Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/4.1.3
4.1.3 Maatschappijleer
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977116:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
NVLM & Huis voor democratie en rechtsstaat, Veertig keer maatschappijleer. Bespiegelingen bij het veertigjarig jubileum van de NVLM, Den Haag: ProDemos 2010. De invoering van maatschappijleer in de Wvo brengt de maatschappelijke en politieke vorming op het rooster van vwo/avo. De mms kent het keuzevak sociologie, op het hbo als de hts komt sociologie of maatschappijleer of op de kweekschool van 1952 kennis van het culturele en maatschappelijke leven (kcml, cuma) voor. Voor de inhoud, zie: W. Langeveld, Hoe leven wij? Inleiding tot de leer der samenleving, Purmerend: Muusses 1957.
Commissie-De Rooy SLO 2001.
Zie: P. Jungbluth & C. Klaassen 1973, C. Klaassen 1979, Dekker 1985 en M. de Winter, 'Democratieopvoeding versus de code van de straat´, in: De Winter e.a. 2005, p. 11-32.
W. de Jong, ’De maakbare burger: het onderwijs als oplossingsmachine voor maatschappelijke problemen’, CDV 2015, p. 51-59.
Zie: H. Leune, ´De normatieve taak van de school en culturele verscheidenheid´, in: G.W. Meijnen (red), Groningen: WoltersN 1997, p. 33-46 en ´Enkele Opmerkingen over waarden-overdracht door de School´, Ped. Tijdschrift 1986, 3, p. 19, en Turkenburg 2005, p. 16.
Curs.W; Peschar & Wesselingh 1995, p. 236.
De Winter 1995, p. 48.
Zie: R J.I. Bos, ´Informatie over Maatschappijleer´, Weekblad 1970, p. 952-953. Onder verantwoordelijkheid van de Pedagogische Centra is Maatschappijleer. Artikelen. Rapporten. Documenten van W. Langeveld aanbevolen, Olgers e.a. 2014, p. 35 (het suffix ‘leer’ is - naar verluidt - ontleend aan het katholieke Godsdienstleer).
Ministeriële circulaire 1970, A.V.O.-70; Han van Gessel beschrijft posities van staatsinrichting, recht en maatschappijleer in de WVO: -´Geschiedenis zal alle aandacht wegvagen’, -´Dubieuze koppeling van recht aan economie´, -´Paradepaardje maatschappijleer, voer voor wie eigenlijk?´ en ´In het onderwijs liggen kansen om de kennis aan te reiken die nodig is om de beslissingsprocedures onder werkelijk democratische controle te krijgen’, De Volkskrant 15 december 1970.
Vgl. Leerplan van de vierjarige lagere detailhandelsscholen, in opdracht van het Contactgesprek (sic. W) der besturenorganisaties voor het detailhandelsonderwijs, 's-Gravenhage 1970, p. 13-14 (Geschiedenis/parlementaire geschiedenis), p. 15 (Maatschappijleer), p. 26 (Organisatie van de handel en het handelsverkeer/ondernemingsvormen) en p. 29-30 (Rechts- en wetskennis/BW/Wetboek van Koophandel/sociale en belastingwetten).
Circulaire van de staatssecretaris van O en W, februari 1968, nr. A.V.O. 350061, g. Maatschappijleer moet lijken op civics, staatsburgerlijke vorming of Sozialkenntnis en geen combinatie van staatsinrichting met geschiedenis of zelfstandig op atheneum-a; zie: Verlinden 1968, p. 64 (De minister excludeert de staatsburgerlijke vorming in de doelbepalingen in de Mammoetwet en daarmee aspecten in andere vakken over het hoofd ziend); Maatschappijleer (III Toelichting: politieke en staatsburgerlijke vorming als onderdeel van maatschappelijke vorming); Burgerschapsvorming of staatsburgerschapskunde, zie: C. Klaassen 1978, p. 29, Ministerie van O & W, Leerplan Rijksscholen, Den Haag: Su 1968, N.D. Glenn, ´The distribution of Political Knowledge in the US´, in: D.D. Nimmo & C.M. Bonjean (ed.), Polical Attitudes & Public Opinion, NY: McKay 1972, p. 273-283.
Circulaire nr. A.V.O., 350061, g (Rijksleerplan 1968).
Ibid.,; vgl. W. Blankert & C. Gelinck’, ’Van experiment tot vak’, M & P 2014, 5, p. 22-23.
