Einde inhoudsopgave
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/3.3.5
3.3.5 Standpunten over het algemeen belang uit de academische literatuur
Dr. W. Geelhoed LL.M., datum 19-09-2013
- Datum
19-09-2013
- Auteur
Dr. W. Geelhoed LL.M.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
Voetnoten
Voetnoten
Bijv. De Bosch Kemper 1838-1840, p. 43.
Van Veen 1968.
Corstens/Borgers 2011, p. 35.
Corstens/Borgers 2011, p. 526-527.
Tak 1973c, p. 13. Zie ook Corstens & Tak 1982, p. 93-94.
Corstens/Borgers 2011, p. 528.
Enschedé/Bosch 2008, p. 50; Corstens & Tak 1982, p. 8-9, 13, 91; Jörg, Kelk & Klip 2012, p. 263-264; Corstens/Borgers 2011, p. 223-224.
Bijvoorbeeld Corstens & Tak 1982, p. 9-10, 98; Corstens/Borgers 2011, p. 220.
Corstens/Borgers 2011, p. 527. Minder genuanceerd was het standpunt van Corstens & Tak 1982, p. 15-16.
Gewin 1913, p. 43.
Gewin 1913, p. 332-333.
Strijards 1992, p. 36.
Mevis 2009, p. 406-407.
Corstens/Borgers 2011, p. 221.
Corstens/Borgers 2011, p. 220.
Corstens & Tak 1982, p. 83.
Kelk 2005, p. 7.
Jörg, Kelk & Klip 2012, p. 263.
Jörg, Kelk & Klip 2012, p. 20.
In de voorgaande paragrafen is op drie manieren getracht te inventariseren wat de inhoud van het algemeen belang is, althans hoe die uit de praktijk van de strafrechtelijke handhaving naar voren komt. Dat beeld is vooral gebaseerd op beleidsdocumenten van het om en jurisprudentie van de gerechtshoven. Ook in de strafrechtelijke literatuur zijn opvattingen geuit en categorieën voorgesteld met betrekking tot de inhoud van het algemeen belang, als criterium voor de toepassing van het opportuniteitsbeginsel. Hieronder worden deze belicht om vervolgens te kunnen bezien in hoeverre deze opvattingen overeenkomen met het beeld dat de strafrechtspraktijk geeft.
De reden waarom de officier van justitie de vrijheid moet hebben om tegen sommige strafbare feiten geen strafvervolging in te stellen, is volgens sommige deelnemers aan het academische debat onder andere gelegen in de behoefte om in concrete situaties de maatschappelijke vrede te bewaren.1 Het stichten van die vrede in de samenleving wordt nagestreefd door het recht in te passen in een zorgvuldig beleid, waardoor de taakuitoefening van het om behalve rechtvaardig ook vredestichtend is. Dit resultaat zou het om kunnen bereiken door een afgewogen inzet van het strafrecht, door te vervolgen, te seponeren, of zaken op andere manieren af te doen.2 Een dergelijke interpretatie past in een functionele benadering van het algemeen belang als grondslag onder het opportuniteitsbeginsel. Corstens/Borgers heeft het in dat verband over de zin van strafvervolging met het oog op een behoorlijk functionerende rechtsorde. Strafbaarstelling in abstracto garandeert in hun ogen niet dat strafrechtelijk ingrijpen in concreto, dat gebaseerd is op die strafbaarstelling, tot bevredigende resultaten leidt. Oplossing van conflicten zou vaak tot betere resultaten kunnen leiden wanneer dat via civielrechtelijke of bestuursrechtelijke weg wordt nagestreefd, dan wanneer het strafrecht daarvoor wordt ingezet.3 Een belangrijk gezichtspunt daarbij is, dat er steeds een publiek belang gediend moet zijn met vervolging, dat niet de particuliere belangen van het slachtoffer de doorslag mogen geven, en dat de aanwending van strafvorderlijke bevoegdheden steeds binnen de grenzen moet blijven die de beginselen van een goede procesorde aangeven.4 In een dergelijke functionele visie is het bewaren van de maatschappelijke vrede, op grotere of kleinere schaal, het belangrijkste argument dat gebruikt kan worden bij vervolgingsbeslissingen, en dat dus de inhoud van het algemeen belang bepaalt. Dergelijke argumenten hebben ook een rol gespeeld in de totstandkoming van het huidige artikel 167 Sv. Ook andere gezichtspunten zijn daarin naar voren gekomen. Die argumenten zullen hier niet worden herhaald, maar kunnen worden gevonden in paragraaf 2.6.
