Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/7.2.2.1
7.2.2.1 Verzoek vaststelling netwerkaanduiding
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS614949:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Stb. 2006, 59. Aan artikel 2 van het Kadasterbesluit zijn de volgende leden toegevoegd: 5. In afwijking van het eerste lid worden netwerken aangeduid door vermelding van achtereenvolgens de naam van de gemeente waarin het kantoor van de Dienst, binnen welks kring het netwerk is gelegen, is gevestigd, alsmede een hoofdletter en het nummer van het betreffende netwerk. Onze Minister stelt regelen vast omtrent de vaststelling van het nummer van het betreffende netwerk. 6. Indien een netwerk is gelegen binnen de kring van meer dan één kantoor van de Dienst, wordt het netwerk ten aanzien van elk van die kantoren kadastraal aangeduid.
Bij teboekstelling van binnenschepen dient de eigenaar van het binnenschip zulks te verklaren. Bij netten dient dus de notaris dit in voormeld verzoek tot vaststelling netwerkaanduiding te verklaren.
Mogelijk is dat op een in te schrijven net al beslag is gelegd. Om een 'dubbele' inschrijving te voorkomen, kan vooraf geraadpleegd worden of het in te schrijven net al bekend is bij het Kadaster.
Louwman en Van Dam 2008.
Dit speelt eveneens bij de vraag of de aanlegger bevoegd is (geweest) tot aanleg van het net. Zie in dit verband Terzake 2010, waarin de inschrijving van een groot netwerk van ca. 28.000 km is beschreven. De betreffende notaris kon niet alle bewijzen van bevoegde aanleg op hun waarde schatten en heeft die (indirecte en vaak technische) bewijzen laten controleren door TNO omdat deze organisatie gezien wordt als een onafhankelijke organisatie met gespecialiseerde kennis van netwerken. TNO heeft verklaard of de bewijzen in orde waren of niet. Op een gelijksoortige wijze zou de notaris ook de zelfstandigheid van een net kunnen (laten) controleren.
De eventuele bewijzen van de aanlegger kunnen wellicht ook van zodanige technische aard zijn, dat dit het beoordelingsvermogen van de notaris te boven gaat. Ook in deze situatie is het zeer praktisch dat er richtlijnen zouden zijn op basis waarvan de notaris de technische bewijzen kan laten controleren zodat deze in zijn beoordeling betrokken kunnen worden.
Door wijziging van het Kadasterbesluit1 is het niet meer nodig om bij inschrijving van een netwerktekening verwijzingspercelen te noemen in de akte. De inschrijving van een net met behulp van een netwerktekening gaat als volgt. Allereerst zal degene die tot inschrijving wil overgaan een verzoek moeten doen tot verkrijging van een kadastrale aanduiding voor het netwerk, conform artikel 26 Uitvoeringsregeling Kadasterwet 1994. Dit verzoek kan gedaan worden door middel van het formulier dat hiervoor op de website van het Kadaster is geplaatst. Op dit formulier wordt onder meer ingevuld wat voor een netwerk het betreft, maar ook dat het een eerste registratie betreft en dat het net een zelfstandige functionele eenheid is.
Eerste registratie
Voordat de notaris een verzoek tot vaststelling netwerkaanduiding indient, dient hij zich ervan te vergewissen dat het betreffende net niet eerder is ingeschreven in de openbare registers. Dit lijkt wellicht vreemd omdat een zodanige eis niet uit de wet voortvloeit. Dit is echter wel verklaarbaar omdat de registratie van netten in de openbare registers feitelijk nog moet worden opgebouwd en dubbelingen in de registratie niet gewenst zijn. Voor teboekstelling van binnenschepen luidt een gelijksoortige eis (artikel 8:784, tweede en vijfde lid BW).2 In beginsel dient de notaris, bij vaststelling of het om een eerste registratie gaat, af te gaan op de informatie of mededelingen die de bevoegde aanlegger van het net hieromtrent aangeeft. Daarnaast kan de notaris de openbare registers raadplegen of daarin een net met een gelijksoortige ligging als het in te schrijven net is ingeschreven.3
Zelfstandige functionele eenheid
Naast het feit dat het een eerste registratie betreft dient de notaris tevens te verklaren dat het net een zelfstandige functionele eenheid vormt. De reden hiervoor is volgens Louwman en Van Dam:4
`Het oordeel van de notaris is een rechtskundig oordeel. Als de eigenaar een net bijvoorbeeld niet vanaf ingang/uitgang of koppelstuk zou willen registreren, zal zijn rechtskundig oordeel de notaris tot de conclusie brengen dat het betreffende deel van de leiding wordt nagetrokken bij de hoofdzaak en niet als afzonderlijke object van eigendom kan worden teboekgesteld'.
