Het nationale budgetrecht en Europese integratie
Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/6.8.3:6.8.3 Monetair beleid
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/6.8.3
6.8.3 Monetair beleid
Documentgegevens:
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS451671:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De huidige artikelen 127 t/m 133 VWEU.
Artikel 105A, lid 1, EG-verdrag.
Artikel 105, tweede lid, EG-verdrag.
Zie par. 6.7.2.
Dit betreft het huidige artikel 130 VWEU.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met betrekking tot het monetair beleid regelt het Verdrag van Maastricht met name de oprichting en taakstelling van de ECB. Artikel 4A EG-verdrag stelt een ESCB in en richt de ECB op. Deze instituties zijn nader geregeld in de artikelen 105 tot en met 109 EG-verdrag.1Artikel 106, eerste lid, EG-verdrag geeft aan dat de ESCB bestaat uit de ECB en uit de nationale centrale banken. Het hoofddoel van de ESCB is het handhaven van prijsstabiliteit, aldus artikel 105, eerste lid, EG-verdrag. Daarnaast ondersteunt het ESCB volgens deze bepaling het algemeen economisch beleid van de gemeenschap. Ook heeft de ECB vanaf het Verdrag van Maastricht het alleenrecht om een machtiging te geven tot de uitgifte van bankbiljetten.2
Het ESCB heeft voorts vier vastgelegde taken: het bepalen en ten uitvoer leggen van het monetair beleid van de gemeenschap, het verrichten van valutamarktoperaties, het aanhouden en beheren van de officiële externe reserves van de lidstaten en het bevorderen van een goede werking van het betalingsverkeer.3 Hiertoe behoort dus niet het toezicht op kredietinstellingen, zoals banken. Dit bleef, in tegenstelling tot wat het Delors-rapport voorstelde,4 voorbehouden aan de nationale autoriteiten, hoewel artikel 105, lid 5, EG-verdrag wel stelt dat het ESCB bijdraagt tot een goede beleidsvoering van de bevoegde autoriteiten ten aanzien van het bedrijfseconomisch toezicht op kredietinstellingen en de stabiliteit van het financiële stelsel.
De onafhankelijkheid van de ECB en de nationale centrale banken wordt benadrukt in artikel 107 EG-verdrag,5 waarin staat dat de ECB of nationale centrale banken geen instructies mogen vragen aan of aanvaarden van Europese instellingen en lidstaten en dat deze op hun beurt niet mogen proberen om de ECB en nationale centrale banken te beïnvloeden. Artikel 109, eerste lid, EG-verdrag regelt tot slot dat de Raad formele overeenkomsten kan sluiten over een wisselkoerssysteem voor de ECU ten opzicht van niet-gemeenschapsvaluta’s en dat besloten kan worden tot invoering, wijziging of afschaffing van de ECU-spilkoers.
Op grond van artikel 109L, eerste lid, EG-verdrag worden de ECB en het ESCB opgericht zodra de directie van de ECB is benoemd. Dit gebeurt nadat het besluit over de datum voor het ingaan van de derde fase is genomen of anders onmiddellijk na 1 juli 1998. Vanaf dat moment moeten de ECB en het ESCB zich gaan voorbereiden op hun volledig functioneren, hoewel de uitoefening van de bevoegdheden pas mogelijk is vanaf de eerste dag van de derde fase.