De afgewogen inzet van strafrechtelijke middelen, gericht op het beheersen van maatschappelijke effecten van criminaliteit, kan ook doorwerken in de opsporing. Over het politiesepot schrijft Tak, dat het ‘zeer wel past in het kader van een strafrechtspleging die niet beoogt alle opgespoorde strafbare feiten te bestraffen, doch slechts ten doel heeft het plegen van strafbare feiten binnen voor de maatschappij aanvaardbare grenzen te houden.’5 Dat doel kan, in die optiek, zowel worden nagestreefd in de opsporing van strafbare feiten, als in de vervolging daarvan. Het beleid dat het om voert met betrekking tot de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, dient in het verlengde daarvan niet alleen om in concrete zaken tot een passende oplossing te komen, maar ook om brede maatschappelijke effecten na te streven. Daartoe zal het om zich in zijn beleidsvorming richten op die zaken waarvan de strafrechtelijke handhaving maatschappelijk gezien gewenst wordt geacht.6 Het beleid omtrent opsporing en vervolging wordt daarom, in samenspraak tussen het om en de politie in het kader van het driehoeksoverleg, afgestemd op datgene dat vanuit maatschappelijk oogpunt voorrang moet verdienen.7
Het opportuniteitsbeginsel kan aan het bereiken van dat doel meewerken doordat het de mogelijkheid biedt van het selecteren van zaken en het verdelen van capaciteit. De beperkte middelen kunnen worden ingezet met het oog op de effecten daarvan op de bij de strafrechtspleging concreet betrokkenen, en breder, op de maatschappij in het algemeen. Dat is althans een mogelijke invulling van het algemeen belang, die zich sterk richt op de functie die het strafrecht kan vervullen teneinde maatschappelijke doelen te bereiken, waarbij soms sterker de nadruk ligt op het responderen op maatschappelijke ontwikkelingen, 8 en soms meer op het rekening houden met de capaciteit van de opsporings- en vervolgingsinstanties. De vraag is daarbij wel steeds in hoeverre ervoor mag worden gekozen om bepaalde delicten of categorieën daarvan stelselmatig niet op te sporen en te vervolgen, omdat de kostbare capaciteit van de opsporings- en vervolgingsautoriteiten daarvoor niet zou moeten worden ingezet. Volgens Corstens/Borgers zouden capaciteitskeuzen niet zover mogen gaan, dat het om stelselmatig de vervolging van een bepaalde categorie strafbare feiten achterwege laat.9
Een andere invulling van het algemeen belang tracht de redenen die gehanteerd worden bij beslissingen omtrent opsporing en, met name, vervolging, te beschouwen als inhoudelijk ongeveer gelijk aan de redenen die rechters in de straftoemeting gebruiken. Daarbij gaat het dan meestal om redenen die worden gecategoriseerd met gebruikmaking van het onderscheid tussen absolute en relatieve straftheorieën. Dat onderscheid is gebaseerd op een verschil in oriëntatie. Waar absolute straftheorieën vooral een antwoord proberen te geven op de vraag naar de rechtvaardiging voor het straffen, en dit antwoord zoeken in de door het delict teweeggebrachte aantasting van de rechtsorde, proberen relatieve straftheorieën een antwoord te geven op de vraag naar de doelen die met de straf kunnen worden bereikt. Bij de absolute straftheorieën is een wezenlijk element dat door een strafbaar feit een ‘deuk in de rechtsorde’, een ‘maatschappelijke minustoestand’, ook wel een ‘objectief betreurenswaardig tekort’ is ontstaan. In absolute theorieën staat daarom de vergelding centraal: door het opleggen van straf wordt de door het strafbare feit veroorzaakte situatie vereffend. Proportionaliteit is een belangrijk kenmerk van de vergelding, omdat de rechtsorde moet worden hersteld door een evenredige straf: die moet niet te zwaar, maar ook niet te licht zijn in vergelijking met het gepleegde feit. In absolute straftheorieën fungeert de vergelding als eis: het is imperatief dat het strafbare feit wordt vergolden. Daarom laten deze theorieën weinig tot geen ruimte om op grond van bijzondere omstandigheden van het opleggen van straf, en dus van opsporing en vervolging, af te zien.