Het gaat niet direct om salariëring van maatschappijleerlessen. Dat is een complexe materie, te vinden in de ministeriële circulaire van 25 november 1971, R.O. 195 (RPB-WVO, afl.19, 1972.Voorbeeld: hoofdakte (schaal 3b), MO-A Frans (2), MO-Staatsinrichting (1b).
Voor een oriëntatie op maatschappijleer kan dienen de DIC-map Maatschappijleer, Driebergen 1972.
Twee voorbeelden: Op de oproep voor belangstellenden in het Weekblad van 13 augustus 1971 reageren tientallen (jurist)-docenten. Eén ervan is advocaat en procureur mr. A.M. uit Alphen aan den Rijn die zijn uren staatsinrichting gaat inleveren en zich afvraagt of de bevoegdheid economie blijft bestaan voor juristen. Daarnaast geeft hij recht. Een ander is docent MO-Staatsinrichting H.V. te Den Haag die volledig is belast met maatschappijleer. Het geven van maatschappijleer kan de lessenvermindering voor staatsinrichting opvangen (Brieven van 2 september 1971 en 2 oktober 1971 (in mijn bezit)).
Mr. Th.F.M.C. Athmer-Van der Kallen (1923-2016), docent maatschappijleer op het St. Joriscollege te Eindhoven, Th. Athmer, ’Maatschappijleer’, Omologie 1969/70, 1, p. 69-71 en Jaarboek vwo-havo 1971, p. B/92 en Hoogbergen 1991, p. 424-427.
Th. Athmer, ´Verslag coördinator interscolaire vaksectie maatschappijleer´, Omologie 1973/74, V, p. 49.
Enige tijd later is Athmer-Van der Kallen vakdidactica maatschappijleer aan de KUN. Met A.J.G. Cras is een ULO maatschappijleer opgezet. Van 1974-1977 bezoeken hun hospitanten mijn lessen op de SG Nebo-Mariënbosch-Gabriëlcollege (vwo/havo) te Nijmegen/Mook.
Zie: Cras 1976, Athmer-Van der Kallen & Cras 1974 en Terreinafbakening maatschappijleer, z.p. 1975.
Bevoegdheid is vereist ingevolge de artikelen 33-35 Wvo.
Van der Kallen & Cras 1984; Hoogbergen 1991, p. 421- 428 en Olgers e.a. 2014, p. 41.
Vgl. J. Bakker, ‘De staatsinrichting in het geschiedenisonderwijs’, H.8 in het onderbouwrapport. Didactiek van geschiedenis en staatsinrichting in het tweede en derde leerjaar van scholen voor vwo, havo en mavo van de werkgroep van de VGN en de Vereniging van Samenwerkende Landelijke Pedagogische Centra voor geschiedenisdidactiek in de onderbouw), Kleio 1976, p. 90-99 (Special).
Circulaire, Ibid. Politiek/staatsburgerlijke vorming is onderdeel van maatschappelijke vorming, zie: Interimrapport werkgroep maatschappijleer, 's-Gravenhage: KPC 1970.
Met ’politiek’ is ‘politieke actualiteit’ bedoeld: ‘De politiek in de klas halen’.
Circulaire, d. Geschiedenis en staatsinrichting en g. Maatschappijleer; vgl. J. Vis, 1995.
A. van der Graaf, ´Je mag gewoon mens zijn voor de klas!´, Schooljournaal 2015, 8, p. 9-12 en S. Bruintjes, ‘Onderwijsvrijheid. Burgerschapsonderwijs moet ruimte laten voor minderheidsopvattingen’, Trouw 14 oktober 2022, p. 20.
Staatsinrichting ziet men vaak als institutiekunde door het formeel-staatsrechtelijk karakter.
C. Klaassen 1978, p. 24, 34-38 (institutiekunde) en m.m.v. Athmer & Dekker 1979.
Duyverman 1936, p. 213. Staatsbürgerkunde is staatsburgerschapskunde en Bürgerkunde omvat burgerrechten en -plichten; burgerschapskunde is meer dan rechten en plichten (democratie en rechtsstaat), vgl. Metzner, Staatsbürgerkunde im mathemathischen-naturwissenschaftlichen Unterricht, 1931, p. 4.
Dekker 1980 en ´Politieke kennis, politieke socialisatie en maatschappijleer´, Veertig keer maatschappijleer, NVLM 2010, p. 22-23.