In beginsel is de door de schrijvers gegeven reden juist en zal een net dat niet als een zelfstandig functionele eenheid kan worden beschouwd in beginsel niet voor registratie in aanmerking komen. Dat de notaris hierover een (rechtskundig) oordeel vormt of liever gezegd moet vormen lijkt op zich dan ook logisch en gewenst. De vraag is echter — en dit geldt in zekere zin ook voor de verklaring van eerste registratie — waarom de notaris zulks moet verklaren bij het verzoek tot verkrijging van een kadastrale aanduiding? Immers indien de notaris van mening is dat het in te schrijven net niet als een zelfstandig functionele eenheid kan worden beschouwd, dan zal hij (logischerwijs) toch ook niet overgaan tot het doen van een verzoek tot verkrijging van een kadastrale aanduiding. Waarom moet deze verklaring dan toch in genoemd verzoek worden gedaan? Want stel dat de notaris genoemde verklaring niet aflegt, is het net dan niet als een zelfstandige eenheid te beschouwen en dus niet inschrijfbaar? Dit zou vreemd zijn aangezien in de parlementaire geschiedenis wordt gesteld dat de wettelijke defmitie van een net dan wel bij het ontbreken van een zodanige defmitie, de verkeersopvattingen bepalen wat de omvang is van een net. In de omgekeerde situatie geldt hetzelfde. Stel dat de notaris verklaart dat het net een zelfstandig functionele eenheid is — bijvoorbeeld afgaande op wat de bevoegde aanlegger hieromtrent stelt — en later blijkt dat het ingeschreven net geen zelfstandig functionele eenheid kan zijn omdat dit noch uit de wettelijke definitie, noch op grond van de verkeersopvattingen blijkt, is het net dan toch als een zelfstandig functionele eenheid te beschouwen omdat de notaris dit heeft verklaard en het net als zodanig in de openbare registers is ingeschreven? Het zou in deze situatie ook vreemd zijn als de verklaring van de notaris en bijgevolg de inschrijving van het net de regels van de bestanddeel-vorming (artikel 3:4 BW) of (horizontale) natrekking opzij zetten. De verklaring die de notaris afgeeft op het aanvraagformulier over de feitelijk en functionele eenheid van een net in het verzoek tot verkrijging van een kadastrale aanduiding kan weliswaar als een soort van 'check' of 'herinnering' worden gezien, maar lijkt verder geen inhoudelijke betekenis te hebben.
Afgezien van de vraag wat de betekenis is van de verklaring die de notaris ten aanzien van de zelfstandige functionele eenheid zou moeten afleggen in het verzoek, rijst ook de vraag hoe de notaris überhaupt een oordeel kan geven dat sprake is van een zelfstandige functionele eenheid? Waarschijnlijk zal de notaris bij dit oordeel niet alleen af kunnen gaan op hetgeen de aanlegger hierover meedeelt of overlegt; zeker niet als deze mededelingen of bewijzen onduidelijk zijn of incompleet. Mogelijkerwijs zal de notaris zich dan moeten laten bij staan door bijvoorbeeld deskundigen of verklaringen van experts moeten vragen om zich ervan te vergewissen dat — conform de wettelijke definitie(s) dan wel de verkeersopvattingen — sprake is van een zelfstandige functionele eenheid.5 Voor het notariaat zou het in die zin praktisch zijn als bijvoorbeeld de KNB richtlijnen zou geven over hoe (en met welke bewijzen/hulpmiddelen/ deskundigen) de notaris kan beoordelen dat sprake is van een zelfstandige en functionele eenheid (of: bevoegde aanleg), wanneer de mededelingen of bewijzen van de aanlegger hierover geen uitsluitsel (kunnen of lijken te) geven.6