Relatieve straftheorieën oriënteren zich op het doel dat met de oplegging van straf kan worden bereikt. De voornaamste doelen die in deze theorieën worden nagestreefd zijn allereerst generale preventie, waarmee het ontmoedigen van het plegen van strafbare feiten wordt nagestreefd als maatschappelijk effect van het opleggen van straf aan de concrete dader. Een tweede strafdoel betreft de speciale preventie, waarmee wordt beoogd de dader te weerhouden van het opnieuw plegen van strafbare feiten, of meer concreet van het herhalen van het specifieke delict waarvoor hij is veroordeeld. Een belangrijk aspect in dat verband is het resocialiseren en verbeteren van zijn persoonlijke situatie en leefomstandigheden door middel van de bemoeienis van de reclassering. De onschadelijkmaking kan worden gezien als een derde doel dat past in relatieve straftheorieën, en dat in het verlengde van de speciale preventie ligt: door het opleggen van bijvoorbeeld een vrijheidsstraf wordt het de veroordeelde onmogelijk gemaakt een nieuw delict te plegen. Normbevestiging ten slotte kan ook een doel zijn van de strafoplegging om daarmee aan de concrete dader en aan de maatschappij in het algemeen duidelijk te maken dat de gedragingen waarvoor de veroordeelde bestraft wordt, in de samenleving niet aanvaardbaar zijn en dat overtreding van de geschonden norm niet wordt getolereerd.
Bepaalde standpunten die in de literatuur worden ingenomen met betrekking tot de inhoud van het algemeen belang en de redenen die het om hanteert bij de beslissing omtrent vervolging, refereren tamelijk expliciet aan deze theorieën over de rechtvaardiging en het doel van het straffen. Zo hield Gewin er een strafrechtsdoctrine op na, waarin de overheid het recht, maar ook de plicht tot straffen heeft gekregen.10 De overheid behoort volgens hem ook te straffen, als bijvoorbeeld bij een gepleegde diefstal binnen de familie, een klachtdelict, het gestolene is teruggegeven, en het familiebelang door strafrechtelijke veroordeling geschaad zou worden. Dat er geen maatschappelijk belang bij strafrechtelijk optreden bestaat is dan niet relevant omdat er wordt gestraft ‘quia peccatum est’.11 In een dergelijke puur retributivistische straftheorie bestaat er in feite geen mogelijkheid om het opportuniteitsbeginsel toe te passen. Hetzelfde geldt voor de theorie van de psychologische dwang van Von Feuerbach, die weliswaar op de generale preventie was gestoeld, maar desondanks weinig ruimte liet voor het achterwege laten van strafrechtelijk ingrijpen, omdat anders het maatschappelijk effect van de afschrikking niet zou worden bereikt. Deze theorie is volgens sommigen dan ook onverenigbaar met het opportuniteitsbeginsel.12 Een milder standpunt, waarin echter wel duidelijk retributivistische elementen zijn te herkennen, is de overtuiging dat wanneer een strafbaar feit zich heeft voorgedaan en dat feit tenminste kan worden aangemerkt als van enige ernst, dat daarmee op zich al voldoende reden is gegeven om vervolging in te stellen.13 Wanneer het strafbare feit een klassiek delict als doodslag betreft kan de handhaving plaatsvinden op basis van een in maatschappelijke zin breed gedeelde overtuiging over de legitimiteit van de handhaving, vanwege het gegeven dat een schending heeft plaatsgevonden van ‘zaken die de mens zeer na staan’.14 Dergelijke overwegingen, die teruggrijpen op het beschouwen van strafbehoefte als een natuurlijk gegeven, kunnen volgens sommigen ook beter niet genegeerd worden. Steeds moet wel worden gevraagd of strafrechtelijk optreden ook bepaalde doeleinden naderbij brengt.15
Zodra wordt erkend dat een bepaalde gedraging weliswaar strafbaar is, maar dat dit onvoldoende reden is om vervolging in te stellen, wordt de mogelijkheid opengelaten om andere gezichtspunten mee te laten wegen bij de vervolgingsbeslissing dan alleen diegene die in verband staan met de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dat is begaan.16 Deze kunnen vrij algemeen zijn gericht op het bevorderen van een humane strafrechtspleging: wanneer de humaniteit van het strafrecht als centrale waarde wordt gezien, is het opportuniteitsbeginsel een goed instrument om aan die waarde uitdrukking te geven, doordat het de mogelijkheid biedt rekening te houden met individuele belangen.17 Vanuit dat oogpunt betekent het betrekken van individuele belangen bij concrete beslissingen op grond van het opportuniteitsbeginsel, dat kan worden vermeden dat rigide regelnaleving leidt tot onrechtvaardige resultaten.18 Een dergelijke op humaniteit georiënteerde theorie, benadrukt de persoonlijke belangen die gemoeid zijn met beslissingen omtrent opsporing en vervolging, en waarschuwt eveneens voor een te sterke gerichtheid op vergelding: het algemeen belang is niet gediend met het vervolgen van futiliteiten.19