Vanaf de vastlegging van maatschappijleer1 in de Wvo (1963) ontstaat een jarenlang discours over de maatschappelijke vorming2 en de taak van de school.3 Decennia later verkeren we in, zoals wel is aangeduid, het stadium van de school als een ‘reddende maatschappelijke institutie’4 die als waarden gemeenschap een gedeelde basis van burgerschapswaarden moet formuleren en overdragen in een pluriforme samenleving.5 De vraag rijst daarbij, gezien de invulling van burgerschap, of deze niet te smal is geworden voor de dimensies die het moet bijeenhouden en die ‘binnen dat ene begrip worden geabsorbeerd, met als resultaat een […] universele status: de burger’.6 Burgerschap is in de loop der jaren gefragmenteerd en herbergt een waaier van elkaar concurrerende concepten.7 Het krijgt een maatschappelijke dimensie.
Rijksleerplan 1968 maatschappijleer
Vanaf de eerste lessen maatschappijleer8 in 1970 op de (driejarige) mavo9 en het lbo10 staat het curriculum maatschappijleer ter discussie. Dit komt door de omschrijving van het doel in het rijksleerplan in 1968 met: ‘maatschappijleer is maatschappelijke bewustwording en sociale vaardigheid […] verwerven door het voorbereiden van leerlingen op hun participatie in de diverse samenlevingsverbanden, zodat zij in staat en bereid zijn bewust te kiezen’.11
Doel: brede maatschappelijke vorming
Hoewel er in de toelichting op het rijksleerplan 1968 geen onderwerpen voor maatschappijleer zijn vermeld, vindt de wetgever het wenselijk om ‘allereerst uit te gaan van situaties die leerlingen uit eigen ervaring kennen’ en daarna met ‘het bijbrengen van kennis van facetten van de maatschappelijke ontwikkeling zonder integratie in de vakken geschiedenis en staatsinrichting, aardrijkskunde, economie en biologie’.12 Het curriculum moet behoed worden voor een bepaalde eenzijdigheid, immers ‘maatschappijleer mag niet opgaan in politieke vorming, ook niet als staatsburgerlijke vorming, daar het moet gaan om [brede] maatschappelijke vorming’. Het is dan ook verklaarbaar dat de docenten een eigen invulling zijn gaan geven aan het (te) globale curriculum.13
Applicatiecursussen maatschappijleer
Voor een nadere kennismaking14 met het vak maatschappijleer organiseert de VSW in 1971 een applicatiecursus.15 Leraren schrijven zich gemotiveerd in.16 Athmer-Van der Kallen17, voorzitter van de werkgroep maatschappijleer van het Brabantse Ons Middelbaar Onderwijs18, initieert in 1971 meer vakdidactische cursussen.19 Aan de KUN staan Athmer en Cras aan de wieg van het Instituut vakdidaktiek maatschappijleer.20 Aan de UvA en KUN is in die jaren de éénjarige ULO-maatschappijleer gestart.21 Athmer tekent feitelijk voor de realisatie van een verantwoorde praktijk van maatschappijleer op de OMO-scholen en brengt in 1984 met Cras Hoofdlijnen. Maatschappijleer, een open boek uit.22
Maatschappijleer integratievak burgerschapsvorming
Maatschappijleer is naast de vakken geschiedenis en staatsinrichting, aardrijkskunde en economie hét integratievak bij uitstek voor burgerschapsvorming.23 In het rijksleerplan staan de persoonsvorming en de vorming tot democratisch burger door ‘de bevordering van maatschappelijke bewustwording en het leren van sociale vaardigheden’ centraal. In de toelichting klinkt de waarschuwing door om maatschappijleer niet te laten opgaan in politieke vorming, ‘daar het moet gaan om een zo breed mogelijke maatschappelijke vorming’.24 Dat politieke en maatschappelijke vorming om voorrang strijden, is inherent aan de onderwijs- en leerdoelen maatschappijleer.25 Politieke en maatschappelijke vorming vormen in het rijksleerplan de kern.26 In de denkmodellen van de onderwijskundige Klaassen hebben de politieke en maatschappelijke vorming vergelijkbare doelen als de morele vorming27, de kritische bewustwording, de institutiekunde28 en burgerschapskunde29, dat sterke gelijkenis vertoont met Staatbürgerkunde30, Erziehung zu Staatsbewusstsein, Erziehung zum Staat of der Demokratie in de Bundesländer. Politicoloog Dekker benadrukt het belang van de kennis van het politieke systeem (polity), het proces (politics) en het beleid (policy) in de politicologische systeemtheorie van Easton.31