Het akkoord
Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/2.3.4:2.3.4 Rechtskarakter akkoord
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/2.3.4
2.3.4 Rechtskarakter akkoord
Documentgegevens:
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS442382:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, heruitgave Van der Feltz II, p. 145.
Zie onder meer HR 18 mei 1990, NJ 1991, 412.
Vgl. de paragrafen 3.1 tot en met 3.3.
Zie paragraaf 5.6.
Zie uitvoeriger paragraaf 4.5.
Vgl. HR 31 januari 1992, NJ 1992, 686 (Van der Hoeven/Comtu) en paragraaf 6.8.
Zie nader paragraaf 4.5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De vraag naar het rechtskarakter van het akkoord is onder vroegere wetgeving een strijdpunt geweest: volgens de ene stroming diende het akkoord te worden gezien als een vonnis, de andere stroming beschouwde het akkoord als een overeenkomst. Dit twistpunt is komen te vervallen. Zowel wetgever1 als rechtspraak2 zien het akkoord thans als een overeenkomst.
Bovenstaande zienswijze lijkt mij een juist uitgangspunt.3 Tegelijkertijd dient te worden bedacht dat een akkoord geen normaaltype overeenkomst is in de zin van art. 6:217 e.v. BW. Een akkoord wordt immers in beginsel beheerst door de dwingendrechtelijke regels van de Faillissementswet. Voor een akkoord betekent dit onder meer dat de totstandkoming ervan slechts gedeeltelijk plaatsvindt overeenkomstig de artt. 6:217 e.v. BW. Een gehomologeerd akkoord is immers niet alleen bindend voor instemmende schuldeisers, maar ook voor tegenstemmers en voor concurrente schuldeisers die niet in het faillissement van de schuldenaar zijn opgekomen. Het akkoord is op grond van art. 157 Fw een dwangakkoord. Ook zonder aanvaarding kan een schuldeiser partij worden bij de overeenkomst (een akkoord). Dat met betrekking tot de totstandkoming van een akkoord de faillissementsrechtelijke regels prevaleren boven het algemene verbintenissenrecht, heeft een aantal belangrijke consequenties ten aanzien van de mogelijke inhoud en de gebondenheid van schuldeisers aan een gehomologeerd akkoord. Nu een akkoord wordt beheerst door de dwingendrechtelijke regels van de Faillissementswet, kunnen de Boeken 3 en 6 van het Burgerlijk Wetboek slechts een aanvullende werking hebben op de regeling van het akkoord. Voor de totstandkoming van een akkoord geldt daardoor niet zonder meer de contractsvrijheid. Partijen bij een akkoord zijn niet volledig vrij in het bepalen van de inhoud ervan, nu een akkoord ingevolge art. 157 Fw een dwangakkoord is. De gedwongen gebondenheid van concurrente schuldeisers leidt ertoe dat de vrijheid van partijen bij het invullen van een akkoord begrensd is. Zo dient steeds rekening te worden gehouden met de homologatievereisten van art. 153 Fw.4 Voorts dient bedacht te worden dat tegenstemmers en afwezigen niet aan alle bepalingen in een akkoord gebonden hoeven te zijn,5 zelfs niet wanneer dit uitdrukkelijk in een akkoord is opgenomen.6 Aangezien een akkoord een dwangakkoord is, draagt een akkoord ten aanzien van de inhoud en de gebondenheid een bepaalde grens in zich, die onder meer inhoudt dat tegenstemmers en afwezigen slechts gebonden kunnen zijn jegens de schuldenaar en zijn boedel en niet jegens een derde.7