Bestaan er, ondanks de fundamentele verschillen, dwarsverbanden tussen de civielrechtelijke ruil en de ‘kavelruil-ruil’?