Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/6.8.4
6.8.4 Tijdspad en convergentiecriteria
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS456475:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Conclusies van de Europese Raad van 26 en 27 juni 1989, p. 10.
Artikel 109E, eerste lid, EG-verdrag.
Artikel 109F, tweede en derde lid, EG-verdrag vermeldt de taken van het Europees Monetair Instituut (hierna: EMI), die voornamelijk bestaan uit het voorbereiden van de overgang naar de derde fase van de EMU. Het EMI is met de oprichting van de Europese Centrale Bank op 1 juni 1998 op grond van artikel 109L, tweede lid, EG-verdrag in liquidatie gegaan.
Zie hierover: Pipkorn 1994, p. 264-265; Szász 1999, p. 9-11; Teulings e.a. 2011, p. 33; Segers 2013, p. 176. De standpunten van de verschillende lidstaten hingen sterk samen met hun economische positie.
Zie par. 21 van het Delors-rapport en de term ‘gelijktijdig’ in lid 2 van artikel 3A EG-verdrag.
Artikel 109J EG-verdrag legt geen letterlijk verband tussen de convergentiecriteria en de overgang naar de derde fase. De criteria zijn immers slechts bedoeld om na te gaan of er een hoge mate van duurzame convergentie is bereikt, aldus lid 1, waarover de Europese Commissie en het EMI verslag uitbrengen aan de Raad. De Raad in de samenstelling van staatshoofden en regeringsleiders besluit op grond van lid 3 en 4 uiteindelijk of de lidstaten voldoen aan de nodige voorwaarden voor de aanneming van één munt. Dat deze voorwaarden bestaan uit het voldoen aan de convergentiecriteria wordt niet letterlijk zo gesteld, maar uit de tekst van het artikel kan mijns inziens worden aangenomen dat dit verband wel bedoeld is. Devroe en Wouters denken hier anders over, zie: Devroe & Wouters 1996, p. 454. Overigens wordt in het bij artikel 109J EG-verdrag horende protocol wel letterlijk gesteld dat daarin nadere regels worden vastgesteld ‘voor de convergentiecriteria die de Gemeenschap moet hanteren bij haar besluitvorming over de overgang naar de derde fase van de EMU’.
Segers 2013 p. 252.
Zie par. 6.5.
Al voor de totstandkoming van het Verdrag van Maastricht was op grond van de eerder genoemde conclusies van de Europese Raad per 1 juli 1990 de eerste fase van de EMU ingegaan.1 Het verdrag gaf een datum voor de start van de tweede fase: 1 januari 1994.2Artikel 109J EG-verdrag gaat vervolgens in op de aanvang van de derde fase, waarin de lidstaten een gemeenschappelijke munt zouden gaan hanteren. Dit artikel geeft in het eerste lid vier convergentiecriteria, op basis waarvan beoordeeld zou worden welke lidstaten aan die fase zouden deelnemen. Die criteria zijn nader uitgewerkt in een bij het verdrag horend protocol en worden hierna besproken. Het eerste lid vermeldt voorts dat de Europese Commissie en het Europees Monetair Instituut, dat op grond van artikel 109F EG-verdrag aan het begin van de tweede fase wordt opgericht, aan de hand van de convergentiecriteria verslag uitbrengen aan de Raad over de vraag of er ‘een hoge mate van duurzame convergentie is bereikt’, in het kader van de totstandkoming van de EMU.3 Aan de hand van deze verslagen, zo stelt het tweede lid, beoordeelt de Raad op aanbeveling van de Europese Commissie per lidstaat of deze voldoet aan de voorwaarden voor de aanneming van één munt. Zo dient de Raad ook te beoordelen of een meerderheid van de lidstaten hieraan voldoet. Op grond van deze beoordeling volgt een aanbeveling aan de Europese Raad. Ook het Europees Parlement geeft hierover advies. De Europese Raad beslist vervolgens uiterlijk 31 december 1996, aldus het derde lid, met gekwalificeerde meerderheid of het merendeel van de lidstaten aan de voorwaarden voor de aanneming van één munt voldoet. Op grond van deze conclusie besluit de Europese Raad of het passend is dat gestart wordt met de derde fase van de EMU. Indien dat het geval is, dan bepaalt de Europese Raad de datum voor het ingaan van die fase. Het vierde lid stelt tot slot dat indien eind 1997 de datum voor het ingaan van de derde fase niet is vastgesteld, die begint op 1 januari 1999. In dat geval zal de procedure zoals hierboven besproken nogmaals plaatsvinden, op grond waarvan de Europese Raad voor 1 juli 1998 bepaalt welke lidstaten voldoen aan de voorwaarden voor de aanneming van één munt.
De inhoud van artikel 109J EG-verdrag is terug te voeren op een jarenlange discussie tussen zogeheten economisten en monetaristen.4 Al bij de eerste plannen voor de EMU debatteerde men over de vraag wat eerst diende te komen: economische convergentie of monetaire integratie. Economisten, waartoe ook Nederland en Duitsland behoorden, vonden, mede gelet op hun sterke economische positie, dat een monetaire unie met één munt slechts het sluitstuk kon zijn van het integratieproces. Eerst diende het economisch beleid en de economische prestaties in de lidstaten te convergeren, voordat een gemeenschappelijk monetair beleid kon worden gevoerd. Zonder overeenstemming en afstemming over het te voeren budgettaire beleid, zou het gebruik van één munt niet werkbaar zijn. De monetaristen aan de andere kant, waaronder Frankrijk, wilden juist beginnen met de monetaire unie, en gingen ervan uit dat de economische integratie als vanzelf zou volgen. Bovendien verwachtten zij dat het gemakkelijker zou zijn om over monetaire kwesties, die meer technisch van aard zijn, overeenstemming te bereiken dan over economisch beleid, dat meer politieke keuzes vergt. Deze discussie bereikte een compromis door beide vormen van integratie zo veel mogelijk gelijktijdig te laten plaatsvinden. Dit idee van parallellisme is nadrukkelijk in het Delors-rapport terug te vinden en kan zoals gezegd ook uit artikel 3A EG-verdrag worden afgeleid.5
Artikel 109J EG-verdrag bevat voor zowel de economisten als voor de monetaristen wat wils. Aan de ene kant gaat het artikel uit van convergentiecriteria, waarmee getoetst kan worden of er een voldoende mate van economische convergentie is bereikt voor de invoering van één munt.6 Dit sluit aan bij de visie van economisten, aangezien economische integratie voorafgaat aan de aanvang van de monetaire unie. Aan de andere kant bepaalt dit artikel echter een uiterste datum voor de start van de derde fase. Indien eind 1997 de datum voor het ingaan van de derde fase niet is vastgesteld, begint de derde fase op 1 januari 1999. Economische convergentie werd op dit punt dus ondergeschikt gemaakt aan een onherroepelijk begin van de derde fase, volgens het streven van de monetaristen.7 Het Verdrag van Maastricht hinkt wat dit betreft op twee gedachten.
De economisten kregen dus de economische convergentiecriteria die zij wilden. Maar wat hielden deze eigenlijk in? Aan welke criteria diende voldaan te worden om over te kunnen gaan tot de derde fase van de EMU? Artikel 109J, eerste lid, EG-verdrag noemt vier criteria, die nader zijn uitgewerkt in het zogeheten ‘Protocol betreffende de in artikel 109J van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bedoelde convergentiecriteria’. Deze criteria gaan over prijsstabiliteit, overheidsfinanciën, wisselkoersen en rentevoet en zullen hieronder nader besproken worden.
Ten eerste moet er een hoge mate van prijsstabiliteit zijn. Dit blijkt uit een inflatiepercentage dat dicht ligt bij dat van ten hoogste de drie lidstaten die op het gebied van de prijsstabiliteit het best presteren. Artikel 1 van het protocol concretiseert dit criterium. Een lidstaat moet een houdbare prijsontwikkeling hebben en een gemiddeld inflatiepercentage dat, gemeten over een periode van één jaar vóór het onderzoek naar de mogelijke start van de derde fase, niet meer dan anderhalf procentpunt hoger ligt dan dat van ten hoogste de drie lidstaten die op het gebied van prijsstabiliteit het best presteren. De inflatie wordt gemeten aan de hand van het indexcijfer van de consumptieprijzen op een vergelijkbare basis, rekening houdend met verschillen in nationale definities.
Het tweede criterium betreft het houdbare karakter van de situatie van de overheidsfinanciën. Er mag geen buitensporig tekort zijn zoals bedoeld in artikel 104C EG-verdrag. Er mag op het tijdstip van het onderzoek naar de aanvang van de derde fase geen besluit van de Raad zijn genomen op grond van artikel 104C, zesde lid, EG-verdrag waarin wordt vastgesteld dat er in de betrokken lidstaat een buitensporig tekort bestaat, aldus artikel 2 van het protocol.
Het derde criterium houdt in dat de normale fluctuatiemarges van het wisselkoersmechanisme van het EMS in acht worden genomen, gedurende ten minste twee jaar, zonder devaluatie ten opzichte van de munt van een andere lidstaat. Artikel 3 van het protocol beschrijft dit criterium door te stellen dat een lidstaat de laatste twee jaren voor het onderzoek zonder grote spanningen de normale fluctuatiemarges van het wisselkoersmechanisme van het EMS heeft kunnen aanhouden. De betrokken lidstaat mag tijdens die periode met name de bilaterale spilkoers van zijn valuta tegen die van een andere lidstaat niet op eigen initiatief hebben gedevalueerd.
Ten vierde moet de door de lidstaat bereikte convergentie en zijn deelneming aan het wisselkoersmechanisme van het EMS8 duurzaam zijn, hetgeen tot uitdrukking komt in het niveau van de rentevoet voor de lange termijn. Artikel 4 van het bijbehorende protocol geeft aan dat dit betekent dat een lidstaat, gemeten over een periode van één jaar vóór het onderzoek, een gemiddelde nominale langetermijnrente heeft gehad die niet meer dan twee procentpunten hoger ligt dan die van ten hoogste de drie lidstaten die op het gebied van prijsstabiliteit het best presteren. De rentevoet wordt gemeten op basis van langlopende staatsobligaties of vergelijkbare waardepapieren, wederom rekening houdend met verschillen in nationale definities.